Kent u Karel Lismont nog? De Limburger behoorde in de jaren zeventig tot de wereldtop op de marathon. Twee olympische medailles prijken op zijn palmares. Nadien maakte hij carrière op het ministerie van Financiën. Op het publieke toneel is hij nog zelden te zien. Wellicht omdat hij niet de meest flamboyante figuur is. Een boeiend verteller is hij des te meer.

Karel Lismont groeide op in Borgloon. Vader was kolenhandelaar en caféhouder. “Ik leefde tussen de vuile kolen, de luide muziek en de sigarettenrook. Een heel ongezonde omgeving. Toch is mijn vader meer dan 90 geworden. En hij is altijd blijven roken. Mijn moeder is er nu zelfs 94. Raar hoe het leven kan lopen.”

Hijzelf is er 68 nu, woont in Tongeren en geniet van zijn pensioen. Hij trekt wekelijks nog drie keer zijn loopschoenen aan. “Ik heb dat nodig. Als ik dat niet kan, voel ik mij een ouwe . Ik leid een gedisciplineerd leven. Wij zijn steeds de eerste om naar huis te gaan op een feest. Op mijn doodskaartje moet staan: atleet. Niet oud-atleet. Mijn vrouw weet dat. De titels, die hoeven er niet bij. Dat is het verleden. Maar atleet, dat voel ik me nog steeds.”

Als je je ouders achterna gaat, heb je nog 25 mooie jaren te gaan.

Minstens. Ik wil er nog 40. (lacht) Ik heb maar één schrik: mezelf niet meer kunnen behelpen. Ik zou liefst doodvallen tijdens het lopen. Dat zou de schoonste dood zijn. Maar nu nog niet. Ik volg de atletiek op de voet. We gaan geregeld kijken naar de Crosscup. Vorig jaar zijn we zelfs naar het EK in Sardinië geweest. Dat is mijn passie. Maar we doen ook andere dingen. Voor de kleinkinderen zorgen, kaarten, op reis gaan. De dagen vliegen voorbij. En we proberen ervan te genieten.

Vertel eens aan de lezers die het niet weten: wie was de sportman Karel Lismont?

Ik was een marathonloper. Hoe langer de afstand, hoe beter voor mij. Liet je mij honderd kilometer lopen, dan deed ik dat. Ik werd nooit moe. Ik heb van thuis een goed gestel meegekregen, vooral goede spieren. Dat was mijn grootste troef. Ik recupereerde heel snel. Op kortere afstanden kwam ik snelheid te kort. Helaas mocht je in die tijd als jonge gast geen marathons lopen. Ik ben zelfs eens geschorst omdat ik als junior een halve marathon liep, én won. Men wou jonge atleten beschermen.

Je had ook een aparte loopstijl. Die leek op duwen, sleuren en trekken.

(droog) Dat is de natuur. Mocht ik die stijl veranderd hebben, dan zou dat niet in mijn voordeel uitgedraaid zijn.

Met je persoonlijk record van 2.11.13 zou je zelfs op de Spelen van Rio nog vijfde geworden zijn. Wat zegt dat?

Niets. Je kan marathons niet met elkaar vergelijken. De luchtdruk, de wind, het parcours: die factoren zijn overal anders. Ik was iemand die voor de plaatsen liep, niet voor de tijden.

In 1971 verraste je vriend en vijand door in Helsinki Europees kampioen te worden. Hoe kijk je daarop terug?

Dat is mijn mooiste overwinning. De Europese top was in die tijd ook de wereldtop. Al die Afrikanen waren er nog niet. Ik was op slag een wereldtopper. Ik denk niet dat iemand mij verwachtte. Je moet weten dat dat pas mijn derde marathon was, en mijn tweede op anderhalve maand tijd. Ik moest eerst de selectiewedstrijd in Brussel lopen. Maar zoals ik net zei: ik kon goed recupereren. Ikzelf was niet verrast. Ik liep de dinsdag voordien mijn persoonlijk record op de 10 kilometer. Ik wist dan dat ik van niemand schrik moest hebben.

“Ik zou liefst doodvallen tijdens het lopen. Dat zou de schoonste dood zijn. Maar nu nog niet.”

Schat je dat hoger in dan je zilver op de Spelen van München in 1972?

Helsinki was mijn mooiste overwinning, München mijn beste prestatie. Toen ik over de meet kwam, voelde die tweede plek als een nederlaag. Maar vandaag weet ik dat dat een unieke prestatie was.

Die Spelen werden overschaduwd door de bloedige aanslag van de Palestijnse terreurgroep Zwarte September op de Israëlische delegatie. Elf mensen kwamen om. Vijf dagen later moest jij lopen. Heb je niet getwijfeld?

