De komende weken gaat onze gastredactrice en geboren pessimist Stephanie Coorevits op zoek naar geluk. Dat doet ze aan de hand van verschillende leuke experimenten. Vandaag experiment nummer 1: glimlachen naar iedereen!

Door stephanie coorevits/foto guillaume decock

Zweverige mensen hebben me wel eens wijs proberen te maken dat door goed doen voor andere mensen ‘het universum’ je beloont en het leven opeens één ponykamp wordt. En inderdaad, inspirational quotes op Pinterest lijken die theorie te onderstrepen. ‘The more you smile, the more life smiles on you’. ‘Smile at strangers and you just might change a life’. ‘You can not have a positive life and a negative mind’. En meer van die kul uitspraken. Er bestaan mensen die dergelijke dingen in lichtgevende letters op hun muur hangen. Ik ben daar niet een van. Maar. Er is een maar. Uit mijn cursussen gedragspsychologie meen ik me toch enkele studies te herinneren die iets gelijkaardig hebben aangetoond. Zij gingen er niet van uit dat we lachen omdat we ons vrolijk voelen of huilen omdat we verdrietig zijn maar stellen het omgekeerde; namelijk dat onze gelaatsuitdrukkingen onze emoties sturen. Dat zou betekenen dat, als ik de hele dag een glimlach op mijn gezicht plaats, ik vanzelf gelukkig word. Zelfs zonder dat ik het in eerste instantie ben. De moeite waard dus om het uit te proberen.

Experiment nummer 1:

Ik leg mezelf op om een paar dagen te glimlachen naar elke levende ziel die ik op straat kruis. Volgens bovenstaande theorie zou dit wonderen moeten doen voor mijn humeur.

De testsituatie:

Mijn stad, Kortrijk.

De omstandigheden:

Bij aanvang van het experiment blijkt het Paasfoor te zijn in Kortrijk. (Voor niet-West-Vlamingen: Dat is de twee weken durende kermis die de hele stad beslaat en die hordes en hordes mensen op straat brengt). Bovendien giet het water, is het koud en staat er een ijzige wind.

Noot: Mensen die me kennen weten dat ik lijd aan een milde vorm van seizoensdepressie. Dat houdt in dat wanneer ik enkele weken/maanden geen zon of warmte heb gevoeld, ik werkelijk niet te genieten ben. Ik ben somber, negatief, kijk nog kwader dan anders (en dat zegt veel) en kies er doorgaans voor om te mompelen, eerder dan volle klanken te produceren. Daarnaast ben ik, zoals eerder beschreven, niet de allergrootste fan van mensenmassa’s. Met anderen woorden, de omstandigheden waarin ik met dit experiment start zijn op zijn minst gezegd uitdagend.

Uitvoering: ik fiets naar het werk en kijk elke levende ziel recht in de ogen, ik lach en knik – naar mijn oordeel – vriendelijk. Op het werk groet ik uitbundig al mijn collega’s en patiënten. Tijdens de middagpauze kuier ik door de stad en strooi glimlachjes in het rond al was ik een paasklok met een overschot aan eitjes. Na het werk fiets ik door de overvolle kermis. Ik erger me niet aan de slenterende hordes mensen maar blijf altijd even vriendelijk lachen.

Tijdens de pauze kuier ik door de stad en strooi met glimlachjes al was ik een paasklok met een overschot aan eitjes.

De bevindingen:

  1. Mijn kaken doen na enkele uren pijn. Dit is geen beeldspraak of een of andere literaire overdrijving om mijn punt duidelijk te maken. Neen, mijn kaken doen echt pijn. Ik dien – pijnlijk – te concluderen dat deze spieren blijkbaar niet goed ontwikkeld zijn en ik dus echt wel weinig lach.
  2. Wat zijn we toch asociaal! De meeste mensen die ik kruis, hebben hun ogen tegen hun smartphone geplakt of kijken zo strak naar de grond dat het lijkt alsof – als ze maar hard genoeg staren – er goud uit zal groeien. Pakweg een derde beantwoordt mijn oogcontact.
  3. Dat derde deel lijkt oprecht verbaasd bij het zien van mijn glimlach en dat is zo’n aandoenlijk zicht. Eerst knipperen ze wat met hun ogen alsof ze zich willen vergewissen dat ik geen hallucinatie ben. Daarna volgt – in het grootste deel van de gevallen – een even brede glimlach terug.
  4. Na een hele dag glimlachen, verkeer ik in een opperbest humeur. Ik voel me blijer, energieker en socialer dan ‘normaal’. De borrelende vrolijkheid doet zelfs een beetje denken aan verliefdheid (en dat is, algemeen bekend, het beste gevoel ter wereld).
  5. Maar. Ik zou ik niet zijn mocht er geen ‘maar’ komen. De komende dagen is het vaak al halverwege de dag wanneer ik besef dat ik me niet aan mijn experiment heb gehouden. Elke morgen herval ik in mijn ‘natuurlijke sombere houding’ en ik moet mezelf bewust herinneren aan het feit dat ik tegen iedereen moet glimlachen. Mijn echte ‘state of mind’ blijkt toch erg hardnekkig ingebakken.
  6. Vriendelijk doen tegen je medemensen is net iets makkelijker wanneer alles relatief goed gaat dan wanneer je baas lastig doet/je lief vervelend is/je familie aan je hoofd zeurt/het regent voor de honderdduizendste dag aan een stuk… Na een paar ‘tegenslagen’ heb ik de neiging om te denken: Fuck optimisme. Geef me iets om te lachen en ik zal wel lachen maar fuck deze klotedag.

Conclusie:

Ik ga nog steeds geen lichtgevende ‘Live Laugh Love’ aan de muur hangen maar ik ben er oprecht van overtuigd dat lachen, zelfs wanneer je je niet uitzonderlijk blij voelt, je vrolijk kan maken. Daarenboven geeft het een heel goed gevoel om te zien dat jouw lach anderen – al is het maar voor heel even – gelukkig maakt. Ik blijf het doen. Al moet ik mezelf er elke dag aan herinneren. Trouwens, aan die paar hardcore zuurpruimen die, na het zien van mijn onbekende glimlach, toch kwaad nors wegkijken: Smile jongens. Dat doet geen pijn. En het kost je ook niks.

Volgende week:

De kinderlijke verwondering beleven. Ik ga op stap met mijn neefjes en nichtjes om door hun ogen naar de wereld te kijken.