Voetbaltrainer Henk Houwaart ademt levenslust uit. De jaren, 72 intussen, hebben geen vat op hem. ‘Henkie Champagne’ wordt hij genoemd. Toch was het leven niet altijd lief voor de Nederlandse Belg. Tien jaar geleden verloor hij zijn zoon Henkie Junior. Zelfs onuitputtelijke levenslust is niet bestand tegen die wonde.

Kent u Knesselare? Dat is een klein dorp in het Meetjesland, op de grens van Oost- en West-Vlaanderen. Ooit was er een populair volkscafé met een aantrekkelijke blondine aan de tap, Dorien. Henk Houwaart, na Happel en misschien Sollied de meest succesvolle coach van Club Brugge, dronk er eens een pint, en was meteen verloren. We hebben afspraak bij hem thuis, in Knesselare. Koffie en koekjes staan klaar. Houwaart toont meteen een foto van zijn vrouw. Al veertig jaar is hij verliefd op haar, bekent hij. “En zie: volgend jaar zijn we 25 jaar getrouwd. Dat gaan we goed vieren.”

Dorien is zijn derde huwelijk. Zijn zwak voor schone vrouwen is een publiek geheim. Die liederlijke levensstijl heeft hem zelfs eens een plek op de bank van Anderlecht gekost, meent hij. “Ik zat bij de laatste drie kandidaten. Maar Constant (Vanden Stock, toen voorzitter van Anderlecht, red) vond mij maar een boefie. Ik was gescheiden, stel je voor. Dat paste niet op Anderlecht.” Het café doet Dorien al jaren niet meer. “Ze heeft dat voor mij gesloten. Het was dát of het trainerschap stoppen. Ik was elke dag dronken, jong. De ene bekende na de andere kwam binnen. Kom op Henk, nog een glas champagne. Op het einde van de dag had ik twee flessen op. (lacht) Dorien en ik zijn levensgenieters. Wij hebben die klik samen. Soms denk ik iets, en zegt zij het luidop. We genieten van elkaar en van onze kinderen en kleinkinderen. Heerlijk, toch? Papoe noemen ze mij. Dat is Grieks voor opa. Ze doen het allemaal zó goed. Alleen Henkie. (even stil) Dat was zo onrechtvaardig. Hij was amper 41. Kanker. Ik weet dat God niet bestaat. Anders nam hij Henkie niet weg.”

Hij is nu tien jaar overleden. Kan je dat verwerken?

Neen, nooit. Hij laat een gat na, en dat gat zal nooit gevuld worden. Op mijn bureau staan foto’s van hem, op de televisie, overal. Weet je nog, die goal die hij maakte tegen Anderlecht. (bijt op zijn lippen) Ik was zó fier, als coach én als vader. Ik heb een speciaal lampje voor hem in de woonkamer. Als ik opsta, zet ik dat op. Ik moet eerst even aan hem denken. Dan kan de dag beginnen. Als ik ga slapen, doe ik het uit. Ik praat graag over hem. Dood ben je pas als niemand over je spreekt.

Jij wordt er 73 deze zomer. Ben jij bang voor wat zal komen?

Voor de dood, bedoel je? Neen. Ik ben daar niet mee bezig. Ik voel me nog zo goed. Ik sport elke dag. Wat powertraining, wat fietsen, de tuin onderhouden, heerlijk. Ik zou graag nog tien jaar leven zoals nu. Dat zou mooi zijn. Ik zou wel bang zijn voor mijn kinderen mocht ik morgen sterven. Enzio is er nog maar 23. Ik heb mijn vader verloren toen ik amper achttien was. Ik heb hem verschrikkelijk gemist. Ik wil niet dat zij hetzelfde meemaken.

“Ik praat graag over Henkie.
Dood ben je pas als
niemand over je spreekt.”

Ben jij met pensioen vandaag?

Ho, dat woord hoor ik niet graag. (lacht) Maar ja, ik krijg een pensioentje. Veel is dat niet, hoor. Je moet aan je spaarcentjes komen als je goed wil leven. Ik moet bekennen dat ik me soms verveel. Ik zit nu een jaar zonder club, en dat steekt wel. Voetbal is mijn leven. Ik heb 25 jaar gespeeld en was 40 jaar coach. Ineens is dat voorbij.

Schilder je nog?

Neen. Ik denk er wel eens aan opnieuw te beginnen. Ik heb dat graag gedaan, portretten schilderen. De eerste was van Jan Ceulemans. Die was onherkenbaar: ik heb het doek gescheurd. Maar gaandeweg lukte dat beter. Schilderen geeft mij innerlijke rust. Dat is relaxatietherapie. Niemand mag mij storen.

Heb jij nooit willen terugkeren naar Nederland?

