LUIK – Michel Preud’homme is een levende legende van ons voetbal. Titels en bekers met Standard, Mechelen en Benfica, twee Gouden Schoenen, 58 caps en twee WK’s met de Rode Duivels, beste doelman van de wereld in 1994. Ook als trainer stapelt hij de successen op. Vandaag, uitzonderlijk, staat hij uitgebreid stil bij zijn drijfveren.

We hebben afspraak op de Académie Robert Louis-Dreyfus, het trainingscentrum van Standard Luik. Mijn gastheer is er hoofdtrainer, vicevoorzitter én sportief directeur. We ploffen ons neer in de zeteltjes van zijn bureau. Hij heeft tijd, zegt hij. “Als ik iets doe, wil ik dat goed doen, zéér goed. Dus ook dit interview.” Hij stopt wat pruimtabak onder zijn lippen, en steekt van wal. “Ik heb Brugge verlaten omdat ik moe was. Ik wou rust na veertig jaar voetbal. Een andere reden was er niet. Ik heb genoten van dat sabbatjaar, van het pendelen tussen Bordeaux (waar zijn vriendin woont, red.) en België. Ik heb tijd kunnen nemen voor mijn vriendin, mijn kinderen. Ik heb nieuwe bezigheden ontdekt. Ik heb voor het eerst in mijn leven de ramen gewassen. (lacht) En wat mij opviel: zelfs dan kwam de perfectionist in mij naar boven. Die ramen moesten blinken, hoor.”

Heb je ook écht aan stoppen gedacht?

Ja. Ik weet nu dat ik gelukkig kan zijn zonder voetbal. Ook mijn omgeving zag dat. Mijn vriendin en mijn zoon dachten zelfs dat ik neen zou zeggen tegen Standard.

Waarom heb je toch ja gezegd?

Ik wou later geen spijt hebben. Je kan geen drie jaar wachten. Wou ik nog terugkeren in het voetbal, dan was nú het moment. Standard bood me een prachtig project aan op lange termijn. Dat heeft me over de streep getrokken. (zwijgt even) Ik was wellicht nog niet klaar om te stoppen. De passie is te groot. Dat heb ik ook geleerd. Ik zag er fysiek wel beter uit, ik was minder moe, maar ik had ook minder energie. Ik zou misschien zelfs sneller oud geworden zijn zonder voetbal.

Bepaalt voetbal vandaag opnieuw je geluk?

Ja. Dat is zo. Of toch het dagelijkse geluk. Dat hangt af van de resultaten. Als ik win, voel ik mij beter. Weet je, voetbal slorpt mij helemaal op. Als mens ben ik niet zo. Als mens kan ik ook rustig zijn. Maar als trainer voel ik mij voortdurend in staat van oorlog. Dat is mijn kracht. Mocht ik onverschillig worden, dan moet ik stoppen. Ik heb die emotie nodig. Als ik me emotioneel niet verbonden voel aan een project, zeg ik neen.

Terug op Standard, is dat ook terug thuis?

(blaast) Ik spreek niet graag in die termen. Overal waar ik werkte, voelde ik mij thuis. Ik ben altijd als vriend vertrokken, nooit met slaande deuren. Dat is niet evident in het voetbal. Maar oké, Luik ís mijn thuis. Ik ben hier opgegroeid. Ik was als kind supporter van deze club. Ik heb hier mijn eerste stappen gezet als speler én als trainer.

Wou jij geen veearts worden als kind?

(knikt) Vlak bij ons huis was een boerderij. Ik ging daar vaak helpen. Het leven daar fascineerde mij. Ik was altijd onder de indruk als de veearts langskwam. Die man had zoveel aanzien. Die was geslaagd in het leven. Ik wou ook slagen. Dat was mijn drijfveer als kind. Ik wou iemand worden. En het voetbal bleek daartoe de beste manier.

“Als trainer voel ik mij voortdurend in staat van oorlog. Mocht ik onverschillig worden, dan moet ik stoppen.”

Wie in zijn jeugd tegenslagen moet overwinnen, maakt meer kans op de top, wordt al eens gezegd. Geloof jij dat ook?

(resoluut) Zeker. Puur op talent haal je het niet. Je moet véél honger hebben om de top te bereiken. Je kan dat letterlijk en figuurlijk zien. Als je die honger niet hebt, kan je die opofferingen niet maken. Ook mijn leven was niet altijd rooskleurig. Maar tegenslagen hebben mij sterker gemaakt.

Je vader is thuis vertrokken toen jij zeven was. Was dat die tegenslag?

(aarzelend) Ik denk dat niet. Ik was goed omringd door mijn moeder, mijn grootouders, mijn peter die naast de deur woonde, later ook mijn stiefvader. Ik heb kind kunnen zijn. Dat is heel belangrijk. Ik moest de rol van mijn vader niet overnemen.

De zaak-Bellemans, of de omkoopaffaire Standard-Waterschei, was een andere tegenslag. Hoe kijk je daarop terug?

(denkt na) Je moet snel volwassen worden in de zakelijke voetbalwereld. Ik was toen 23, heel jong. Wij werden ook niet begeleid zoals jongeren vandaag. Zwart geld zat ingebakken in het systeem. Iedereen deed mee, elke speler, elke club. Welke jonge gast zou daartegen ingaan? Je kan dat bijna niet. Maar dat was een harde periode, ja.

