Voor Nina Derwael is the sky the limit. Olympisch goud is haar ultieme ambitie. De gymnaste, die in maart net als deze krant 18 wordt, schreef vorig jaar al sportgeschiedenis met goud op het EK en brons op het WK. Geen Belg deed het haar voor. Neem er haar vlotte babbel bij, en Derwael heeft alles om een rolmodel te worden.

We hebben afspraak in de topsporthal in Gent. De gymzaal is een voorbeeld van een hoogtechnologisch trainingscentrum. Twee Fransen zwaaien er al tien jaar de plak: het trainersechtpaar Yves Kieffer en Marjorie Heuls. Zij hebben er vooral een winnaarsmentaliteit ingepompt, hoor je overal. Hét exponent daarvan is Nina Derwael. Dit frêle meisje was amper elf toen ze moeders vleugels verliet, en Sint-Truiden inruilde voor de hoofdstad van Oost-Vlaanderen. Kieffer en Heuls namen haar meteen onder handen. Derwael voelde zich thuis, ook op het internaat. Gelijkgestemden doen haar goed. In 2016 kwam ze een eerste keer piepen aan de oppervlakte. In haar eerste jaar bij de groten bereikte ze de allroundfinale op de Spelen in Rio. Ze zou negentiende worden. Op de brug met ongelijke leggers, haar beste nummer, miste ze de finale maar net. Een jaar later pakte ze op diezelfde brug goud op het EK en brons op het WK.

Vanwaar die immense sprong op één jaar tijd?

Ik was toen nog niet klaar om mijn oefening uit te voeren op een groot kampioenschap (The Derwael, waarmee ze goud pakte op het EK en die nu naar haar genoemd is, red). Dat is het technische aspect. Ik heb ook mentaal een grote sprong gemaakt. Rio was ‘wow’ voor mij. Ik was starstruck. Al je idolen staan plots naast jou. Ik was meer met hen bezig dan met mezelf. Dat had ik vorig jaar al veel minder.

Je bent nu zelf een rolmodel.

(lacht) Is dat zo? Dat legt zoveel druk op mijn schouders. Ik heb niet die ambitie om bekend te worden. Ik doe gewoon mijn sport. Ik word al eens herkend op straat. Dat voelt raar aan. Gelukkig valt dat al bij al nog best mee. Ik draag thuis geen dot in mijn haren. Dat maakt een groot verschil.

Hoe is turnen op je pad gekomen?

Ik moet mijn ouders dankbaar zijn. Ik was als kind heel actief. Zij zochten iets waarin ik mijn energie kwijt zou kunnen. Ik was amper 2,5 jaar oud toen ze mij naar het kleuterturnen stuurden. Dat lag me. Twee jaar later mocht ik aansluiten bij de turnclub van Hasselt. Ik heb nooit iets anders gedaan. Of ja, even ballet, maar toen ik meer uren kon turnen, ben ik dat gestopt. Toen ik 11 jaar was, kreeg ik de kans op internaat te gaan in Gent. Mijn ouders lieten me niet graag gaan. Maar ik was niet tegen te houden. Ik wou meer trainen, aan grote wedstrijden kunnen deelnemen.

Wat was je kinderdroom?

Ik wou met een Belgisch vlaggetje op mijn mouw aan een wedstrijd deelnemen. Raar, hè. (lacht) Ik zag Aagje Vanwalleghem en Gaëlle Mys op televisie. Ik vond dat zo cool. Dat is één van mijn vroegste herinneringen.

 

Was jij als kind al de winnaar die je vandaag bent?

Ik denk dat wel. Ik herinner mij dat ik héél slecht tegen mijn verlies kon. Dat mocht van alles zijn: ik kon niet verliezen. Maar ik was niet altijd even zelfzeker. Toen ik aan mijn eerste internationale wedstrijden deelnam, trok ik grote ogen. Ik wist niet dat er zoveel sterke atletes waren. Marjorie en Yves hebben mij mentaal sterker gemaakt. Zij hebben mij ervan overtuigd dat ook ‘kleine’ Belgen grote resultaten kunnen halen. Ik heb mij die mentaliteit helemaal eigen gemaakt. Ik trek naar een wedstrijd om te winnen, niet om deel te nemen.

“Ik time alles op de minuut. Ik heb dat nodig om een balans te vinden.”

Ben je vandaag tevreden met je WK-brons?

Als ik die beelden herbekijk, zie ik alleen de punten die beter kunnen. Ik had zelfs goud kunnen pakken. Dat is mijn gevoel vandaag. (lacht) Maar natuurlijk ben ik héél tevreden met dat brons.

Jij studeert Moderne Talen in Gent. Hoe lukt de combinatie?

