Deze zomer gaat onze gastredactrice & geboren pessimist Stephanie Coorevits op zoek naar het geluk. Ze doet dit aan de hand van verschillende experimenten. Vandaag experiment nummer vier: kindergeluk!

Ik schreef bij de aanvang van deze reeks al dat ik nogal realistisch naar het leven kijk (‘een cynische trut’ zouden mijn geliefden mij noemen) en dat zo’n manier van leven er soms voor zorgt dat ik de mooie dingen als vanzelfsprekend aan neem en de slechte te veel aandacht geef. Weet je wie zo niet in het leven staan? Kinderen. Kinderen hebben een natuurlijk soort verwondering over zich waarbij ze euforisch kunnen worden van een vlinder op een bloem, een kippenei of een opwaaiende plastiek zak. Voor deze reeks zou ik wellicht geneigd zijn om te denken: kinderen zijn zo omdat hun hersenen nog niet voldoende ontwikkeld zijn maar een dergelijk gedachtengoed past niet in mijn queeste naar een gelukkiger bestaan dus draaide ik de redenering om. Waarom gaan wij, volwassenen, er altijd maar van uit dat we het beter weten dan een kind?

Dat we onze mini- lievelingen moeten beschermen tegen boze invloeden van buitenaf, dat spreekt voor zich maar is het nu écht nodig om hen steeds maar te corrigeren in hun vrolijke levenswandel tot ze net zo uitgeblust realistisch zijn als wij? Ooit waren wij ook zo; vol levenslustige verbazing over de wondere wereld waarin we opgroeiden. Maar gewenning, toenemende verantwoordelijkheden en ouders die steeds maar zeiden dat we ‘groot en flink’ moesten worden hebben ervoor gezorgd dat een kippenei nu gewoon iets is dat uit het gat van een kip komt en waar we een omelet van kunnen bakken en niet langer een wonder der natuur dat zowel voedsel als nieuw leven kan herbergen. Is dit nou later?

Experiment nummer 4:

Hoe ziet het leven eruit door de ogen van een kind?

De testsituatie: Torhout, een kinderboerderij met speelplein en pluimvee allerhande.

De uitvoering: Ik vraag aan mijn zus of ik haar 3 jaar oude dochtertje, Colette, eventjes mag meenemen op avontuur en zeg dat zij vandaag de baas is. Op die manier hoop ik de pure verwondering van een kind te kunnen aanschouwen, vrij van alle verplichtingen die volwassenen hen opleggen.

Noot: Dit specifieke nichtje is van de extreem verantwoordelijke soort. Ze is heel beleefd, nogal timide, heeft tijd nodig om aan nieuwe situaties te wennen en is niet bepaald een grote fan van gevaar en Het Onbekende. Een voorbeeld: wanneer we hand in handje naar de kinderboerderij wandelen en ik haar vertel dat zij vandaag de baas is, kijkt ze een beetje bezorgd naar mij op en zegt ze: ‘Maar tante Steph, jij bent toch ook een béétje de baas hé? Ik ben een kindje en jij bent groot.’ Drie jaar oud en zich nu al extreem bewust van haar plaats in deze rangorde.

De bevindingen:

  1. Schommels zijn ‘de shit’. Ik was dat vergeten. Maar Colette dus niet. In de vijf uur dat ik met haar doorbracht, heb ik haar minstens drie uur mogen duwen op zo’n schommel. Haar gezichtje straalde één en al gelukzaligheid uit wanneer ze riep: ‘Hoger tante Steph! Hoger! Ik wil met mijn voeten in de wolken!’ En ik werd op slag gekatapulteerd naar dertig jaar geleden toen ik precies hetzelfde vroeg aan mijn mama.
  2. Mijn zussen stampen het er bij hun kroost in dat ze alleen maar iets krijgen wanneer ze de magische woordjes ‘danku’ en ‘alstublieft’ aan hun vraag plakken. Dat maakt dat ze heel beleefde kindjes hebben maar kindjes zijn niet beleefd van nature. Wanneer ik voor Colette een pannenkoek bestel en haar vraag of ik hem moet snijden, bekijkt ze me ietwat misprijzend en valt ze op het ding aan al was ze een wolvenjong dat pas een paar minuten geleden de beschaafde wereld heeft ontdekt. Ze geniet zichtbaar honderd keer meer van de pannenkoek wanneer ze hem met haar handjes eet dan wanneer ze met mes en vork zou hebben gegeten als ‘een flink meisje’.
  3. En dat was niet omdat ze honger had. Ze kreeg in een tijdspanne van twee uur namelijk eierkoek, een ijsje en dan nu dus een pannenkoek. Zo viel het me op dat kinderen heel snel weten hoe ze een volwassene moeten bespelen. Colette zei namelijk nooit: ‘Ik heb zin in duizend calorieën aan suiker’ maar tikte me tegen mijn been en zei: ‘Tante Steph, ik heb een beetje honger’. Ze weet dat ze enkel kans maakt op iets lekkers wanneer ze aan een volwassene te kennen geeft dat er een basisbehoefte vervuld moet worden. Niet omdat ze er gewoon zin in heeft. Toegegeven, misschien is het niet slecht dat volwassenen hier wat beperkingen opleggen, kinderen zouden anders moddervet zijn. Echter, als volwassene geven we niet bepaald het goede voorbeeld op dat vlak. Ik kan me perfect inbeelden dat kinderen bij zichzelf denken: ‘Jij vuile hypocriet’ wanneer ze ons languit in de zetel heelder pakken chips naar binnen zien stouwen terwijl zij steevast de instructie: ‘Je mag TWEE chipjes en dan is het genoeg hé!’ krijgen.
  4. Macht went heel snel. Wanneer we terug naar de auto lopen, kijkt Colette me aan en zegt: ‘Tante Steph, ik zou ook heel graag de baas blijven straks’.
  5. Op het einde van de dag voel ik me zelf heel blij en een tikje uitgelaten. Wanneer mensen op het terras een tikje misprijzend kijken naar ‘het wolvenkind’ met haar pannenkoek, lach ik hen toe en roep: ‘Zij is vandaag de baas’. Ik zie hen denken ‘ Freinet zeker?’ Maar dat kan me niet schelen. En Colette duidelijk ook niet.

Conclusie: het is echt heel jammer dat we als volwassene die kinderlijke verwondering kwijt raken want de wereld is zo veel spannender en mooier wanneer we ze niet als vanzelfsprekend nemen. Geef nu toe: ervan overtuigd zijn dat, als je maar hoog genoeg schommelt, je met je voeten de wolken kan aanraken is toch prachtig?