Rio draaide uit op een sisser door het debacle met de aflossingsploeg. Toch was de prestatie van Louis Croenen uniek. Als eerste Belg sinds Fredje Deburghgraeve zwom de 23-jarige student uit Lichtaart een olympische finale. De toekomst is aan hem. Tijd voor een grondige kennismaking.

Louis Croenen is een man met een plan. Dit jaar staat alleen het WK in Boedapest met rood aangestipt in zijn agenda. Verder gebruikt hij het postolympisch jaar om wat achterstand in zijn studie op te halen. Croenen studeert Lichamelijke Opvoeding aan de VUB. Hij wil in 2018 zijn bachelor behalen om vervolgens twee jaar vol gas te geven voor zijn sport. Finaal doel: Tokio 2020.

Hinderen je studies je prestaties?

Dat is moeilijk te zeggen. Ik leg mezelf niet te veel druk op. Ik hoef geen 18 te halen. Ik bepaal ook zelf hoeveel vakken ik doe. Maar het is niet altijd even makkelijk. De toppers die studeren, zijn uitzonderingen. Ik doe het om extra zekerheid te hebben. Wij verdienen geen duizenden euro’s. Als je carrière voorbij is, moet je wat anders kunnen doen in je leven.

Je traint sinds dit seizoen in Wezenberg in Antwerpen. Is dat een grote aanpassing?

Niet echt. Ik werk met dezelfde mensen als in Wachtebeke. Ik denk dat de verandering voor mijn trainer (Rik Valcke, red.) groter is. Hij komt van West-Vlaanderen. Ik begrijp wel dat de federatie dit oplegt. Als je zoveel investeert in een bad, dan wil je dat alle toppers daar trainen. Ik woon nu met mijn vriendin Renke op een appartement vlakbij.

Heb je tijd om van het studentenleven te genieten?

Weinig. Brussel is niet bij de deur. De voorbije twee jaar woonde ik in Gent, en dan kon ik wel eens met vrienden naar de Overpoort om de sfeer op te snuiven.

De dranklucht, bedoel je.

(lacht) Ik drink alleen bij gelegenheden. Of in het weekend eens een pintje, dat kan wel. Maar kijk: als je wil zwemmen, moet je veel opofferen. Trainen, 25 à 26 uur per week, slapen, gezond eten, studeren en dan pas ontspannen: dat is mijn leven. Ik krijg wel eens te horen dat ik beter was blijven voetballen. Dan speelde ik misschien in eerste provinciale, en verdiende ik meer dan nu. (lacht) Voor het geld moet je niet zwemmen.

Waarom doe je dit?

Eerlijk: dat vraag ik me soms ook af. Als je ’s morgens om 6 uur in het bad ligt voor een training van 3 uur, dan vloek je wel eens. Waarom je dan toch verder zet? Ik denk dat dat moeilijk te begrijpen is voor iemand die geen topsporter is. Maanden werken voor één doel, en dan dat doel bereiken, dat gevoel is onbeschrijflijk. Die rand aantikken, en dan dat scorebord zien. Ik kan goed begrijpen dat sporters na hun carrière in een dipje belanden. Ze zijn die kick kwijt. Je kan dat een verslaving noemen. Als ik enkele weken vakantie heb, voel ik me raar.

“De band met Timmers zal nooit meer dezelfde zijn. Het omgekeerde zeggen, zou niemand geloven.”

Van wie heb je de kriebel?

Van mijn oudere zus. Zij zwom, ik ben haar gevolgd. Ik was amper 6 jaar. De trainers zagen al snel dat ik talent had. Toen ik 12 was, ben ik op hun aanraden naar de topsportschool in Antwerpen gegaan. Op internaat. Topsport zit nochtans niet in het bloed. Mijn ouders hebben Germaanse Talen gestudeerd. Mijn vader is leerkracht en mijn moeder werkt voor General Electrics.

Heb jij het perfecte lichaam om te zwemmen?

Men zegt vaak: hoe langer de armen, hoe beter, hoe korter de benen, hoe beter en hoe langer het bovenlichaam, hoe beter. Ik heb er twee van de drie: korte benen en een lang bovenlichaam. Een topper in de vrije slag zal ik nooit worden: mijn armen zijn te kort. Vandaar vlinderslag.

Wie is de belangrijkste figuur in je carrière?

Mijn mama. Ik heb veel aan haar te danken. Zij voerde me overal naartoe en regelde alles voor mij. Ik besef dat heel goed. Misschien zeg ik haar dat te weinig. Mijn papa volgt het zwemmen meer vanop een afstand. Maar dat is goed. Ik zou zot worden mochten ze er allebei voortdurend mee bezig zijn. (lacht)

Wat vindt je vriendin ervan samen te zijn met een topsporter?

