Hugo Broos is een minzaam man. Geen praatjesmaker. Geen opschepperij. Hij zou nochtans kunnen. Met Kameroen won hij begin dit jaar de Africa Cup. Broos is de eerste Belg die zegeviert in een groot landenkampioenschap. Dat, én de vele titels en bekers die hij won met Club Brugge en Anderlecht, maken van hem één van de meest succesvolle Belgische trainers ooit. En toch. Er wringt iets.

We hebben afspraak in de brasserie van Hotel Weinebrugge, vaste ontmoetingsplek voor Clubmannen. Broos woont vlakbij, in het bosrijke Varsenare. Ondanks zijn buitenlandse omzwervingen en Vlaams-Brabantse roots is Brugge nog steeds zijn thuis. Mijn eerste vraag, hoe het met hem gaat, is een overbodige. “Als het nu niet goed is, zal het nooit goed zijn”, lacht hij. “Ik beleef een fantastische tijd. En ik geniet meer dan vroeger. Wat in Kameroen losbarstte, was echt niet normaal. Na vier dagen feesten ben ik weggelopen. (lacht) Ik heb de thuiskomst van Mexico ‘86 meegemaakt. Wel, dit was niet eens te vergelijken. Elke Kameroener werd gek, tot de president toe.”

Meer vaderlandsliefde, is dat het verschil?

Klopt. Wij, Belgen, zijn niet chauvinistisch. Die vaderlandsliefde wordt er ook ingepeperd. Op een wedstrijddag komen de minister van Sport en de bondsvoorzitter altijd een speech geven van enkele minuten. Wat telkens terugkeert, is dat de spelers voor hun land spelen, voor hun 22 miljoen landgenoten, dat dat een eer is. In België zou die man voor gek aanzien worden.

Zijn sport en politiek er nauw verweven?

O ja. Je moet weten dat er in Kameroen problemen zijn tussen Frans- en Engelstaligen. Voetbal is de lijm die het land moet samenhouden. De impact is enorm. De president beslist zelfs mee wie bondscoach wordt. Ik word ook betaald door het ministerie van Sport. De minister is dus feitelijk mijn baas. Hij verbleef tijdens de Cup ook vijf weken in ons hotel. Let op: het is een joviale man. Hij nam mij eens apart om uit te leggen waarom hij dat doet. Zijn politieke toekomst hangt ervan af. Hij móet overwinningen eisen. Vandaag is hij natuurlijk koning te rijk.

Wie Kameroen zegt, zegt Roger Milla. Hoe is je relatie met hem?

(blaast) De bond heeft hem tot ambassadeur gemaakt, een betaalde job. Hij zat in financiële moeilijkheden. Hij is overal bij als supporter. Hij zegt natuurlijk dingen. (zwijgt even) Na de eerste wedstrijd op de Cup klampte hij de spelers aan om te zeggen wat ze moesten doen. Ik heb de voorzitter toen duidelijk gemaakt: nog één keer, en ik ben weg. Ze hebben hem vervolgens afgezonderd. Ze wisten zeer goed dat ik niet met mij liet sollen.

Na dertien seizoenen Anderlecht verhuisde je in 1983 naar Club. Hoe gevoelig lag dat toen?

Voor mij niet. En ook niet voor de supporters, denk ik. Ik was geen vedette op Anderlecht, hé (Broos speelde centraal of rechts achteraan, red). In het bestuur van Club zaten wel mensen die mij nooit als een echte Bruggeling hebben aanvaard. Burgemeester Van Maele bijvoorbeeld. Ik heb het aan hem te ‘danken’ dat ik later geen technisch directeur ben geworden. Hij bleef mij zien als die mauve.

“Ik ben sinds mijn ontslag nooit meer een wedstrijd gaan zien van Anderlecht. Ik kan het niet.”

Ben jij Clubman of Anderlechtman?

(resoluut) Clubman. Ik word er altijd goed ontvangen, ook door de supporters. Ik heb er een abonnement. Maar dat heeft ook te maken met mijn ontslag als trainer van Anderlecht. Dat was zuur. Ik voelde mij echt in de steek gelaten door het bestuur. Zij hebben mij laten doodbloeden. Als ik dan zie hoe ze later, en terecht, Vercauteren en Jacobs wél gesteund hebben, dat doet pijn. Op het einde was ik de schuldige van alles wat fout liep. Ook voor de pers trouwens. Toen Kompany eens te laat kwam op een interview, was ik de boeman. (zwijgt even) Ze hebben mij laten doodbloeden. Dat voelt wrang aan. Nog altijd. Ik zeg dat eerlijk.

Kom je soms nog op Anderlecht?

Neen. Ik ben sinds dat ontslag nooit meer een wedstrijd gaan zien. Dat klinkt misschien belachelijk, maar ik kan het niet. Ik heb er meer dan vijftien jaar het beste van mezelf gegeven, als speler en als trainer. Maar toen ik hen nodig had, lieten zij mij vallen.