Je vloog daarna ook uit de ploeg.

(knikt) Dat is een motivatie geweest. Toen ik vertrok naar Mechelen zei ik tegen mezelf: nú ga ik alles kapot spelen. Ik stond al van mijn achttiende onder de lat bij Standard. Na die zaak verdween ik naar de achtergrond. Ik raakte ook nog eens geblesseerd aan mijn knie. Toen ik terugkeerde, speelde ik met de reserven tegen Anderlecht. Mijn stiefvader zat op de tribune. Hij zag hoezeer ik wel wou, maar ook hoeveel pijn ik had. Hij heeft toen zitten huilen. Hij dacht dat het voorbij was. (zwijgt even) Hij heeft me dat pas jaren later verteld. Dat heeft me diep geraakt. Ik heb echt keihard moeten vechten om terug te keren.

Wat is het allermooiste moment uit je carrière?

Ik vind dat moeilijk. Duizenden mensen blij maken, dát zijn de momenten die blijven hangen. Ik heb Standard naar de eerste titel in 25 jaar gecoacht, Brugge naar de eerste titel in 11 jaar. Van die momenten geniet je het meest.

“Mijn stiefvader heeft zitten huilen op de tribune. Hij dacht dat het voorbij was.”

Je hebt ooit eens tien miljoen mensen waanzinnig blij gemaakt.

Ah, je bedoelt die wedstrijd tegen Holland op het WK. (glimlacht) Dat was mooi, ja. Ik heb zo enkele wedstrijden meegemaakt. Je zit in een soort trance. Je ziet alles in slow motion voor je. Je weet wat er zal gebeuren nog voor het gebeurd is. Als je dat gevoel eenmaal meemaakt, wil je dat elke wedstrijd. Dat lukt helaas niet op bestelling. Nederland was één voorbeeld, Europees met Mechelen tegen Milan een ander.

Is een échte topploeg geen gemis op je palmares?

(blaast) In die tijd kon je niet gratis vertrekken als je contract afliep. Een club mocht ook maar drie buitenlanders opstellen. Dat speelde in mijn nadeel. Ik wou graag naar Italië. Dat was mijn droomcompetitie. Dat was toen ook de sterkste competitie ter wereld. Ik heb aanbiedingen gekregen, van Torino, Brescia. Na die wedstrijd tegen Milan kwam Silvio Berlusconi (toen voorzitter van AC Milan, red.) onze kleedkamer binnen. Als we ooit vier buitenlanders mogen opstellen, kom ik jou halen, zei hij. Onze voorzitter, John Cordier, glunderde. Hij zag het geld al binnenstromen. (lacht) Milan speelde toen met Rijkaard, Gullit en Van Basten. Als doelman kan je daar niet tegen op. Benfica was al een grote eer. Maar ik geloof wel dat ik vandaag met mijn kwaliteiten ook voor de beste clubs ter wereld zou spelen.

Iets anders. Een sportman is vaak een afwezige vader. Was jij dat ook?

Ja, toch wel. En als je aanwezig bent, moet je je vooral verzorgen. Je kan in het weekend zelden naar het voetbal van je zoon of naar het muziekoptreden van je dochter. Die momenten mis je.

Nemen ze jou iets kwalijk?

Neen. Dat denk ik toch niet. Ik heb een goede band met hen. Mijn ex-vrouw heeft hen een perfecte opvoeding gegeven. Maar ik geef ook mooie momenten terug, hoor. Mijn kinderen leven écht mee met mij. (fier) Heb je die titelviering gezien in Brugge? Voor mijn zoon is het trouwens niet gemakkelijk dat ik nu voor Standard werk. Hij genoot echt van Brugge. Maar ik denk wel dat hij opnieuw supportert voor zijn papa. Al kon hij het niet aan om naar Club-Standard te komen kijken. (lacht)

Jij wordt 60 in januari volgend jaar. Doet dat iets met jou?

Ja, toch wel. Je beseft dat je tijd aan het inkorten is, terwijl je nog zoveel wil doen in je leven. (zwijgt even) Ik ben vooral bang om fysiek verder af te takelen. Ik zou graag starten met lopen, maar ik kan dat niet meer. Ik heb te veel pijn aan mijn knieën. Hetzelfde voor tennis. Gelukkig heb ik golf ontdekt. In die sport kan ik met mijn lichamelijke kwaaltjes wel nog top zijn. Want vergis je niet, ik wil nog altijd winnen in alles wat ik doe. Dat gaat er nooit uit.

Om af te sluiten: is je vriendin blij dat je weer aan de slag bent?

Ik mag niet zeggen van ja. Dan zou ik liegen. Ze vindt het spijtig dat we elkaar minder zien. Maar ze ziet ook dat ik de kwaliteiten heb om dit te doen. Mijn zoon in Brussel, mijn dochter in Utrecht, mijn vriendin in Bordeaux, ik in Knokke en Luik, dat is veel pendelen. Maar weet je wie wel blij is? Mijn moeder. Zij is er 78, en woont op een appartement, hier in Luik, naast mijn zus. Ik ben weer dichter bij haar.

(foto belga)