TESSENDERLO – Toen Tia Hellebaut in Peking naar een gouden plak zweefde, was ik trainer bij Beerschot. Tia is er tot op vandaag fanatiek supporter aan huis en zo leerden we elkaar destijds kennen. Haar prestaties spraken tot de verbeelding, maar het was vooral de mens in Tia die me aansprak: aimabel, vriendelijk en de voetjes steeds op de grond. Jaren later zoek ik de olympisch kampioen op in Tessenderlo, waar ze met haar man Wim en drie kinderen vandaag een druk gezinsleven leidt. “Alles wat ik doe, staat in het teken van mijn kinderen”, vertelt ze.

“Ik deed als kind steeds mee aan veldloopjes met school en toen ik een jaar of elf was, behaalde ik een medaille. Ik kreeg de smaak te pakken om aan atletiek te doen. Het is een klassiek verhaal eigenlijk”, bijt Tia Hellebaut de spits af. We gaan tafelen in brasserie de Oude Post op de idyllische markt van Tessenderlo, om het uitgebreid over haar carrière en leven te hebben. De ober onderbreekt ons even. Tia eet een spaghetti, en er is ook een belegd broodje bij, voor Lotte (9), haar oudste dochter. “Ik moet straks nog naar de oogarts met haar. Ze mocht daarom thuisblijven en ik heb haar meegenomen naar dit interview. Het is de eerste keer dat ze zoiets meemaakt, bedenk ik nu eigenlijk. Ze zal wel braaf zijn. (glimlacht)” Het is Tia Hellebaut anno 2018 ten top. Veertig lentes is ze ondertussen, een wroetende moeder – zelf noemt ze het chauffeur van en naar hobby’s en school – die haar drie duiveltjes dagelijks op het hoogste schavot plaatst. Tien jaar geleden stond ze er zelf, maar dan in het Vogelnest van Peking op de Olympische Spelen. Het gevolg van een waanzinnige sprong richting eeuwige roem.

Eet smakelijk, Lotte. Tia, vertel je ondertussen verder over de weg naar die absolute topprestatie?

Het is eigenlijk schandalig, maar ik startte met atletiek op Antwerp AC, aan de Hoogmolenbrug in Schoten. (beschaamd) Als fanatiek Beerschotsupporter zou dat eigenlijk niet mogen, maar dat was dichter bij huis. Ondertussen bestaat die piste daar zelfs al niet meer. Hoog- en verspringen bleken mijn beste disciplines, en ik had ook een goede werparm. Zo ben ik in de meerkamp beland. Dat was fijn, die afwisseling van disciplines. Ik ben voor het eerste Belgisch kampioen geworden in de meerkamp toen ik veertien was. Tot mijn twintigste heb ik eigenlijk heel weinig getraind. Ik bleef vooruitgang boeken, ook met amper drie trainingen per week. Ik stond er ook niet bij stil dat er zoiets als een profcarrière bestond. In 1999 ben ik afgestudeerd in de richting Chemie, en werd ik zesde op het EK voor beloften. Ik was toen 21 en dacht: misschien heb ik wel meer talent dan ik tot nu dacht.

(Lotte onderbreekt het gesprek) Pff mama, ik had ook beter de spaghetti gepakt. (Tia pikt in) Oei, wil je ruilen? Het mag, hoor. Wacht, Aimé, eerst even de spaghetti snijden voor ik verder vertel. Zo gaat dat, het leven van de mama. (lacht)

Geen probleem. Om verder te gaan, hoe werd je uiteindelijk prof?

Nadat ik de knop had omgedraaid, ben ik bij Wim (Vandeven, met wie ze later trouwde en kindjes kreeg, red.) terechtgekomen. Ik ben halftijds beginnen werken in de Decathlon – want in de chemiesector kun je geen halftijdse jobs vinden – en daarnaast ben ik meer beginnen trainen. Ik ging ook voor het eerst op stage. Twee jaar later kreeg ik een profcontract bij Topsport Vlaanderen. Dat waren zware jaren. Ik kwam van heel weinig trainen naar plots heel veel. Ondertussen was ook Kim Gevaert de top aan het beklimmen. We zijn van hetzelfde jaar.

