MECHELEN Op een dag als Pasen wordt nog eens écht geluisterd naar de kerkelijke leider van ons land. In een exclusief gesprek met onze krant waarschuwt aartsbisschop Jozef De Kesel voor religieuze intolerantie. Een verbod op religieuze symbolen zoals de hoofddoek wijst hij af. De Kesel vindt ook dat christenen meer fier mogen zijn op hun geloof, zonder arrogant te worden.

 

Aartsbisschop, en sinds kort ook kardinaal, Jozef De Kesel is een gemoedelijk man, een vaderfiguur. Houdt van een aards kopje koffie bij een religieuze babbel. Praat weldoordacht, schuwt de grote woorden. “Pasen staat voor de overgang van de dood naar het leven, van de duisternis naar het licht”, vertelt hij. “Maar we mogen dat niet herleiden tot die individuele persoon van tweeduizend jaar geleden. In de verrijzenis van Jezus herdenken wij alle mensen die vandaag wanhopig zijn. Iedereen kan verrijzen. Ik heb oorlogsvluchtelingen ontmoet die hier een nieuw leven opbouwen. Ook dat is verrijzenis.”

Wordt dat de kern van uw Paashomilie?

(knikt) Pasen is het feest van de hoop. Die boodschap zal ik brengen. Het woord van de bijbel is tweeduizend jaar oud. Je moet dat vertalen naar vandaag. Veel mensen leven in angst, armoede, oorlog. Maar hoe uitzichtloos een situatie ook is, nooit mag de wanhoop domineren. De verrijzenis kan gebeuren in het leven.

Schrijft u die homilie zelf?

(stellig) Ja, dat is een wezenlijke opdracht van mij. Ik ben daar dagen mee bezig. Ik weet dat mijn woorden impact hebben die dag. Ik laat dat natuurlijk nalezen door enkele mensen dicht bij mij.

Wat is er weer historisch gebeurd op Paaszondag?

Die dag zijn enkele leerlingen tot het geloof gekomen. De verhalen vertellen ons dat ze een leeg graf ontdekten. Maar ze zijn pas echt tot het geloof gekomen nadat ze hem ontmoet hebben. Dat was geen ontmoeting zoals jij mij nu ziet. Ze herkenden hem in een vreemdeling, waarna die weer verdween. Van de verrijzenis zelf zijn er geen getuigen. We weten alleen zeker dat Jezus gestorven is.

Religie is weer dominant aanwezig in het maatschappelijk debat. Juicht u dat toe?

In zekere zin wel. Religie is geen individuele aangelegenheid, maar een maatschappelijk fenomeen. Men moet dat ernstig nemen. Wat ik betreur, is dat religie vaak pas maatschappelijk relevant wordt als het over gevaarlijke extremen gaat, zoals terrorisme. Men mag religie niet daartoe verengen.

Religie is iets voor de huiskamer, hoor je steeds vaker zeggen.

Ik ga daarmee niet akkoord. Religie is persoonlijk. Je kan niemand verplichten om gelovig te zijn. Maar dat is geen individuele aangelegenheid. Het christendom is een fundament van onze cultuur. Je kan dat niet wegstoppen. Ik hoor mensen zeggen dat er op school beter een cursus burgerzin wordt gegeven in plaats van godsdienst. Ik geloof dat niet. Als godsdienst goed onderwezen wordt, dan gaat dat ook over burgerzin, normen en waarden, verantwoordelijkheid opnemen. Dat is waartoe het evangelie oproept.

De timing van een gesprek met de paus is zeer strikt. Je kan niet zomaar met hem een koffie gaan drinken.

Dat is wel één van de debatten vandaag: meer en meer politieke partijen willen godsdienst afschaffen. Laat u dat gebeuren?

Ik heb geen politiek mandaat, dus ook geen beslissingsmacht. Maar ik zou dat zeer jammer vinden. Godsdienst kan jonge mensen helpen om een weg te vinden in het leven. Natuurlijk moet dat in een open geest gebeuren, met respect voor andere religies. De katholieke dialoogschool is een goed voorbeeld. François Mitterrand zei eens met een mooie boutade: zelfs wie onze musea wil bezoeken, moet het christendom kennen.

Een ander debat is dat over een verbod op religieuze symbolen in scholen en overheid. Wat vindt u daarvan?

Ik ben tegen extremen. Een vrouw die zich in een boerka hult, vind ik extreem. Je moet een gezicht zien. Maar een verbod op religieuze symbolen vind ik ook extreem. Waarom zou het mij storen als een gelovige een keppeltje wil dragen, zelfs op een school? Sommige mensen hechten grote waarde aan een religieus symbool. Je moet respect hebben daarvoor. Als een vrouw zich beter voelt met een hoofddoek, waarom niet?

N-VA-voorzitter Bart De Wever meent dat dat voor spanningen zorgt in de publieke ruimte.

Als dat zo zou zijn, dan kunnen er maatregelen getroffen worden. Ik kan begrijpen dat een school neen zegt als er echt spanningen opduiken.

