Lorenzo Staelens was in de jaren negentig één van de meest succesvolle Belgische voetballers. Noteer: vijf titels, drie bekers, drie WK’s, een EK én een Gouden Schoen. Helaas gaat de 53-jarige West-Vlaming ook de annalen in als ‘Laffe Lorre’. Een overstap van Club naar Anderlecht maak je niet ongeschonden.

Hij zou een praatjesmaker kunnen zijn met zijn palmares. Dat is hij niet. Voor mij zit een minzaam man die bescheiden praat over succes en tegenslag. In zijn ziel geraakt door zijn bijnaam? Wellicht wel. Maar evenzeer is het die West-Vlaamse klei waarin hij opgevoed is. Zijn ouders waren eenvoudige werkmensen. Staelens was geen Icarus. Hij wou niet naar de zon. Veearts worden was aanvankelijk zijn droom. Maar die studies zouden te zwaar zijn, vreesde hij. Regentaat Lichamelijke Opvoeding dan maar. En tussendoor wat voetballen bij White Star Lauwe, toen vierde nationale. Voor de fun. Voetjes op de grond.

Pas op zijn 23e, in 1987, zou hij prof worden, bij Kortrijk. “Ik stond niet te springen om Lauwe te verlaten. Wat zou ik in Kortrijk gaan doen? Op de ploegvoorstelling werd mijn naam niet eens genoemd. Zie je wel, dacht ik, ik had nooit mogen vertrekken.” Kortrijk nam hem wel mee op stage. Staelens overtuigde en werd basisspeler. Flashforward naar vrijdag 24 september 1993. Club Brugge wint met 0-3 op het veld van aartsrivaal Anderlecht. De middenvelder scoort driemaal. “Dat was een unicum natuurlijk, een persoonlijke uitschieter. Maar was dat mijn beste wedstrijd? Ik denk dat niet. De week nadien tegen Gent speel ik wellicht beter, maar trap ik driemaal tegen de paal.”

Hoe ben je bij Club beland?

Georges Leekens nam me in 1989 mee van Kortrijk. Als kind was ik Anderlechtsupporter. Niet fanatiek, maar toch. Ik hield van mooi voetbal, en Anderlecht speelde toen het mooiste voetbal. Maar ik vond dat geen reden om niet voor Club te spelen. Ik heb er negen mooie jaren beleefd. En had Club mij een nieuw contract voor drie jaar gegeven, dan was er van Anderlecht geen sprake. Maar Club wou niet, en Anderlecht kwam. Dan twijfel je niet. Zo simpel is het.

Had je de impact daarvan onderschat?

Ik had dat verkeerd ingeschat. Ik tekende in april voor Anderlecht, en zei dat ook publiek. De resterende matchen werd ik voortdurend uitgefloten. Na een training kwam een jongen van vijf mij een hand geven. Dacht ik. Hij stak zijn middenvinger op, en zei ‘lafaard’. Wat verderop stonden enkele volwassenen hartelijk te lachen. Wellicht zijn ouders. (zwijgt even) Dat heeft mij echt geraakt. Welke opvoeding is dat?

Kan je vandaag nog binnen op Jan Breydel?

Ik zou dat kunnen, maar ik doe dat niet meer. Je krijgt voortdurend verwijten over je heen. Nu, ik kan wel wat hebben. Ik denk dat niemand zoveel is uitgefloten als ik. Je moet rationeel blijven. Al is dat niet altijd makkelijk. En ik weet ook: dat gaat om een minderheid. Ik heb met de meeste supporters van Club wel een goede band.

Heb je spijt van iets?

Niet echt. Ik vernam jaren later dat Club veel grote ploegen heeft wandelen gestuurd. Als speler had je in die tijd geen enkele macht. Maar ik weet liever niet om welke ploegen dat gaat. Ik heb bij Anderlecht prachtige jaren beleefd. De ploeg van Anthuenis met Koller en Radzinski was de beste waarin ik ooit speelde: kampioen worden, een onvergetelijk Champions League-avontuur. Ik heb uiteindelijk mijn carrière afgesloten in Japan, wat ook leerrijk was. Ik heb er nog altijd vrienden. Lollisan was er mijn naam. (lacht) De voorzitter wou mij overal mee naartoe nemen. Ik was er echt een held.

“Een jongen van vijf stak zijn middenvinger op, en zei ‘lafaard’. Dat heeft mij echt geraakt.”

 

Op zaterdag 13 juni 1998 was jij ook in België een held.

Die dag herinner ik mij nog. En voor Nederland was ik een matennaaier. Dat was het WK in Frankrijk. We werden overspoeld door de Nederlanders, maar hielden de nul. Helaas was dat niet genoeg voor de kwalificatie. En dan dat geval met Kluivert, ja. Ik vind het spijtig dat dat gebeurd is. Maar ik voel me niet schuldig. Ik wou hem recht helpen na een duw. ‘Laat me gerust, kutbelg’, zei hij. Ik antwoordde: ‘sorry, meneer de verkrachter’. Dat was eruit voor ik het wist. Hij was toen net in opspraak gekomen.