(Lotte nieuwsgierig) Wie is dat, mama? (Tia terug) Kim, de mama van Vince, Romeo, Lili en Nora.

Kennen jullie kindjes elkaar?

We zien elkaar af en toe wel, ja. Voor Lottes negende verjaardag zijn ze allemaal nog gekomen.

Jullie zijn allebei olympisch kampioen, gaat het dan niet vooral over de sport?

Vooral over de kindjes, eigenlijk. Dat is typisch voor mama’s, zeker? (lacht) Onze kinderen hebben min of meer dezelfde leeftijd, dus dat is wel tof. We zijn zelfs twee keer samen zwanger geweest. Het gaat ook weleens over vroeger, hé, want we hebben veel samen op de kamer gelegen tijdens stages of wedstrijden. Maar als je opgeteld zeven kinderen hebt, dan weet je wel waarover gesproken.

“Het jaar dat ik olympisch kampioene werd,
kreeg ik een netto maandloon van 1450 euro.”

Het absolute hoogtepunt was je olympische titel op de Spelen in Peking in 2008, met de Kroatische Blanka Vlasic als tegenstander. Had je eigenlijk een goede band met haar?

Nee, dat was een beetje een buitenbeentje onder de hoogspringsters. Ze dacht van zichzelf dat ze het van het was en straalde arrogantie uit. Ze had voor de finale in Peking al 34 keer na elkaar gewonnen, dus waande ze zich onklopbaar. Met andere meisjes uit die tijd heb ik nog regelmatig contact dus ik kan niet zeggen dat die arrogantie eigen was aan het wereldje. Zij was gewoon zo.

Deed het dan extra deugd om net haar te kloppen?

Goh, nee. Als individuele sporter moet je sowieso vooral naar jezelf kijken, en naar je prestatie. Eigenlijk doet het er enkel toe hoe hoog je springt, en of je dan wint of verliest zou van ondergeschikt belang moeten zijn. Dat is natuurlijk niet zo, want je wil winnen, maar je moet eerst goed springen voor je ook maar kunt denken aan winnen. Dat is in alles wat je doet zo. Eerst moet je je concentreren en dan volgt het resultaat wel. Dat leer ik ook aan mijn kinderen.

Tia Hellebaut na haar gouden sprong in Peking. (foto belga)

Vier jaar later werd je vijfde op de Spelen in Londen en werd je enigszins kritisch benaderd door de buitenwereld. Trok je je dat hard aan?

Ik ben daar wel wat op afgeknapt, ja. Ik had tussen die twee Spelen twee kinderen gekregen, hé. Mijn mentale weerbaarheid was toen ook wel lager omdat (kijkt plagerig opzij naar Lotte) sommige kinderen niet willen slapen ‘s nachts. (Lotte lacht) Er zijn altijd zaken die je kwetsen. Maar op zich mag ik daar niet over klagen. Ik had een vrij goede band met de pers. Ik wist vooraf wel dat het nooit goed genoeg zou zijn voor de buitenwereld, na het goud in 2008. Of de verwachtingen te hoog lagen? Ik had de lat ook hoog gelegd, hoor. Mijn doelstelling was om 2 meter te springen. Ik kon dat. Uiteindelijk werd het ‘maar’ 1.97 meter in Londen. Maar met die sprong zou ik in Rio vier jaar later wel olympisch kampioen geworden zijn. Ik had in Londen zogezegd gefaald, maar dat was eigenlijk niet zo. Er zijn nog altijd de prestaties van de ander. Wat we tussen Peking en Londen hebben verwezenlijkt, blijft ongelooflijk: twee kinderen krijgen, weinig slaap bijgevolg en dan nog eens keihard trainen. Dat was een geweldige uitdaging. Maar ik ben mezelf heel vaak tegengekomen. Ik huilde op training. Ik heb toen vooral geleerd dat een mens tot heel veel in staat is als je het gewoon echt wil. Ik genoot zo hard van het hoogspringen dat ik niet wou stoppen.

Zou je je kinderen eigenlijk een profcarrière toewensen?

