Het Waalse dorpje Lesterny is al vijftien jaar de thuisbasis van Vlaanderens gezelligste wielerfamilie, de Planckaerts. Pater Familias Eddy (58) en zijn kroost runnen er een houtzagerij, een chaletpark en een chambre d’hôte. We hebben afspraak in die laatste. Lekker in de zetel aan de haard, pot koffie in de hand en een vat vol herinneringen. Eddy spreekt recht uit het hart.

“Manneke, toch. Verhalen die ik kan vertellen. Niet normaal. Als ik 115 ben, ga ik een biografie schrijven. Eerst de koers: een succesverhaal. Dan moeten stoppen met een rugblessure. Amper 32 jaar. Een zware opdoffer. Maar goed. Daarna de zakenwereld, een houtzagerij. Eerst in Litouwen, daarna in Polen. Dat gaat tien jaar goed. Maar plots word je bedrogen en bestolen. Het faillissement volgt. Je bent 44 jaar, en je hebt geen rotte frank meer. De mensen noemen je een stommerik. Of een naïeveling. Je wordt met de grond gelijk gemaakt. Ik was echt naar de kloten. De liefde van mijn familie heeft mij gered. Anders zou ik domme dingen gedaan hebben. En zat ik nu misschien in de bak. Of leefde ik als clochard. Als ik vandaag gezinsdrama’s zie, dan kan ik dat begrijpen. Let op: ik zou dat zelf niet gedaan hebben, hé. Dan kwam die reeks op VTM: dat was onze financiële redding. En kijk vandaag: we staan er weer, allemaal samen. Onvoorstelbaar, toch. (glundert) Die familie: dat is de grootste rijkdom die een mens kan hebben.”

Geniet je meer dan ooit van het leven?

Dat is moeilijk te zeggen. Ik geniet heel erg. Ik zie mijn kinderen en kleinkinderen elke dag. Wie kan dat zeggen? Maar het is ook hard werken. In de week het hout, in het weekend de chambre d’hôte. Ik ben hier de man van de drank en de verhalen. De klanten, en zeker de Vlamingen, willen den ouden nog altijd eens zien. Maar ook als coureur genoot ik heel hard. Ik was geen Sven Nys, hé. Ik kon dat niet: me volledig concentreren op de koers. Ik rookte, dronk goed, ging lekker eten. Met andere woorden: ik lééfde. Ik was een rare vogel, hoor. Populair ook. Net daarom waarschijnlijk. Ik was de Peter Sagan van mijn tijd. Al is hij natuurlijk een betere coureur. En zelfs als zakenman heb ik mooie jaren beleefd. Ik koester ook die momenten.

Heb je spijt van iets?

(blaast) Van de afloop van Litouwen en Polen. Anderzijds: stel dat dat wel gelukt was. Dan reden mijn kinderen nu, figuurlijk dan, met een Ferrari. Zouden we dan samen gebleven zijn? Zou mijn vrouw nog bij mij zijn? Ik betwijfel dat. Als je samen uit de miserie kruipt, wordt je band sterker. (zwijgt even) Maar goed, hoe ik daar bedrogen ben door mijn zakenpartners, dat doet dat pijn, ja. Ik heb die mensen vertrouwd, rijk gemaakt, en dan misbruiken ze mij.

“Waarom zou ik zeveren over doping? Ik vertel de waarheid. En ik noem geen namen.”

Ben jij naïef?

(fel) Miljaar, neen. Een gebrek aan ervaring, dat was het probleem. Je bent een gevierd renner. Dan word je zakenman. Ook dat gaat goed. Je werkt met tweehonderd man. Dan denk je dat jou niets kan overkomen. Ik tekende zelfs blanco papieren. Ik vertrouwde voor honderd procent op de mensen rondom mij. Maar de zakenwereld zit vol haaien. Ik heb een grote levensles geleerd. Als je iets onderneemt, doe het op vertrouwd terrein. Vrienden worden vijanden als er geld aan te pas komt.

Hoe kijk je terug op je wielercarrière?

Dubbel. Ik durf zeggen dat ik een goede coureur was. Ik heb 450 koersen gewonnen, waarvan 120 bij de profs, en niet de minste: Vlaanderen, Parijs-Roubaix, ritten in Tour, Giro en Vuelta. Maar er zat zóveel meer in. Mijn grote frustratie is dat ik pas op mijn 22e prof mocht worden. Dat heeft me drie jaar gekost. En ik ben vijf jaar te vroeg moeten stoppen. Ik zou anders nog veel klassiekers gewonnen hebben. Ik was van plan mezelf ook eens goed te ‘prepareren’. Zoals veel anderen. Ik wou er gotterdomme nog enkele jaren een lap op geven. En word je dan gepakt, wel, dan is dat zo. Dan sta je twee weken aan de kant. Ik had voordien altijd zuiver gereden. En wie is er niet gepakt in die jaren? Maar net dan komt die rugblessure.

Je zegt zuiver, maar je hebt eind jaren 90 toch epogebruik toegegeven? Je noemde het zelfs een prachtig middel.