Haar vriendinnen vragen dat ook soms. “Hoe doe je dat toch? Topsporters zijn zoveel met zichzelf bezig, zoveel weg van huis.” (lacht) Ik denk dat ze het wel leuk vindt dit mee te maken. We zijn nu anderhalf jaar samen. Ja, je moet elkaar eens missen. Maar bij het weerzien is de liefde groter dan ooit.

Zij was in Rio niet zo zichtbaar aanwezig als de vriendin van Pieter Timmers.

Neen, ik denk dat ze liever afstand houdt van de pers. En om eerlijk te zijn: ik heb het ook liever zo. Ze is ook niet meegereisd naar Rio. Als studente (Logopedie, red.) is niet evident om duizenden euro’s neer te leggen voor een reisje om mij dan misschien twee dagen te zien.

Jij was al eens vierde en zesde op het EK, zevende op het WK en achtste op de Spelen. Wanneer kan de stap naar een medaille?

Dit jaar wil ik de top vijf op het WK. Je moet realistisch blijven. Als ik ooit mijn bachelor haal, en ik kan alles op het zwemmen zetten, dan moet een medaille wel mogelijk zijn. Dat is alleszins mijn ultieme ambitie. Misschien volgend jaar al: het EK in Glasgow.

Van één concurrent ben je al verlost, je idool Michael Phelps.

Klopt. Die moet niet meer terugkeren. (lacht)

“Ik krijg wel eens te horen dat ik beter was blijven voetballen. Voor het geld moet je niet zwemmen.”

In 2012 in Londen nam je een eerste keer deel aan de Spelen. Hoe was dat voor een 18-jarige?

Dat was vooral onverwacht. Ik had amper twee internationale tornooien gezwommen, en zat plots in de aflossingsploeg. Sportief was Londen goed: ik heb er mijn beste tijd gezwommen. Daarna was het vooral genieten. Je bent natuurlijk onder de indruk. Je zit op een bepaald moment naast Yohan Blake te eten. Dan moet je jezelf even wakker schudden. Dat was een goede leerschool voor Rio, denk ik.

Hoe evalueer je Rio zes maanden later?

Ik wou op voorhand de finale 200 meter vlinder zwemmen, en dat is gelukt. Ik heb ook de aflossingsfinale gezwommen, en heb dus twee olympische diploma’s. Maar goed, er zat meer in, zeker individueel. Dat maakt het nog steeds moeilijk om terug te blikken. (zwijgt)

Er was die heisa rond de aflossingsploeg, de ruzie tussen jou en Timmers.

Het is spijtig wat er allemaal gebeurd is. Veel mensen beseffen niet hoeveel impact dat had op mij. De dag van de finale heb ik amper drie uur geslapen. Ik heb echt wakker gelegen van die heisa. Wat moest ik doen? Toch die aflossing zwemmen? Maar dan zou ik uitgeput aan de start van de vlinderslagfinale verschijnen.

Uiteindelijk zwem je wél die aflossing.

Ik wou geen vijandigheid in het team. Ik ben wakker geworden om half negen, en heb de beslissing genomen. Zelf. Voor ons team was dat een goede zet, net als voor mijn band met Dieter, Glenn en Manu (Dekoninck, Surgeloose en Vanluchene, red.). Onze vriendschap is sterker geworden. We halen ook de finale. Dieter en Glenn hebben zo in schoonheid afscheid genomen van de sport. Maar dat had wel een serieuze impact op mijn individuele finale enkele uren later. Je begint met ongelijke wapens. Ik was de enige finalist met een wedstrijd in de benen. Dat weegt ook mentaal. Je voelt je slecht, want je weet dat je niet optimaal bent. (zwijgt even) Ik heb niet kunnen genieten van de wedstrijd waar ik vier jaar naartoe geleefd heb. Dat vind ik zo spijtig. Maar dat zal mij geen twee keer overkomen. Ik moet egoïstischer zijn: dat heb ik geleerd. In Tokio zal ik aan mezelf denken. Ik zeg het nu al, drie jaar voordien. Ik hoop dat iedereen er dan begrip voor heeft.

Blijft daar iets van hangen tussen jou en Timmers?

Toch wel. Mocht ik nu het omgekeerde zeggen, zou niemand dat geloven. Die band zal nooit meer dezelfde zijn.

 

Het sportrapport van Louis Croenen

Als kind was mijn idool …

Michael Phelps, de beste ooit. Toen ik hem bezig zag in Athene in 2004, wist ik: ik wil ook ooit naar de Spelen.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Hans Van Alphen. Zo hard knokken om na een zware tegenslag terug te keren: echt knap! Tom Boonen heeft dat ook gedaan.

Mijn mooiste sportmoment?

Zilver op het EK in Londen in 2016 op de 4×200 meter vrije slag.

Mijn grootste ontgoocheling?

Het WK in Barcelona in 2013. Geselecteerd worden, maar naast de ploeg vallen.

 

(foto belga)