De leepste van het veld, zeggen de enen. Een echte kampioen. Een dopingzondaar, zeggen anderen. De emoties over Mario De Clercq zijn hevig verdeeld. Feit is: de 51-jarige Oost-Vlaming heeft drie wereldtitels op zijn naam. Van de Belgen doen alleen Eric De Vlaeminck en Roland Liboton beter.

We hebben afspraak bij hem thuis in Petegem-aan-de-Schelde. De Clercq oogt ontspannen. Zes dagen vóór het WK is van stress geen sprake. Kleinzoon Rafael zorgt voor leven in huis. Het was ooit anders. Twee jaar geleden worstelde De Clercq met de ploegleiderblues. Hij had het na tien jaar wel gezien, wou meer rust in zijn leven. “Mijn kleinzoon is dé reden waarom ik gestopt ben als ploegleider. Mijn dochter woont naast mij. Haar man is para en vaak weg van huis. Daarom zorgen mijn vrouw en ik twee dagen per week voor de kleine. Ik heb mijn kinderen te weinig zien opgroeien. Dat wou ik niet opnieuw meemaken. Ik ben vandaag héél blij met die beslissing. Ik voel me echt goed in mijn vel.”

Ook de cross staat nog steeds centraal. De Clercq is sportief coördinator van Marlux-Bingoal, waar ook zijn zoon aan de slag is als renner/ploegleider. “Ik regel de sportieve zaken. Maar ik hoef niet meer op elke cross te zijn. Ik kan vaak van thuis uit werken. Dat maakt een groot verschil.”

Welk leven leid je het liefst: dit, of dat van renner?

Het leven van een sporter is het mooiste. Als je een bepaald niveau haalt, word je op handen gedragen. Je hoeft niets zelf te doen. Je vrouw bedient je, de buren doen het gras. Vandaag zeggen ze: doe het zelf, je hebt tijd. (lacht) En dan is er die passie natuurlijk. Je koerst in de eerste plaats omdat je dat graag doet. Het geld volgt vanzelf als je goed presteert. Ik kon me geen mooier leven bedenken, ondanks de opofferingen.

En zeggen dat jij op je zeventiende nog in een textielfabriek werkte.

(knikt) Dat heeft mijn ogen geopend. Mijn vader had dat goed gezien. Als ik wou stoppen met school, moest ik gaan werken. Hij wist dat ik pas in de fabriek zou beseffen hoe mooi het leven van een sporter zou zijn. Ik was een losbol in die tijd. Ik had een strenge hand nodig.

Wat als de koers niet gelukt was?

Dan was ik ook gestopt in de fabriek. Na drie weken schreef ik al op wanneer ik met pensioen zou kunnen: 2023. Dat hou je niet vol. Wellicht zou ik zelfstandige geworden zijn, iets in de bouw of zo. Ik was een handig persoon.

Jij wordt ondanks je drie wereldtitels, één meer dan Nys zelfs, nooit genoemd in het rijtje van grootste veldrijders. Hoe komt dat?

Ik was geen veelwinnaar, net als Vervecken. Wij wonnen geen twintig wedstrijden per jaar, zoals Nys toen of Van der Poel nu. Ik werd beter als de koudste maanden eraan kwamen. Dat is iets lichamelijk. De ene kan beter tegen de koude dan de ander.

“Ik vond die schorsing niet terecht. Maar die wonde is dichtgegroeid en zal dicht blijven.”

Je werd wel steevast de slimste van het veld genoemd. Was dat je grote kracht?

Dat niet alleen. Ik kon ook hard rijden én was snel in de sprint. Ik voelde wel dat ik meer inzicht had dan anderen. Ik heb eerst jaren op de weg gereden. Dáár leer je tactisch koersen. Wie eenzijdig opgeleid is tot veldrijder, krijgt weinig tactische bagage mee.

Eén keer waren Nys en Groenendaal jou te slim af, op het dramatische WK van Sint-Michielsgestel in 2000.

Ik zie dat zo niet. Groenendaal was toen de beste, punt. Hij was ook de weken voordien zeer sterk. Ik kon hem kloppen in de wereldbekers van Tabor en Zedam omdat hij tactisch blunderde. Hij en Nys (ploegmaats bij Rabobank, red) reden elkaar in de vernieling. Dat was natuurlijk genieten voor mij: je schat een wedstrijd vooraf in, dat komt uit en jij kan winnen. Maar achteraf gezien had ik die laatste wereldbeker beter niet gewonnen. Dan zou dat WK anders verlopen zijn. Nu waren alle ogen op mij gericht. Ja, ik was kwaad op Nys toen. Maar ik kan ook begrijpen dat hij niet achter zijn ploegmaat ging. Rabobank betaalde zijn loon, niet België.

Twee jaar later word jij wereldkampioen in Zolder en word je door Nys op de schouders gedragen op het podium. Was dat je mooiste titel?

