ANTWERPEN –  Een ruwe bolster met een blanke pit, dat is Jelle Van Damme in een notendop. Zijn jeugd heeft hem hard gemaakt, bekent hij. Maar zijn kinderen doen hem weer bleiten. Wij hebben een goed gesprek over boeren en beesten, de vibe van LA, het woord van Luciano en homoseksualiteit in het voetbal.

Van Damme en Antwerp scheren hoge toppen dit seizoen. Vandaag spelen ze de topper tegen Anderlecht. “Winnen we die, dan moet play-off 1 binnen zijn. We staan nu derde, ik wil dáár blijven staan.” We hebben afspraak in de loungebar van de Bosuil. Van Damme (35) ziet eruit als een stoere krijger: muts over het hoofd, roetzwarte baardgroei, tattoos overal, een man om bang van te zijn. “Dat is inderdaad mijn imago”, lacht hij, ietwat verlegen. “Maar dat is niet wie ik ben. Wij mij alleen kent van het veld, schrikt als hij mij persoonlijk leert kennen.”

Sturm und drang, dat is Jelle Van Damme óp het veld. No-nonsense. Zijn stijl past als gegoten bij dit Antwerp. Het is ook díe stijl die hem zo populair maakt. Waar hij ook speelde, de supporters hielden van hem. Dat is dé rode draad in zijn carrière. “Wij, spelers, zijn passanten. Supporters zijn dat niet. Zij zijn fan voor het leven. Je moet dat goed beseffen. Ik toon altijd veel respect.”

Jij ziet eruit alsof je moorden zou begaan voor je club.

(lacht) Een ideale schoonzoon zou wellicht zo populair niet zijn. Eens ik op dat veld kom, draai ik een knop om. Ik kan een klootzak zijn, ik weet dat. Ik gebruik alle trukken om tegenstanders te destabiliseren, verbaal en fysiek. Even op de tenen staan, iets in het oor fluisteren. Dat is die winnaarsmentaliteit. Ik kan héél hard zijn. Maar ik ben geen vuile speler. Ik heb nooit rood gekregen voor natrappen of een elleboog. Naast het veld ben ik eerder introvert. Mijn zoon is net zo. Als die ergens komt waar hij niemand kent, is hij onwennig.

Wat kan jou kwaad maken naast het veld?

Goede vraag. Even denken. Mishandeling van kinderen en dieren. Wie dat doet, is héél laf. Zet zo iemand voor mij, en die kan een kopstootje krijgen. Van kinderen en beesten moet je blijven.

Gaia-ambassadeur, zou dat iets zijn voor jou?

(lacht) Neen, dat gaat te ver. Ik heb heel mijn jeugd op een boerderij gewerkt. Dan kan ik toch moeilijk Gaia gaan promoten?

Het was geen cadeau om naar de nationale ploeg te gaan. Dat was een dikke nul voor sfeer en gezelligheid.

Was boer worden plan-B?

Als kind wou ik boer of voetballer worden. Ik ben het vandaag alle twee. (knipoogt) Een nonkel van mij had een boerderij. Dat leven intrigeerde mij, die beesten, die machines. Maar ik zou er nu niet meer aan beginnen. Boeren moeten werken om te overleven. Winst maken, is onmogelijk geworden.

Hoe kijk je terug op je jeugd?

Ik ben opgegroeid in Lokeren. Mijn vader was flik, mijn moeder werkte voor een bank. Veel luxe was er niet, maar dat heb ik nooit gemist. Wij leefden buiten.

Je ouders zijn gescheiden toen jij twaalf was. Hoe heb je dat ervaren?

Dat heeft mij hard gemaakt. Misschien té hard zelfs. (even stil) Voordat mijn kinderen geboren zijn, heb ik amper twee keer geweend in mijn leven. Na die scheiding en na de dood van mijn oma. Vandaag is dat anders. Kinderen maken een softie van je. Ik kan bleiten als ik hen zie. Ik kan zelfs bleiten bij een film. (zwijgt even) Ik ben daardoor ook een plantrekker geworden. Ik heb voor mezelf leren zorgen. Als ik iets wou kopen, deed ik een vakantiejob. Ik ging na school werken op een boerderij, en kreeg daarvoor tachtig frank per uur. Ik kon zo sparen voor een brommer.

Je moeder moest knokken om rond te komen?

(knikt) Zij zat daar met een voltijdse job en vijf kinderen die elke avond naar de sportclub moesten gevoerd worden. Ik weet nog dat ze op een bepaald moment ook de strijk deed voor andere mensen om wat extra te verdienen. Allemaal voor de kinderen. Let op: ook mijn vader was daar voor ons. Maar op een andere manier.