Voelt de winst in de Africa Cup als zoete wraak? Je was afgeserveerd in België.

Neen, dat niet. Ik heb wel jaren tevergeefs werk gezocht in België. En dat was frustrerend. Op mij kleefde de stempel van ouderwets en duur. Onterecht. Maar hoe kom je daarvan los? Ik zal nooit van mezelf zeggen dat ik een goede trainer ben. Dat is misschien mijn fout geweest. Ik heb mezelf te weinig verkocht. Terwijl ik alles gewonnen heb wat er te winnen valt. Maar dat zit niet in mij. Waarom ben ik in 2014 een club gaan coachen in Algerije? Omdat ik thuis hopeloos werd. Ik heb me in dat avontuur gestort, zonder al te veel informatie in te winnen. En dat bleek fout.

Hoe zie je je toekomst? Je wordt er 65 in april.

Ik heb mijn vrouw eens beloofd dat ik zou stoppen als ik 60 werd. Maar mijn carrière zat toen in het slop en ik wou zo niet eindigen. Nu ik een hoogtepunt beleef, zou ik eigenlijk moeten stoppen. Maar ik wil nog niet. Ik wil nog twee, maximum drie jaar verder gaan. Waarom? Omdat ik nu ook eens mijn succes wil verzilveren. Toen ik met Club kampioen werd, ben ik gebleven. Ook zo bij Anderlecht. Let op: ik zeg niet dat ik Kameroen sowieso verlaat. Maar ik besef goed dat er belangstelling is. Het kan alle kanten uit.

En België?

Waarom niet. Al zal ik streng zijn in mijn keuze.

“Club? Dat zou de cirkel misschien rond maken. Maar ik denk niet dat dat zal gebeuren.”

Bij Club komt het trainerschap in mei waarschijnlijk vacant.

(lacht) Dat zou de cirkel misschien rond maken, ja. Mijn mooiste periode als trainer was bij Club (van 1991 tot 1997, red). Titels, bekers, twee keer trainer van het jaar. Al mag ik Moeskroen niet vergeten (van 1997 tot 2002, red). Was ook heel mooi. Maar goed, ik ben daar absoluut niet mee bezig. Ik denk ook niet dat dat zal gebeuren.

Wegen die buitenlandse avonturen op je gezinsleven?

Dat zal wel, ja. Mijn vrouw zou liever hebben dat ik stop. (zwijgt even) Als ik zie hoe blij mijn kleinkinderen waren toen ik thuiskwam van de Africa Cup, dan weegt dat wel, ja. Maar goed, dit is hoe ons leven eruitziet. Altijd al. Ook als speler zat ik vaak in het buitenland. Gelukkig begreep mijn vrouw dat ik carrière wou maken. Ik heb daardoor wel een stuk van de opvoeding van mijn kinderen gemist.

Nemen zij je iets kwalijk?

Dat denk ik niet. Mijn twee dochters zeker niet. Misschien mijn zoon. (stiller) Er zijn momenten geweest dat hij een vaderhand nodig had. Dat ik er had moeten zijn. Maar ik was er niet. Ik ben mijn vrouw heel dankbaar. Dat was niet altijd makkelijk voor haar. Een andere vrouw was waarschijnlijk al lang gescheiden.

Heb jij je kinderdroom waargemaakt?

O ja. Toen ik klein was, sjotte ik op alles. Een bal, een steen. (lacht) Mijn moeder zei later: “Jij moest wel voetballer worden. In het jaar van je eerste communie versleet je maar liefst zeven paar schoenen.” Ik besef ook goed dat ik dankzij het voetbal een goed leven kan leiden. Toen Michel D’Hooghe me onlangs zei dat hij Casa Hogar (opvangproject voor straatkinderen in Mexico dat de Rode Duivels na het WK ‘86 opstartten, red) nieuw leven wou inblazen en ambassadeurs zocht, heb ik geen seconde getwijfeld. Sommige van die kinderen zijn intussen afgestudeerd aan de universiteit, hé. Zonder ons project zouden zij die kansen nooit gekregen hebben. Als je dat ziet, sta je wel stil bij de kansen die je zelf hebt gekregen.

 

Het sportrapport van Hugo Broos

Als kind was mijn idool …

Pelé was de man naar wie wij opkeken. Al heb ik hem pas voor het eerst zien spelen op de Wereldbeker in 1970. Televisiebeelden waren zeldzaam in die tijd.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Sven Nys.

Mijn mooiste sportmoment?

Tot vorig jaar zou ik Mexico ‘86 zeggen. Maar de winst in de Africa Cup overtrof die beleving nog.

Mijn grootste ontgoocheling?

Mijn ontslag bij Anderlecht begin 2005. Dat was heel zuur.

 

(foto belga)