Neen. Ik denk niet dat er één Belg getwijfeld heeft. Er zijn wel enkele Nederlanders naar huis gegaan. Dat weet ik nog. Maar kijk: je hebt jarenlang getraind voor die ene wedstrijd. Dan wil je die ook lopen. Wij wisten ook niet wat er aan het gebeuren was. Ja, we zagen wel politie en militairen op straat, maar dat was het. We kregen geen kranten of televisie te zien en internet bestond nog niet. We gingen die ochtend gewoon trainen zoals anders.

Werkte jij in die tijd al voor de belastingen?

Ja, natuurlijk. Ik werkte op de BTW-dienst. Ik ben er begonnen toen ik 20 was, en ik ben er blijven werken tot aan mijn pensioen vijf jaar geleden. Werken en trainen, dat was mijn leven. Ik stond om halfzeven op om tien kilometer te lopen. Daarna ging ik werken. Ik heb naast dat geen leven gehad. Maar ik zou het opnieuw zo doen. Je kon niet anders in die tijd. Ik was trouwens een van de eerste Belgen die gebruik maakte van het systeem van verlof zonder wedde. Zo kon ik deelnemen aan al die grote tornooien.

Was het contrast groot tussen de energieke sportwereld en een saaie kantoorjob?

(fel) Saaie kantoorjob? Ik had de meest afwisselende job die u zich kan inbeelden. Ik kwam wekelijks in contact met bakkers, slagers, aannemers, bazen van grote en kleine fabrieken. Ik deed dat met hart en ziel. Toen ik stopte met atletiek, heb ik interne examens afgelegd om ook daar carrière te maken. Dat is mij ook gelukt. Ik ben tevreden over mijn atletiekcarrière, ik heb vier Spelen mogen meemaken, maar ook over mijn carrière op Financiën.

“Zonder die darmontsteking pak ik goud in Montreal. Gedopeerde Oost-Duitsers of niet.”

In 1976 pakte je brons op de Spelen van Montreal. Hoe kijk je daarop terug?

Ik was dat jaar beter dan ooit. In mei brak ik nog alle records. Maar dan viel ik ziek,  een darmontsteking. Ik heb vier weken antibiotica moeten nemen. Ik durf zeggen: zonder die ziekte pak ik goud. Gedopeerde Oost-Duitsers of niet. Nu ben ik tevreden met brons. Maar goed, zou goud mijn leven veranderd hebben? Ik denk dat niet. Ik zou ook dan weer moeten gaan werken de dag nadien. Dat was gewoon zo. Ik had geen tijd om te feesten. Ik had geen verlof op overschot. Je moest wel goed georganiseerd zijn. (zwijgt even) Ik wil geen wroeging hebben. Ik zie maar één verschil: dat ik niet uitgenodigd word op de Spelen. Dat is alleen weggelegd voor gouden medaillewinnaars.

Wat hebben die twee olympische medailles jou opgebracht?

Niets. Of ja: na Montréal mocht ik van het Belgisch Olympisch Comité een prijs kiezen ter waarde van 10.000 frank. Ik ben voor een wasmachine gegaan. Was ik olympisch kampioen, dan had ik wellicht ook een droogmachine kunnen kiezen.

Jij was ook top in het veld. Wat deed je liefst?

Ik liep het liefst in het veld. Een marathon lopen is niet plezant, hoor. Maar wou ik echt wereldtop zijn, dan moest ik voor de marathon kiezen. Een cross is maar tien of elf kilometer. Dat was iets te kort voor mij. Toch heb ik twee keer brons gehaald op het wereldkampioenschap.

Om af te sluiten: wanneer wordt de magische grens van de 2 uur doorbroken op de marathon?

(blaast) Dat zal niet voor meteen zijn, zeker niet als de dopingcontroles streng blijven. Die Afrikanen hebben dat geprobeerd, op kosten van Nike. Je hebt het resultaat gezien. Dat was een grote flop. Ze dachten dat die speciale schoenen het verschil zouden maken. Maar atletiek is geen wiskunde. Zo werkt het spelleke niet.

Het sportrapport van Karel Lismont

Als kind was mijn idool …

Abebe Bikila. Die Ethiopiër won de marathon op de Spelen van Rome in 1960 op zijn blote voeten. Dat heeft grote indruk op mij gemaakt. In eigen land was Gaston Roelants mijn voorbeeld.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Eddy Merckx: dat is de grootste sportman.

Mijn mooiste sportmoment?

Europees kampioen worden in Helsinki.

Mijn grootste ontgoocheling?

(blaast) Ik zou niet weten wat te noemen. Ik ben een tevreden man.


(foto Michael Meers)