Als ik nadenk over wat ik er allemaal mee heb mogen ervaren… dat zou ik ze nooit willen onthouden. Je bent jong, je leert veel mensen kennen en je reist veel. Dat is een ervaring voor de rest van je leven. Later leer je dat allemaal nog meer waarderen. Als ik nu bijvoorbeeld terugblik op die gouden sprong, dan ben ik daar nu nog fierder op dan toen. Dat is nu zo onwezenlijk. Als je daar middenin zit, dan voelt dat iets normaler. Je hebt ervoor getraind en je weet dat je het kan. Maar als ik nu een lat zie liggen op 2 meter dan denk ik: ‘Oh my god, hoe kan dat dat ik daar ooit over ben gesprongen?’

“Ik wens mijn kinderen zeker een profcarrière toe. Die ervaringen neem je je hele leven mee.”

Rijk ben je niet geworden van je ongelooflijke prestaties, niet?

Het jaar dat ik olympisch kampioene werd, kreeg ik een netto maandloon van 1.450 euro. Ik had gelukkig wel mijn sponsors. Tot 2006 waren die er niet, en dan was het niet zo gemakkelijk. Daarom dat ik bijvoorbeeld in de reclamespotjes van Pizza Hut ging figureren. Er ontstond wat gedoe rond, om als sporter een fastfoodketen te vertegenwoordigen, maar ik had geld nodig en mijn stages waren zo voor drie jaar ver betaald. Eindelijk was er financiële zekerheid en dat deed deugd. Punt. En trouwens: één keer per week pizza eten, dat is heus niet zo erg. (knipoogt) Eigenlijk wordt er in ons land bijna niets gedaan voor medaillewinnaars. De toppers worden wel vaak opgevangen door private organisaties, zoals ikzelf bij Golazo, maar je hebt sporters die daar net onder zitten, heel hun leven aan hun sport hebben gewijd en zichzelf hebben opgeofferd. Die hebben na hun carrière vaak geen vangnet en hebben niet veel verdiend. Dat is hard.

Je bent nu vijf jaar gestopt. Op het juiste moment?

Ja. Ik ben gestopt op de dag dat winnen niet meer belangrijk aanvoelde. Ik stond op de piste tijdens het EK indoor in Göteborg. Voor de eerste keer in twintig jaar had ik het gevoel van ‘wat sta ik hier in godsnaam te doen?’ Toen wist ik dat het gedaan was. ‘s Avonds heb ik dat eerst tegen Wim gezegd en nadien naar huis gebeld: ‘ik denk dat het op is’. Ik weet zelfs niet meer hoeveelste ik toen ben geworden. (achtste, red.) Ik wou naar huis, naar mijn kinderen.

Heb je die omschakeling naar het leven na de sport vlot verteerd?

Ja, want ik ben met van alles bezig. Alles wat ik doe, moet wel te combineren vallen met mijn kinderen. Wim werkt tot 22 uur ‘s avonds als kinesist, dus dat moet wel. En ik heb wel wat projectjes lopen, waar ik voldoening uit haal. Zo ben ik ook nog steeds ambassadeur van The Daily Mile, waarbij we lagereschoolkinderen aanzetten om dagelijks te bewegen. Sinds twee jaar is er ook de Tia Hellebaut Academy. Kinderen tussen elf en zestien kunnen bij ons op vier verschillende locaties trainen met toptrainers. We werken heel technisch, om blessures te vermijden en zo beter te presteren. Groeien en sterker worden doet een kind van nature al.

En binnenkort start je ook met iets helemaal nieuw?

Ik ga aan personal training doen, onder de naam Move Forward. Ik wil werken op individueel vlak, maar ook in bedrijven. Bewegen tijdens de werkuren bijvoorbeeld, dat is superbelangrijk. Ik wil voor die begeleiding zorgen. Ik zou het geweldig vinden om mensen die niet graag sporten toch het gevoel te kunnen geven dat sporten echt leuk is. Alles staat klaar om eraan te beginnen en de gesprekken zijn volop aan de gang. Bij deze heb je dus de primeur.

(foto Ivan Ruck)