Wou hij niet dat jij koerste?

Neen, dat was mijn keuze. Ik worstelde met mezelf na die scheiding. Ik wou wat rebelleren, denk ik. Ik ben veranderd van school, gestopt met voetballen, begonnen met koersen. Ik was niet slecht, hoor. Maar ik kan niet afzien op mijn eentje. Twee uur alleen in een bos lopen, kan ik niet. Laat me dat doen met tien man, en ik loop voorop. Gelukkig ben ik snel weer gaan voetballen. Sindsdien ben ik niet meer van de wijs te brengen.

Neen? Ook niet als Roger Vanden Stock je een fantast noemt, een labiele jongen?

Neen, dat raakt mij niet, integendeel zelfs. Dat iemand zo reageert, betekent dat die om mij geeft. Hij zei dat toen ik net voor Standard getekend had.

Waarom trok jij na vier seizoenen Anderlecht en enkele maanden Wolves naar de grote vijand?

Ik zal u het échte verhaal vertellen. Ik wou niet weg bij Anderlecht. Zij wilden niet ingaan op mijn eisen. En waarom niet? Omdat ze zich lieten leiden door een dokter die zei dat ik geen twee jaar meer zou voetballen. Mijn enkel zou het begeven. Voilà, dat is de enige waarheid. Ik ben dan naar Wolves vertrokken, maar voelde me daar niet goed.

Waarom verkoos je Standard boven Club?

Voor Luciano D’Onofrio. Ik had al een deal met hem. Hij had mij zijn woord gegeven. Punt. Dat is het verhaal. Luciano is de enige man in de voetbalwereld die ik vertrouw op zijn woord.

Als kind wou ik boer of voetballer worden. Ik ben het vandaag alle twee.

Wat was de mooiste episode in je carrière?

(denkt na) Dat kan ik onmogelijk zeggen. Ik heb Champions League gespeeld met Ajax en Werder Bremen, titels gepakt met Anderlecht, vijf fantastische seizoenen voor Standard mogen spelen, Antwerp nu. Ik heb, echt waar, overal mooie momenten beleefd. Ook Los Angeles was een fantastisch avontuur.

Je verliet Standard voor LA. Was dat een vlucht voor je scheiding met Elke Clijsters?

Daar praat ik niet over. (zwijgt even) Onbewust kan dat meegespeeld hebben, ja. Maar dat was niet dé reden. Ik was toen 32. Ik zou geen tien jaar meer voetballen. Als die trein komt, uit zo’n mooie stad, dan moet je erop springen. Ik ben héél blij dat ik dat avontuur heb mogen meemaken. Ik mis LA, ik zeg dat eerlijk: het leven daar, het klimaat, de vibe op straat, de mensen, de club.

Had u geen twee kinderen, was u dan teruggekeerd naar België?

Zeker niet. Maar ik ben gráág teruggekeerd. Die kinderen zijn het mooiste wat ik heb. Ik heb wel vijf maanden aanpassingsproblemen gekend. Vreemd, hè. Twee jaar LA, en nooit ziek. Twee weken België, en een keelontsteking. Dat is dat klimaat. Ik hield ook van de beleving van het voetbal daar. Supporters gaan naar het voetbal, net zoals ze naar de cinema gaan. Ze willen spektakel zien. Ik heb er met Robbie Rogers gespeeld, een homoseksueel. Niet één keer werd die man uitgefloten. In België zou dat geen waar zijn.

Een groot tornooi met de Rode Duivels, is dat een gemis?

Ja, natuurlijk. Maar ik sta daar weinig bij stil. Het is simpel: mijn generatie was niet goed genoeg. Wij kwamen net na het WK van 2002. Een nieuwe ploeg moest opgebouwd worden. Maar de kwaliteit was niet aanwezig. Het was geen cadeau om naar de nationale ploeg te gaan. Dat was een dikke nul voor sfeer en gezelligheid. Een kleine blessure was genoeg om thuis te blijven. Zelfs de clubtrainers drongen daarop aan. De Rode Duivels stelden toch niets voor. Je kon beter bij je club blijven trainen.

Weet jij al wat je wil doen na je carrière?

Neen. Ik wil daar niet te veel mee bezig zijn. Ik wil nog zeker twee seizoenen voetballen. Dat mag bij Antwerp. Zij weten wat ik wil. De bal ligt nu in hun kamp. Komen zij niet, dan sta ik open voor andere voorstellen. Ik weet dat er interesse is uit binnen- én buitenland. Ik sluit niets uit.