Zijn focus staat ruim tien jaar na zijn afscheid nog steeds op voetbal. Gert Verheyen, icoon van Club Brugge, is nu coach van de nationale U19 en gewaardeerd televisieanalist. De bijna 47-jarige Kempenaar geniet van zijn leven, zegt hij. Al sluit hij niet uit dat hij toch ooit trainer wordt van een club.

We hebben afspraak in Melsen, Merelbeke. Verheyen heeft er net een oud jezuïetenpand gekocht, een beschermd gebouw. En hij verlaat Brugge dus na 25 jaar. Vooral om praktische redenen, stelt hij. De afstand naar het Brusselse, waar hij vaak zit voor de nationale ploeg en zijn televisiewerk, is beter behapbaar. En hij wou wel eens samenwonen met zijn vriendin. “We kennen elkaar tien jaar. Je kan niet blijven op bezoek komen bij elkaar.”

Voetbal staat nog steeds centraal in zijn leven. “Ik heb vijf jaar iets anders gedaan: een kledingzaak uitgebaat in Knokke, met mijn ex-vrouw. Dat heeft mij deugd gedaan. Ik wou af van dat leven dat in teken staat van winst of verlies. Maar een levenspad hangt af van toevalligheden. Wat als ik niet gescheiden zou zijn? Wat als de bond mij vier jaar geleden niet vraagt om coach te worden? Misschien stond voetbal dan niet meer centraal. Al heb ik het nooit helemaal losgelaten. Ik doe al langer analysewerk voor tv.”

Je bent opgegroeid in een voetbalnest. Je vader Jan speelde voor Beerschot en Anderlecht.

Ik heb dat niet zo beleefd. Ik was nog te klein toen. Ik heb een normale jeugd gekend. Pas op mijn zestiende, toen ik van Hoogstraten naar Lierse trok, ontstond de idee dat ik weleens prof zou kunnen worden. Maar ik heb nooit de opleiding gekregen die jonge gasten vandaag krijgen. Vandaar dat mijn vader versteld staat van wat ik bereikt heb.

Keek jij naar hem op?

O ja, absoluut. En nog altijd. Vroeger naar de voetballer, vandaag naar de vader. Je wil zijn wie hij is, hetzelfde bereiken, hetzelfde doen, al lukt je dat nooit. Hij heeft me altijd gesteund, maar was wel kritisch. Hij was niet de vader die zijn kinderen ophemelde. Ik probeer net zo te zijn voor mijn kinderen (Cedric, 21, Alexander, 20, Victor, 17, red).

Wat is je passie buiten het voetbal?

Ik denk niet dat ik andere passies heb. Ja, mijn kinderen natuurlijk. Ik was er altijd voor hen, meer dan de gemiddelde voetballer-vader. Ik hecht daar veel belang aan. Ik wil later geen spijt hebben. Veel trainers zien hun kinderen niet opgroeien. Dat is één reden waarom ik die stap nog niet gezet heb. Ik heb een goede band met mijn gasten, ondanks die scheiding. En ik wil dat zo houden.

“Wil ik wel leven zoals Gerets of Preud’homme? Tot nu toe was mijn antwoord altijd neen.”

Ik verneem dat ook Afrika een passie is.

(knikt) Een verre reis staat voor mij gelijk aan Afrika. Ik hou van de schoonheid van de natuur en de schoonheid van de mensen. Al ben ik eens in Windhoek, in Namibië, mijn creditcard gestolen. Maar dat kan in Brussel ook gebeuren. Ik zie Afrika natuurlijk als een toeristische plek. Ik zou geen week naar Kinshasa op reis gaan. Al ben ik wel blij dat ik dankzij de Damiaanactie ook dat eens gedaan heb. Ik denk dat ik de meeste natuurparken onder de evenaar bezocht heb.

Van welke was je het meest onder de indruk?

De Ngorongoro-krater is onwaarschijnlijk mooi. Ik heb Tanzania bereisd met mijn zonen en een tent. Opstaan vóór zonsopgang om de beesten te zien. ’s Nachts een Masai voor je tent om de beesten weg te houden. Heerlijk. Namibië heeft dan weer het voordeel dat je overal zelf met de wagen kan rijden. We hebben er eens met tien man in onze bak rondgereden. Allemaal lifters. Je komt zo in dorpjes waar je als toerist nooit zou komen. Dat was heel plezant.

Jij oogt op televisie heel nuchter. Sta jij ook zo in het leven?

Ik kan ook emotioneel zijn. Al zal ik dat niet snel laten blijken. Of je zou mij heel goed moeten kennen. Maar een analist hoort niet emotioneel te zijn. Je kan wel eens meeleven met een wedstrijd, maar je mag niet overdrijven.

Kan het nieuws jou raken?

Absoluut. Onlangs nog: de herdenking van de Slag bij Passendale. Ik ben niet geweldig geïnteresseerd in de oorlog, maar die beelden laten mij niet onberoerd. Ook schoonheid kan mij raken.

