Ontsnappen aan het mistroostige fabrieksleven, dat was zijn drijfveer om te koersen. De pedalen zagen hem graag komen. In 1978 won Johan De Muynck de Giro. Maar de Meetjeslander maakte ook kennis met de keerzijde van de medaille. Heroïek en dramatiek gaan hand in hand.

Hij zit onder de verfklodders als ik hem de hand schud. Hij heeft er net een werkdag opzitten in het oude herenhuis dat hij renoveert voor zijn dochter. Dat is in Waarschoot, waar hij zelf opgroeide en nog steeds woont. De Muynck wordt er 70 eind mei, maar de jaren hebben geen vat op hem. “Ik leef nog steeds als een sportman: op tijd naar bed en weinig pinten drinken. Genieten voor mij is mijn goesting kunnen doen: mijn twee dochters helpen, de wereld zien, een fietstocht maken. Helaas heb ik voor dat laatste weinig tijd. Ik ben al twee jaar bezig met dit huis, soms zeven dagen op zeven. Maar het werk is bijna af.”

Hij wijst naar buiten. “Wat verderop in het dorp stond vroeger een grote textielfabriek. Ik was amper veertien toen ik daar binnen vloog. Verder studeren was geen optie. Ik was het tweede kind van zeven. Wij hadden die inkomsten nodig. De fabriek was een zeer monotoon, saai bestaan. De koers was mijn vluchtweg uit dat grijze leven. Ik was niet gepassioneerd door de fiets. Ik wou vooral uitbreken en de wereld zien.”

En nog steeds, niet?

(enthousiast) Ik wil zien hoe andere mensen leven: in de grote steden, op de boerenbuiten. Ik ben in Zuid-Afrika geweest, Nieuw-Zeeland, Canada, Amerika, noem maar op. Mijn vrouw gaat nooit mee. Zij zou zot worden van de stress. Zij begrijpt niet dat mensen van huis weg willen. Ik doe die reizen met de dochters. Maar ik zou het ook alleen kunnen, denk ik.

Het was ook op één van die verre reizen dat je jezelf ontdekte als klimmer.

Dat was in het Andesgebergte in Colombia, in 1970. Ik stelde mij vrijwillig kandidaat om mee te gaan met de nationale ploeg. Als je die bergen op kan, weet je dat je kan klimmen.

Je eerste grote ronde was de Tour in 1972. Dat was nochtans geen succes.

Ik heb moeten opgeven na een valpartij op de vierde dag. Een motard passeerde het peloton, kwam weer op de baan, maar begon te slingeren. Twintig man moest het hospitaal binnen. Ik had meteen genoeg van Frankrijk. Al mijn zware valpartijen waren daar.

In 1976 kom je echt boven water. Je wordt tweede in de Giro op amper negentien seconden van Gimondi. Waarom heb je toen niet gewonnen?

Ik mocht mijn goesting niet doen van de ploeg (Brooklyn, red). We stonden met vier in de top tien. Eén iemand, Roger De Vlaeminck, moest gespaard worden. Ik was ‘maar’ de knecht. Ik kon Cribiori (de ploegleider, red) ook begrijpen: hij had al zijn successen behaald met De Vlaeminck. Maar ik had een vrije rol moeten krijgen. Ik was wellicht ook zelf te naïef. Ik had mijn goesting moeten doen. Vlammen. Buigen of barsten. Ik was gewoon de sterkste dat jaar. De Vlaeminck stapte uiteindelijk af enkele ritten voor het einde. Hij had dat vijf dagen eerder moeten doen. Dan zou er duidelijkheid geweest zijn.

“De Vlaeminck dacht alleen aan zichzelf. Gimondi dacht ook aan de ploeg.”

Desondanks pak je in de negentiende etappe de roze leiderstrui. Je bent die pas kwijtgespeeld in de afsluitende tijdrit. Zijn daar toen vreemde dingen gebeurd?

(blaast) Dat weet ik niet. Men zegt dat Gimondi voordeel haalde uit de motards. Maar daar zijn geen bewijzen van. Dus ik moet zwijgen. Ik had hoe dan ook meer voorsprong kunnen halen uit de bergen, had ik een vrije rol gekregen.

Je reed twee jaar later met Gimondi voor Bianchi. Heb je hem dat nooit gevraagd?

Neen. Daar is nooit een woord over gesproken. Waarom zou ik ook? Dat zou niets veranderen. Hij heeft wel één keer gezegd: ‘Johan, normalmente was jij dat jaar de winnaar.’

Is het met De Vlaeminck ooit goed gekomen?

Neen. Wij komen niet overeen daarin. Ik was voor hem de knecht. En eens knecht, altijd knecht: zo zat De Vlaeminck in elkaar. Hij wou de alleenheerser zijn. Let op: ik was graag knecht. Dienen maakt meer gelukkig dan gediend worden. Ik ben daar rotsvast van overtuigd. Maar toen had ik de kopman moeten zijn.