Dat is zwaar, maar dat lukt. De liefde voor mijn sport is mijn drive. Ik draai weken van 52 uur: 32 uur trainen en 20 uur les. Ik vind het belangrijk om minstens mijn secundair diploma te halen. Dat moet in juni lukken. Wat daarna volgt, weet ik nog niet zeker. Ik zou graag Officemanagement studeren. Dat lijkt me wel boeiend voor later: evenementen en projecten organiseren. Ik wil geen bureaujob. Ik heb variatie nodig.

Is alles op het turnen zetten een optie?

Neen. Ik vind school een goede afwisseling. Zo kan ik mijn gedachten verzetten. Ik weet ook niet of ik van turnen kan leven. Ik heb nog geen contract. Maar goed, dat zijn zorgen voor mijn ouders. Ik hoef me alleen met turnen en school bezig te houden.

Je wordt er 18 eind deze maand. Ga je dat goed vieren?

Dat weet ik niet. Mama en papa vragen dat ook voortdurend. (lacht)

Hou je van stevig uitgaan?

Neen. Dat past niet in mijn leven. Ik heb dat misschien twee keer gedaan, meer niet. Ik zou het stom vinden om een hele week ziek of moe te zijn. Dat is het niet waard. Ik drink ook geen alcohol. Ik drink eigenlijk niets, behalve water. Ik lust zelfs geen fruitsap of cola.

Voel je geen sociale druk van vriendinnen?

Neen. Ik heb wel enkele vriendinnen thuis, maar die begrijpen dat. Gelukkig hoef je op de topsportschool niet elke maandag te horen wie waar is uitgegaan. We leven hier allemaal met hetzelfde doel: het maken in de topsport. Ik weet weinig af van de wereld van andere 18-jarigen.

“Ik drink geen alcohol. Ik drink eigenlijk niets, behalve water.”

Hoe lang kan je dit leven leiden?

Tot je lichaam stop zegt, denk ik. Wij werken in blokken van vier jaar. Het eerste blok werd afgesloten in Rio. Nu werken we keihard naar de Spelen van Tokio toe, in 2020. Wat daarna komt, weet ik niet. Daar denk ik ook niet aan.

Wat is je ultieme ambitie?

Ik wil ooit olympisch kampioen worden. Met die instelling sta ik elke dag in de zaal. Dat is mijn drijfveer. Als ik een dag geen zin heb om te trainen, dan denk ik aan dat ultieme doel. Al kan ik wel irritant zijn op zo’n dag.

Gebeurt het dat je ’s morgens fuck it zegt?

Ja, toch wel. Dat moet ik toegeven. Ik denk dan: ik blijf in bed liggen, en zal zeggen dat ik me overslapen heb. Maar ik heb dat nog nooit effectief gedaan.

Hoe laat gaat je wekker af?

Om 6.43 uur. (lacht luid) Ik time alles op de minuut. Ik heb dan vier minuten om te blijven liggen, drie minuten om me aan te kleden, tien minuten om te ontbijten en tien minuten om richting training te vertrekken. Het is dan 7.10 uur. Dat is een routine geworden. Ik heb die timing nodig om een balans te vinden.

Van wie heb je die discipline?

Mijn mama vraagt dat ook vaak. (lacht) Misschien van mijn papa. Hij was vroeger nog profvoetballer voor Racing Genk (Nico Derwael, red). Al vond ik voetbal toen maar een spelletje. Vandaag weet ik beter: ik zie hier dat ook voetballers voor hun sport leven.

Wat is je ambitie voor dit seizoen?

Ik wil minstens dezelfde resultaten behalen als vorig jaar. In augustus is er het EK, in oktober het WK. Al hoop ik natuurlijk om beter te doen. Ik was vorig jaar achtste op de allroundfinale op het WK. Dat is de meest prestigieuze competitie. Ik hoop daarin vooruitgang te maken.

Om af te sluiten: Gent of Sint-Truiden?

(resoluut) Sint-Truiden. Ik keer elk weekend terug. Dat is thuiskomen voor mij. Ik hou van shoppen met mijn mama, dat is mijn tweede passie. Nu, ik moet toegeven dat ik Gent niet ken. Ik zie alleen de school, de topsporthal, het station en het UZ.

Het sportrapport van Nina Derwael

Als kind was mijn idool …

Nastia Liukin, de Amerikaanse gymnaste die goud pakte op de allround in Peking in 2008.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Nafi Thiam. Zij is een echt rolmodel.

Mijn mooiste sportmoment?

Mijn beste prestatie was het brons op het WK. Maar de mooiste momenten heb ik beleefd op de Spelen in Rio met het team. Die andere meisjes zijn belangrijk voor mij. Ik kan met hen emoties delen.

Mijn grootste ontgoocheling?

Het missen van de brugfinale op de Spelen van Rio.

(foto belga)