Je bent als voetballer vaak uitgefloten door vijandige fans. Raakte je dat?

Wie zegt dat hem dat niet raakt, geloof ik niet. Mijn vader kwam niet meer kijken omdat het hem zoveel pijn deed. Dat speelt ook in je hoofd. Je familie zit daar, op de tribune. Die moeten dat allemaal aanhoren. Ik ben ook daarom blij met wat ik nu kan doen. Ik heb geen kleur meer. Begrijp me niet verkeerd: ik ben fier op mijn verleden bij Club. Maar ik ben geen supporter. Ik ga er zelden voor mijn plezier op de tribune zitten.

Ben jij door die moeilijke relatie met de fans nooit doorgebroken bij Anderlecht?

Dat speelde zeker mee. Maar ik ben eerlijk genoeg om te zeggen dat ik toen niet goed genoeg was om vaste basisspeler te worden. Ik was amper 18 toen ik van Lierse naar Anderlecht trok. Toch heb ik er op vier seizoen zestig wedstrijden gespeeld. Dat is niet zo verkeerd. Maar ik vocht er tegen een onomkeerbare perceptie. Ik heb toen ongelooflijk veel geluk gehad dat Club mij wou.

Had jij ook faalangst?

Ik denk dat wel. Dat is ook logisch. Je voelt dat het niveau net iets te hoog ligt, en dat de fans je niet moeten. Maar die ervaring heeft mij sterker gemaakt. Revanche nemen was tot de laatste dag van mijn carrière één van mijn drijfveren. Ik wou het tegendeel bewijzen. Dat is een kracht geworden.

“Revanche nemen was tot de laatste dag van mijn carrière één van mijn drijfveren.”

Wat was de mooiste periode in je carrière?

Die veertien seizoenen bij Club. Ik kan niet één periode kiezen. Ik heb onder elke trainer hoogtes en laagtes meegemaakt. Aan Broos heb ik het meeste te danken. Hij heeft mij naar Club gehaald. (zwijgt even) Dat waren echt veertien plezante jaren. Ik hield minstens zoveel van het leven in de kleedkamer als van de wedstrijden. Ik vrees dat dat plezante in het voetbal vandaag weg is. Als een journalist vroeger een interview wou, kon die zelfs de kleedkamer in. Dan deden wij even een handdoek om. Nu moet je drie weken op voorhand een aanvraag doen, en hopen op goedkeuring. Ik deed niet zo lang geleden een dubbelinterview met Timmy Simons. Hij moest na een uur stoppen van Club, 35 jaar of niet. Ik vind dat héél erg. Ik had op die leeftijd gezegd: kust mijn kloten, ik doe dit interview uit. Ik meen dat.

Heb jij spijt van iets?

Neen, totaal niet. Ik heb in schoonheid afscheid kunnen nemen. Van Club én van de Rode Duivels, op het WK in 2002. Ja, ik was even ontgoocheld dat Ipswich niet doorging in 2000. Maar ik kon dat snel van mij afzetten. Je moet. Je bent dat verplicht aan al die mensen die op de tribune zitten en voor jou betalen. Als je zo lang voor één club speelt, hoor je ook ergens bij. En dat voelt goed aan. Al klinkt dat misschien tegenstrijdig met wat ik zonet zei. Ik ben fier dat ik deel ben van de geschiedenis van Club. Maar ik wil niet dat mensen mij in mijn huidige job associëren met Club.

Wat je nu doet, is dat voor de rest van je leven?

Dat is een goede vraag. (lacht) Wil ik ooit hoofdtrainer worden? Zeg je ja, dan kies je voor een andere levensstijl. Maar wil ik wel leven zoals Gerets of Preud’homme? Tot nu toe was mijn antwoord altijd neen. Ik wou mijn kinderen zien opgroeien. En ik doe graag wat ik nu doe. Ik voel ook waardering. Maar ik sluit dat niet uit in de toekomst. Ik heb aanbiedingen gekregen.

Van wie?

Van eersteklasseclubs. Maar ik ga niet zeggen van wie.

Club?

Neen. En dat is ook logisch. Club moet geen trainer nemen die alleen ervaring heeft met beloften.

 

Het sportrapport van Gert Verheyen

Als kind was mijn idool …

Ik had geen idool.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Wielrenners in de eerste plaats. En alle sporters die harder trainen dan voetballers, maar amper of niet betaald worden.

Mijn mooiste sportmoment?

Mijn goal tegen Tsjechië die leidde tot kwalificatie voor het WK 2002.

Mijn grootste ontgoocheling?

Mijn rode kaart op het WK 1998. Vandaar dat die goal zó belangrijk was. Ik had het eindelijk goedgemaakt tegenover de natie. Zo voelde dat toch. Ik heb na Tsjechië zelfs gedacht aan stoppen met de nationale ploeg.

 

(foto belga)