Neen. Ik voel me nog Hagenees, hoor. Ik keer graag terug om mijn broers en zussen te zien. Maar ik zou er niet meer kunnen wonen. Te druk. De Belgen hebben mij leren genieten van het leven. Ik ben hier in 1969 beland. Club wou naast Robbie Rensenbrink een tweede Nederlander, een middenvelder. Ik speelde dat jaar de pannen van het dak bij Twente. Ik vergeet nooit hoe ons contract gevierd werd in een sterrenrestaurant in Zeebrugge. Die Belgen pakten die kreeften en langoustines vast met hun handen en begonnen aan die poten te zuigen. “Zie die Belgen”, fluisterde ik Robbie toe. “Wat een viezeriken, niet te geloven, man.” Maar als je mij vandaag een kreeft serveert, eet ik schild en al op. (lacht) Je moet weten: ik ben opgegroeid in de Schilderswijk in Den Haag, een achterbuurt. Wij gingen niet op restaurant, wij haalden hoogstens een Chineesje af.

Had je een mooie jeugd?

Wij hadden niet veel, maar ik was gelukkig. Ik was die kleine die goed kon voetballen. De hele wijk droeg me op handen. Dan ben je trots, hè. Helaas verloor ik op korte tijd vader én moeder. Ik ben op de dool geraakt. Zelfs voetbal interesseerde mij niet meer. Happel bracht mij opnieuw op het rechte pad. Hij was toen mijn trainer bij ADO Den Haag. Hij raadde me aan andere lucht op te snuiven. Zo kwamen Twente en later Club Brugge op mijn pad.

Jij hebt Happel ook naar Club gebracht, lees ik in het nieuwe boek De Happel Jaren.

Ja, dat was in 1974. Club zat diep toen, sportief en financieel. Ik zei voorzitter André De Clerck dat hij Happel moest pakken. Ernst is de beste trainer ooit, ik blijf daarbij. Voetbal spelen, kein gelul, zei hij altijd. Helaas ben ik een jaar later vertrokken bij Club. Ik heb daar nog altijd spijt van. Ik heb de succesjaren niet meegemaakt. Maar ik kon voor mooi geld verkocht worden aan Antwerp, dus ik moest weg. Happel was daar trouwens kwaad om.

“Constant Vanden Stock
vond mij maar een boefie.
Ik was gescheiden, dat
paste niet op Anderlecht.”

Jij hebt na je carrière vele clubs getraind. Wat was de mooiste periode?

De vijf seizoenen op Club Brugge, van 1984 tot 1989. We speelden kampioen, wonnen de beker, maakten memorabele Europese wedstrijden mee. Weet je nog tegen Dortmund? Daar 3-0 verliezen, thuis 5-0 winnen. Dat was een geweldige groep. Na elke training trokken we het spelershome in om een pintje te pakken. Maar het grootste geheim was wellicht Jan Ceulemans. Hij was mijn verlengstuk op het veld. Wij verstonden elkaar met één oogwenk. Jan is altijd een vriend gebleven. Ik blijf erbij: is Jan niet geschorst in de terugwedstrijd tegen Espanyol, dan spelen wij de Europese finale. Zelfs met tien man hielden we stand tot de laatste minuut van de verlengingen.

Waarom klikte het zo tussen Houwaart en Club?

Dat is een gevoelskwestie. Ik werd meteen aanvaard. Ik wou ook zelf meteen vrienden maken, want goed leven kun je alleen als je vrienden hebt. Ook vandaag nog krijg ik jaarlijks twee abonnementen van de voorzitter. Ik ben daar heel dankbaar voor.

Behalve Club staan er geen grote clubs op jouw cv als trainer. Hoe komt dat?

Het verhaal van Anderlecht heb ik verteld. En voor de rest, tja. (denkt na) Ik heb ooit gesproken met Espanyol Barcelona. Dat was vlak na die halve finale. Ik zag dat wel zitten. Maar uiteindelijk kozen ze een Spanjaard. Maar ik heb nog mooie clubs getraind, hè. Ik heb mooie tijden beleefd in Griekenland, in Cyprus, bij Cercle, Harelbeke.

Waar je ooit Hein Vanhaezebrouck, toen nog speler, buiten zette.

(lacht) Die zei lelijke dingen over mij in een interview. Dat kon niet. Later heeft hij wel zijn excuses aangeboden. Dat is niet blijven hangen.

Het sportrapport van Henk Houwaart

Als kind was mijn idool …

Puskás en Di Stéfano: mijn grote helden van Real Madrid.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Johan Cruijff is de allergrootste ooit. Ik ben fier dat ik hem gekend heb.

Mijn mooiste sportmoment?

Mijn enige wedstrijd voor het Nederlandse elftal. Ik kreeg rillingen over mijn hele lijf toen ik het Wilhelmus mocht zingen. Als trainer zeg ik die memorabele Europese campagne van Club in ‘87-‘88.

Mijn grootste ontgoocheling?

Die halve finale tegen Espanyol Barcelona. We zaten zo dicht bij een Europese finale.

(foto Michel Wijne)