In 1978 reed je de Giro aan de zijde van Gimondi. Vreesde je geen zelfde scenario?

Neen. Gimondi was meer zakenman. De Vlaeminck dacht alleen aan zichzelf. Gimondi dacht ook aan de ploeg. Hij had namelijk zakelijke belangen bij Bianchi. Op de vierde dag kwam hij op mijn kamer. Ik ga voor jou rijden, zei hij. Hij had zelf al te veel tijd verloren. Ik had toen net de roze trui gepakt en heb die niet meer afgegeven.

Waarom ben je nadien niet blijven focussen op de Giro?

Het jaar nadien heb ik ook deelgenomen. Daarna ben ik teruggekeerd naar België. Ik was net voor de tweede keer vader geworden. Ik was heel vaak van huis weg. Een ticket Brussel-Milaan kostte toen 500 euro. Het was goedkoper om in Italië op hotel te blijven slapen. Ik wou meer bij mijn kinderen zijn. Liefst was ik met het hele gezin definitief verhuisd naar Italië. Maar mijn vrouw wou dat niet. Terugkeren was dus de enige optie. Ironisch genoeg was ik daarna nog vaker weg van huis. Ik moest veel meer koersen rijden.

“Ik had meer kunnen halen uit mijn leven. Ik wou altijd vrijgevochten zijn.”

Je trok ook opnieuw naar de Tour. Had jij die kunnen winnen?

Absoluut. Ik ben vierde geworden in 1980 en zevende in 1981, en dat zonder specifieke voorbereiding. De Belgische ploegen waren niet gestructureerd toen. Men deed maar wat. Ik moest alle koersen rijden: de voorjaarsklassiekers, de Vuelta (toen in het voorjaar, red), de Dauphiné. Dat was te veel voor mij. Alleen Merckx kon dat. Het was een foute keuze om terug te keren. Ik had ofwel in Italië moeten blijven, ofwel naar een Spaanse ploeg moeten gaan. (zwijgt even) Soms moet je durven springen in het leven. Ik heb toen niet gedurfd. Ik heb daar wel wat spijt van. Als je zeventig wordt, kijk je al eens achterom. Ik had meer kunnen halen uit mijn leven, vooral meer avontuur. Ik wou altijd vrijgevochten zijn. Maar ik heb voor zekerheid gekozen. Wie twee kinderen heeft, draagt een verantwoordelijkheid. Nu, ik ben wielrenner geworden om de wereld te zien. Dat is mij gelukt.

En je bent nog steeds de laatste Belg die een grote ronde won.

Ik ben daar niet blij mee, hoor. Dat is veertig jaar geleden. Het wordt tijd dat er nieuw talent opstaat. Maar ik vrees ervoor. Ik zie niemand. Het leven van een ronderenner is natuurlijk heel zwaar. Je maakt meer kans om een klassieker te winnen.

Er gaan stemmen op om de grote rondes in te korten. Wat vind je daarvan?

Dat is de maatschappij vandaag. Vroeger droegen mensen zakken van honderd kilo. Vandaag mag dat amper tien kilo zijn. Voor sommigen is zelfs het werken er te veel aan. Ze zijn moe van uit te gaan. Ik vind dat geen goede mentaliteit. In Afrikaanse landen zie ik elke ochtend kinderen te voet naar school gaan, soms tien kilometer. Onze kinderen stappen geen honderd meter meer.

Waarom ben jij na je carrière niet in de koers actief gebleven?

Ik wou dat wel. Ik hield van het leven in het peloton. Een wielrenner is een bohemien. Maar ik zag geen mogelijkheden. Ik wou het risico niet nemen in een Belgische ploeg te stappen waar het steeds zoeken zou zijn naar sponsors. Ik ben vertegenwoordiger geworden van bloem voor bakkerijen. Ik heb dat dertig jaar gedaan.

Wat mag ik je tot slot toewensen voor je zeventigste verjaardag?

Een goede gezondheid. Ik ben niet bang van ouder worden. Ik ben zelfs niet bang van de dood. Ik ben alleen bang om ooit mijn fierheid te verliezen, om niet meer voor mezelf te kunnen zorgen. Dat zou verschrikkelijk zijn.

Het sportrapport van Johan De Muynck

Als kind was mijn idool …

De sportverslaggevers op de radio, zoals Jan Wauters. Zij dreven mij naar de koers.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Patrick Lefevere: hij staat er elk jaar opnieuw met een topploeg.

Mijn mooiste sportmoment?

Mijn mooiste zege is de Giro in 1978. Maar mijn mooiste moment is de Ronde van Romandië winnen in 1976. Ik heb daar het meeste plezier aan beleefd.

Mijn grootste ontgoocheling?

De Giro van 1976: dat onze ploeg niet aan hetzelfde zeel trok om die te winnen.

(foto belga)