Dat is ook de waarheid. Je wordt een beest met epo in je lijf. Twaalf procent sterker, zo wordt gezegd. Ik zou dwars door een muur gereden zijn. Ik heb dat één keer genomen, in 1991, mijn laatste jaar. Ik noem dat experimenteren. Ik wou weten wat dat was. Ik heb ook met amfetamines geëxperimenteerd. In kermiskoersen. Een keer of vijf. Ik zeg dat heel eerlijk. Of met stimul: dat heb ik ook één keer gebruikt, in de Ronde van Spanje. Dat was toen nog niet verboden. Miljaar, ik reed plots mee met de eerste tien bergop. (lacht)

Waarom praat jij zo open hierover? Andere renners kruipen in hun stulp over doping.

Waarom zou ik zeveren? Ik vertel de waarheid. En ik noem geen namen. Weet je wat mij deugd doet? Dat de wielersport vandaag wel zuiver is. Ik zou liever nu gekoerst hebben. Ik geloof dat ik mijn steentje bijgedragen heb. Ik werd nochtans verketterd toen, omdat ik mijn mond opentrok. Ze gaan je kapot maken, zeiden mijn broers (Willy en Walter, ook ex-profs, red.). Ho, die waren kwaad, zeg. Dat was wereldnieuws, hé. Maar ik beklaag me dat niet. Wat in die tijd gebeurde, was niet normaal. Vandaag worden ploegen omkaderd door dokters, toen door sjacheraars. Veel jonge renners zijn gestorven. (feller) Waarom, denk je? Als je eigen kinderen dan beginnen te koersen, dan denk je wel even na. Je wil niet dat zij daarin meegesleurd worden.

“Ik ben een onrustige mens. Ooit ga ik weer uitbreken. Dat voel ik diep vanbinnen.”

Won je de Ronde en Parijs-Roubaix zuiver?

O ja, dat zweer ik. Ik heb altijd zuiver gereden, op die experimenten na. Soms dacht ik wel: ik zou beter meedoen met de rest. Maar ik heb er niet aan toegegeven. Al zeg ik nu wel eerlijk: ik was dat wel van plan op het einde van mijn carrière. Die rugblessure was misschien toch voor iets goed.

Hoe is je band met je broers?

Met Walter goed, met Willy iets minder. Dat faillissement heeft veel kapot gemaakt. Er is veel gebeurd, kwetsende woorden heen en weer. (even stil) Het wordt tijd om eens te klappen met elkaar. Dan komt het wel weer goed. Zeker weten.

Mis je de camera’s van VTM nooit?

Neen. Al was dat wel plezant. Ik denk soms wel: VTM zou nu eens moeten langskomen, om te zien hoe we ons opgewerkt hebben. We zijn weer fiere Planckaerts. We draaien weer mee in de maatschappij. Al geloof ik nog altijd niet in die maatschappij.

Schuilt er nog steeds een anarchist in je?

Absoluut. Als je niet tegen onrecht kan, zit je hier niet op je plaats. Maar Ivan Heylen heeft mij geleerd de gulden middenweg te kiezen. Ik pas me aan. Al schuilt er nog veel onrustige energie in mijn lichaam. Ooit ga ik weer eens uitbreken. Dat voel ik diep vanbinnen. Maar vandaag kan ik niet. Mijn familie vindt het leven goed zo. We rijden in het peloton. En ik wil hen volgen.

Wat bedoel je met uitbreken?

(blaast) Hoe moet ik dat uitleggen? Je maakt het mij moeilijk, zunne. (denkt na) Kijk: we draaien weer mee in die mallemolen van het leven. Altijd werken. Soms denk ik: gasten, laat ons hier vertrekken. België is niet extreem genoeg voor mij. Ik droom van een groot domein in de Pyreneeën of zo. Een boerderij, wat dieren, mensen die langskomen. Snap je? Fuck you zeggen aan de maatschappij. Mijn kinderen moeten me vaak tegenhouden als ik weer begin. “Pa, rustig blijven.” (lacht) Dat betekent niet dat ik niet gelukkig ben nu, integendeel. Alleen wil ik soms nog iets meer. Ik ben een onrustige mens.

 

Het sportrapport van Eddy Planckaert

Als kind was mijn idool …

Bruce Lee. Ik wou ook vechten.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Eddy Merckx en Muhammad Ali.

Mijn mooiste sportmoment?

Parijs-Roubaix in 1990. Mooier dan Vlaanderen in 1988, ja. Wij romantiseren de Ronde te veel. In Wallonië is dat niet eens zo speciaal. Maar mijn mooiste prijs is de groene trui in de Tour 1988.

Mijn grootste ontgoocheling?

WK Ronse 1988. Verdomme, ik was stom die dag. Een sprint bergop: ik kon niet geklopt worden. Ik had moeten investeren. Ik was altijd de eerste om daaraan te denken. Mijn ploegmaats 200.000 frank beloven. Die dag vergeet ik het. Te zegezeker? Misschien.

(foto belga)