Patrick Stevens (49) is onze beste sprinter ooit. Alleen al door die heroïsche olympische finale van 1996. “Twee atleten liepen zuiver, Thompson en ik.” Ook dat is Stevens. Recht voor de raap. Wat hem meermaals miserie opleverde. Ook zijn leven naast de baan was nooit saai. Vandaag is hij samen met de Brits-Italiaanse celebrity Fiona May.

We schrijven 1 augustus 1996, Atlanta. Acht atleten maken zich op voor wat een historische finale van de 200 meter zal worden. We zien iconen als Michael Johnson, Ato Boldon en Frank Fredericks. In baan zeven staat warempel een blanke, een 28-jarige spierbal uit Maasmechelen. “De buitenwereld was daar zeer mee bezig, dat ik de enige blanke was. Ik niet. Je weet wie je tegenstanders zijn, niet welke kleur ze hebben.”

Johnson verpulvert het wereldrecord (19.32), Stevens wordt zevende (20.27). “Ik wou vijfde worden. Maar zevende was ook goed. Mijn tijd was prima: iets boven mijn PR van twee maanden voordien in Rome (20.19, nog steeds het BR, red.).” Zijn voorbereiding op die finale kon beter, voegt hij toe. Na de halve finale, twee uur voordien, liep hij verloren. “Ik miste mijn trainer. Ik wist niet wat te doen. Dat woog mentaal. Ik voelde de stress toenemen. Het BOIC wou Ronald (Desruelles, red.) niet meenemen. Ze vonden dat niet nodig. Puur amateurisme.”

Je was nooit goede vrienden met het BOIC?

Ik heb vaak tegen heilige huisjes gestampt. Ik ben recht voor de raap. Waarschijnlijk was er daarom na mijn carrière geen plaats voor mij in de sport.

Ambieer je dat nog steeds?

Ja, toch wel. Al ga ik dat niet dag en nacht nastreven. Ik was even CEO van voetbalclub Patro. Dat ben ik in mei gestopt. De eigenaar, een Chinees, werkt vrij dictatoriaal. Ik mocht weinig initiatief nemen. Ja, koffie zetten en trainingen geven, dat wel. Ik zie dat niet goed aflopen, dat verhaal. Maar goed, daarom ben ik ook gestopt.

Je leidt wel al meer dan tien jaar het familiebedrijf APC, dat waterleidingen legt.

(knikt) Ik ben mijn vader opgevolgd in 2005. Hij was het thuis afgebold met een jongere vrouw die op zijn geld uit was. Het klassieke verhaal, zeker? Ik was net gestopt. Mijn moeder is toen bij mij komen wonen, in Maasmechelen. Dat was een pijnlijke periode voor haar, na zoveel jaren huwelijk. We hebben ons vader nooit meer gezien of gehoord. Hij is uit ons leven verdwenen.

Dat moet hard zijn.

Ik kan wel wat aan. De sportwereld is ook hard. Maar we stellen het goed vandaag. Mijn broer woont ook vlakbij, met zijn gezin. We zijn veel samen. En mijn moeder, die intussen 74 is, doet nog steeds de administratie voor het bedrijf.

“Ik heb kunnen proeven van het sterrendom. Voor een fotoshoot met onze dochter kregen we 30.000 pond.”

Heb jij het maximum uit je carrière gehaald?

Neen. (droog) Met doping zou ik nog beter gepresteerd hebben. Maar ik zou dan minder voldoening hebben. (zwijgt even) Ik was zeer regelmatig. Ik liep altijd goede tijden. Wat mij frustreert, is dat ik nooit die ene uitschieter heb kunnen lopen. Zo een dag waarop alles meezit, en je 20.02 loopt. Op de 100 meter is me dat wel gelukt. Ik liep 10.01 in Houston. Helaas: net te veel rugwind.

Was Atlanta je absolute hoogtepunt?

Sydney had dat moeten zijn, vier jaar later. Toen voelde ik me sterker dan ooit. Maar een kuitblessure dacht daar anders over. Dus ja, Atlanta was wel het hoogtepunt. Dat staat net iets hoger dan de WK-finale in 1997 en het EK-brons in 1994.

Hoeveel atleten liepen zuiver in die olympische finale?

Twee, mezelf inbegrepen. Dat denk ik toch. Neen, dat weet ik redelijk zeker. Thompson, die vierde werd, liep ook zuiver. De rest niet.