Die was heel mooi, maar neen. De eerste was nog mooier, in Middelfart in 1998. Die kwam onverwacht. Voor het eerst wereldkampioen worden: pas dan bén je iemand. Dat tussen Nys en mij werd trouwens opgeklopt door de pers. Wij waren geen vijanden.

Je tweede wereldtitel in Poprad in 1999 was ook vol emoties. Waarom won jij toen, en niet Vervecken?

Kijk naar de beelden. Erwin wou de laatste ronde op een strook rijden waar het beter was om te lopen. Hij trapte drie keer mis. Ik ben toen weggereden van Van der Poel om tweede te worden. Maar plots zag ik Vervecken. Dat was een verrassing voor mij. Maar ik geef toe: Erwin was die dag de beste, ik had het meeste geluk.

Hij noemde jou nadien een klootzak. Was je dat ook?

Dat denk ik niet. Hij is zelf in de fout gegaan. Ik heb inderdaad gezegd dat ik desnoods mét Van der Poel naar hem was gereden. (zwijgt even) Wellicht zou ik dat ook gedaan hebben. Ik wist dat ik de snelste zou zijn in de sprint. Maar ik had dat beter niet gezegd. Kijk, het is simpel: een wereldtitel geef je niet weg. Als je kans maakt om te winnen, dan grijp je die. Een beetje klootzak mag trouwens. Vandaag is de cross heel braaf geworden. Dat is jammer. Al kan ik het ook begrijpen. Renners worden afgemaakt op sociale media. Niet iedereen kan daarmee omgaan. Dat kan iemand kapot maken. Ik kan me voorstellen dat je dan wat voorzichtiger wordt.

“Een beetje klootzak mag. Vandaag is de cross braaf geworden. Dat is jammer. Al kan ik het ook begrijpen.”

Van je wegcarrière blijft die tragische Tour van 1995 bij: vijf Lottorenners, waaronder jij, die opgeven op La Plagne. Hoe kijk je daarop terug?

Die thuiskomst was vreselijk. Je zit in zak en as. Die Tour was trouwens de druppel. We reden al anderhalf jaar niet goed. Ik heb toen ernstig nagedacht om iets anders te doen. Lotto zette ons aan de deur, hè. Een beenhouwerij beginnen of zo. Maar uiteindelijk was die afgang voor mij een zegen. Roger De Vlaeminck, toen ploegleider van Palmans, overtuigde me de stap naar de cross te zetten. Ik durfde dat voordien niet te doen. Je bent getrouwd, je hebt twee kinderen, je hebt een goed loon op de weg. Je zet dat niet zomaar opzij voor een sprong in het onzekere. Al wist ik dat ik goed zou zijn in het veld. Dat had ik bij de jeugd al bewezen.

Vlak na je carrière ben jij geschorst voor dopinggebruik. Was dat terecht?

Ik vond van niet. (zwijgt even) Ik spreek daar zelden of nooit over. Die wonde is dichtgegroeid en zal dicht blijven. De cross is mijn kind. Ik ben opgegroeid in die wereld. Ik ga die sport en mezelf niet afschilderen als iets dat niet goed is.

Zou het niet opluchten om duidelijkheid te scheppen?

Neen. Ik ben een gesloten man. Ik verwerk zoiets, en dan is dat voorbij. Ieder zijn manier, zeker?

Wat antwoord jij op de mensen die zeggen dat een deel van je carrière een leugen is?

(kort) Dat dat niet waar is. Maar goed, genoeg daarover.

Om af te sluiten: wie is de belangrijkste figuur in je carrière?

Mijn vader. Hij wist hoe hij mij moest aanpakken. Ik mis hem (hij is vorig jaar gestorven, red). Onze band werd jaar na jaar sterker. Hij was er amper 71. Anderzijds: hij zou wel getekend hebben voor die plotse dood. Een aanslepende ziekte zou hij niet aangekund hebben. (zwijgt even) Een maand later stierf ook Serge Baguet, mijn beste maat in de koers. Dat waren zware maanden. Die doen je ook stilstaan bij wat echt belangrijk is.

Het sportrapport van Mario De Clercq

Als kind was mijn idool …

De broers De Vlaeminck. Zij waren ook vrienden van mijn vader.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Greg Van Avermaet. Wie had drie jaar geleden gedacht dat hij dít palmares zou opbouwen?

Mijn mooiste sportmoment?

Mijn eerste wereldtitel, Middelfart 1998. Maar ook mijn wegzege in de Vredeskoers in 1989. Dat was de sprong naar het profwielrennen.

Mijn grootste ontgoocheling?

Het WK van Pontchâteau in 2004. Ik was die laatste ronde zo zegezeker dat ik vergeet te sprinten. Uiteindelijk won Wellens.

(foto photo news)