Jij hebt maar liefst 70 caps en speelde op vier grote tornooien. Hoe kijk je daarop terug?

Toch niet volmaakt gelukkig. De sterkste Belgische ploeg was die van het WK 1990 in Italië. Wij verloren toen van Engeland in de tweede ronde, een doelpunt van Platt in de laatste minuut van de verlengingen, terwijl we heer en meester waren. Dat was de grootste ontgoocheling. Ik achtte ons toen capabel om verder te geraken dan vier jaar voordien in Mexico.

Kunnen de Rode Duivels komende zomer wereldkampioen worden?

Neen, ik denk het niet. We staan achteraan te zwak. Met Kompany, Vermaelen en Vertonghen hebben we zeker kwaliteit. Maar op de blessuregevoelige Kompany kan je niet meer rekenen. En wat als iemand anders uitvalt? Het is goed dat Dendoncker achteruit geschoven wordt, ook voor zijn carrière. De ambitie moet zijn: de tweede ronde halen. En dan zie je wel wie de tegenstander wordt.

Jij hebt na je carrière kennisgemaakt met de vluchtigheid van het trainersbestaan. Wou je nooit het voetbal vaarwel zeggen?

Ik heb daaraan gedacht. Ik ben verliefd op Spanje. Ik zou meteen verhuizen. Maar mijn vrouw is meer honkvast. Je moet ook realistisch zijn. Wat moet je anders gaan doen? Als je de vijftig voorbij bent, moet je niet meer in het onderwijs beginnen. Ik was heel blij toen Glenn De Boeck mij in november belde. Ik zat toen tien maanden thuis. Aanvankelijk had hij een aanbod op zak uit Qatar. Ik kon er zijn assistent worden. Maar net toen hij zou afreizen om zijn contract te onderhandelen, kwam Kortrijk op de proppen. De zaak was snel beklonken. En ik kon mee.

Zou je nog hoofdcoach willen worden?

Dat mag, maar dat hoeft niet meer. Wat ik niet ga doen, is overnemen van De Boeck mocht hij ooit ontslagen worden. Ik ben loyaal. Wij hebben zowat ons lot aan elkaar verbonden. Al weet ik ook dat dat relatief is. Als hij een kans krijgt van een topploeg, en ik mag niet mee, dan moet hij dat niet laten.

“Dat geval met Kluivert: ik vind het spijtig dat dat gebeurd is. Maar ik voel me niet schuldig.”

Wat doen je kinderen vandaag?

Alessio voetbalt voor Knokke, en werkt voor de Bond Moyson. Daphne is medisch secretaresse in een ziekenhuis. Zij verwacht haar eerste kindje in februari. (straalt plots) Ik word voor het eerst grootvader. Ik kijk ernaar uit. We worden oud, hè. (lacht) Neen, pas als je zonder werk zit, voel je je oud. Dat heb ik vorig jaar gemerkt. Als je elke dag op het veld kan staan, blijf je jong. Ik heb het veld nodig.

Jij bent ook de vormselpeter van Niels Destadsbader.

Dat was een grote eer voor mij. Zijn vader, en eigenlijk heel zijn familie, zijn vrienden, in goede én slechte tijden. Niels was toen al een speciale. Op feestjes was hij de man die de show verzorgde. Ik zie hem nog binnenkomen op zijn communiefeest als Sylvain Van Genechten in een nagemaakte rolstoel. (lacht) Is ’t eten nog nie gereed.

Ik heb een vraag van hem voor jou. Wat zijn zijn drie beste nummers?

(zonder twijfelen) Hey Pa, Speeltijd en Skwon Meiske.

Hij zal aangenaam verrast zijn. Hij zei me dat je wellicht geen drie nummers kon opnoemen.

(lacht luid) Dat ziet hij mis, hoor. Ik heb zelfs zijn cd thuis. Ik hoor hem graag zingen. Hij is enorm geëvolueerd. Ik ben gaan kijken toen hij deelnam aan Steracteur Sterartiest. Toen zat hij nog niet op dit niveau. Ik ben fier op hem.

Het sportrapport van Lorenzo Staelens

Als kind was mijn idool …

Robbie Rensenbrink, de slangenmens.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Marc Herremans, wat een karakter.

Mijn mooiste sportmoment?

Met Lauwe eersteklasser Waterschei uitschakelen in de Beker. Ik scoor de beslissende penalty. Daarna volgde een ongezien volksfeest. Dat was emotioneel het mooiste moment. Toen was voetbal nog een hobby.

Mijn grootste ontgoocheling?

Terugkeren naar Club met Anderlecht in 1999, onterecht rood krijgen, en 2-0 verliezen. En twee: de gemiste Gouden Schoen in 1994.

(foto photo news)