Hendrik Bogaert, parlementslid voor CD&V, gaat een stap verder. Hij wil een totaalverbod op zichtbare religieuze tekens voor religies van meer dan vijf procent van de bevolking.

Een totaalverbod vind ik te verregaand. Ik pleit voor verstandige tolerantie. Intolerantie kan gevaarlijk zijn. Dan riskeert men een tegenreactie. Ik zeg dit als christen én als burger. Het evangelie vraagt ook om de ander te respecteren. Dat is de enige manier om samen te leven in onze pluralistische samenleving.

Als een vrouw zich beter voelt met een hoofddoek, waarom niet? Ik pleit voor verstandige tolerantie.

Weet u al op wie u gaat stemmen in oktober?

Ik weet dat zo ongeveer, ja. (zwijgt)

Maar de tijd dat de kardinaal stemadvies gaf vanop de kansel, is voorbij.

Dat klopt, en maar goed ook. De Kerk behoort vandaag tot de civiele samenleving, het middenveld. We hebben het recht om standpunten in te nemen over maatschappelijke thema’s. Maar we moeten dat bescheiden doen, niet arrogant. Het is aan de politiek om wetten te stemmen. Je zal mij niet horen zeggen wat een politieke partij moet doen.

CD&V-voorzitter Wouter Beke schoof onlangs vier g’s naar voren als kernwaarden: gezondheid, gezin, geborgenheid en geld. Geloof behoort daar niet meer toe. Zijn christenen niet meer fier op hun geloof?

(blaast) Ik denk niet dat dat woord bewust gemeden wordt. CD&V is trouwens geen exclusief christelijke partij. (zwijgt even) Algemeen denk ik wel dat wij christenen wat meer fier mogen zijn op ons geloof. We zijn echter bang voor ons verleden. De schrik zit erin opnieuw arrogant over te komen. Ik vind bescheidenheid een mooi woord. We moeten inderdaad bescheiden zijn. Ik wil niet terug naar de tijd van de almachtige Kerk. Maar bescheidenheid kan samengaan met een gezond zelfgevoel. Wij hoeven ons niet te verstoppen.

U bent sinds december lid van de Romeinse Curie, een voor de buitenwereld nogal schimmig orgaan. Wat houdt dat in?

De Curie is het bestuursapparaat van de Paus. Ik ben lid van een nieuwe congregatie die vraagstukken over het gezin en de leken behandelt.

Wat houdt dat in? Kan u bijvoorbeeld pleiten voor gehuwde priesters?

Dat kan daar besproken worden, ja. De rol van leken in de kerk is een ander voorbeeld. Ook het thema van gescheiden mensen die opnieuw burgerlijk getrouwd zijn, kan er aan bod komen. Maar goed, ik heb nog maar één bijeenkomst meegemaakt. Het is te vroeg om uitspraken te doen.

“Conclaaf zou bijzonder zijn”

Ziet u de paus vaak?

(glundert plots) Af en toe. Op een vergadering, of een audiëntie. Ik kijk op naar paus Franciscus. Hij is ondanks zijn status zichzelf gebleven. Hij spreekt als een mens, niet als een instelling.

Hoe spreekt u hem aan?

Als hij binnenkomt, zeg ik: Santo Padre. Dat is een oude titel. Maar verder kan je heel gemoedelijk met die man praten. Hij vraagt ook hoe het thuis gaat. Natuurlijk is de timing van een gesprek met de paus zeer strikt. Je kan niet zomaar met hem een koffie gaan drinken.

Wat doet een aartsbisschop op Pasen? Kijken naar De Ronde van Vlaanderen?

Neen, ik denk het niet. Ik ben meer een voetballiefhebber. Ik ga om 11 uur de Paasmis voor in Brussel en daarna rijd ik richting Oost-Vlaanderen, mijn familie opzoeken. Familieverbondenheid is een fundamentele waarde voor mij. Maar als de televisie opstaat, zal ik wel het laatste kwartiertje van De Ronde meepikken. (lacht)

U bent kardinaal sinds eind 2016. Wat betekent dat voor u?

Dat doet iets met mij, dat geef ik graag toe. De kardinalen zijn de onmiddellijke medewerkers van de paus. Sommigen wonen in Rome en helpen hem rechtstreeks. Anderen besturen een plaatselijke Kerk, zoals ik in het bisdom Mechelen-Brussel. Onze voornaamste taak is in conclaaf een nieuwe paus kiezen. Ik steek niet weg dat ik dat een bijzondere ervaring zou vinden. Kardinalen hebben stemrecht tot ze tachtig zijn. Ik ben er nu zeventig. Ik heb dus nog even tijd.

U moet alvast de thriller Conclaaf van Robert Harris lezen.

Dat heb ik gedaan. Ik laat me vertellen dat hij goed geïnformeerd is over de gang van zaken. Maar ik vond de plot wat minder. Hij heeft betere boeken geschreven. Over de zaak-Dreyfus bijvoorbeeld: dat is een zeer ontroerend verhaal.