In die jaren ging men complexloos om met doping. Hoe kon jij daaraan weerstaan?

Als ik een prestatie lever, wil ik nadien in de spiegel kunnen kijken. Ik wou geen bedrieger zijn. Dat zou ook vreselijk zijn voor mijn dochter vandaag. Je weet natuurlijk wat er rondom jou gebeurt, en soms was dat ook frustrerend. Je zag aan sommige atleten dat er iets niet klopte. Maar die mannen zouden mij misschien ook geklopt hebben zonder doping. Ik probeerde vooral naar mezelf te kijken, naar mijn baan, mijn tijd. Er zijn ook mensen naar mij toegekomen die zeiden: als je supplementen nodig hebt, al dan niet toegestane, dan kunnen wij je helpen.

Wie zei dat?

Dat kan ik niet zeggen. Anders krijg ik miserie.

Ook de Belgische dokter Renno Roelandt kwam later in opspraak.

(lacht) Ik kan veel verhalen vertellen over Renno. (fijntjes) Maar die heeft vooral met Erik Wijmeersch gewerkt, niet? Ik zei eens aan Erik: jij zou je startblok beter vooruit zetten, je pakt toch. Hij ging dan bleiten bij anderen. Maar ik ben zo: rechtuit. En soms krijg je dan een klap terug.

“Wie mij niet kon kloppen, vond mij een klootzak. Wie me wel kon kloppen, vond mij een vriendelijke jongen.”

In zijn boek noemt Wijmeersch jou ‘een klootzak eerste klas’. Die rivaliteit was keihard.

Dat was uit frustratie. Dat doet mij niets. (droog) Wie mij niet kon kloppen, vond mij een klootzak. Wie me wel kon kloppen, vond me een vriendelijke jongen.

Kan het dopingspook verdwijnen?

Dat denk ik niet. Van 2002 tot 2006 beleefde de atletiek zijn meest zuivere periode. Maar dat is voorbij. Doping is geavanceerder dan ooit. De ontwikkelaars zitten niet stil. Gelukkig evolueren ook de controles. Ik denk wel dat de jagers de stropers op de hielen zitten. Maar er lopen nog steeds veel stropers rond. En niet alleen in de atletiek. Kijk naar een Chris Froome. Die rijdt op een heel jaar alleen de Tour, maar hij staat er wel. Is dat niet verdacht?

Eind jaren negentig begon jij een veelbesproken relatie met Denise Lewis, een razend populaire Britse atlete. Waarom viel zij op een jongen uit Limburg?

Dat moet je aan haar vragen. (lacht) Wij trainden samen in Amsterdam. Ik moet toegeven dat dat aanpassen was voor mij. Denise had mij nochtans gewaarschuwd. Maar ik kon niet geloven dat een zevenkampster zo populair zou kunnen zijn. Fout van mij. Ik heb dankzij haar kunnen proeven van het sterrendom. Niet zo lang geleden trad Coldplay op in België. Ik zei het tegen mijn moeder: die Chris Martin heeft mij nog een hand geschud. Hij kwam zich voorstellen aan Denise. “I’m a big fan”, zei hij. Ik vond dat tof om mee te maken. We waren eens op een verjaardagsfeestje van Andy Cole, spits van Manchester United. Beckham was daar, Posh Spice, Ferguson. En die kwamen allemaal goeiedag zeggen. “I’m the boyfried of Denise”, zei ik dan. “From Belgium.” (lacht)

Je hebt ook goed verdiend aan de tabloids.

Voor een fotoshoot met onze dochter Lauryn kregen we 30.000 pond. (lacht) Maar uiteindelijk blijken al die sterren ook maar gewone mensen, hoor. Ik ken die wereld intussen.

Je dochter is vijftien nu. Zie je haar vaak?

Te weinig. Ik steek om de twee weken het kanaal over. Zij woont in Londen bij haar moeder. En in de schoolvakanties komt ze naar hier. We hebben wel een heel goede band. Ik ben ook een vriend voor haar. Zij kan me alles vertellen. Ze wil actrice worden. Je moeder is de beste actrice die ik ken, zeg ik dan. (lacht) Neen, ik kom met Denise nog steeds goed overeen, ondanks die scheiding. Ik heb ook al zeven jaar een nieuwe vriendin, Fiona May (tweevoudig wereldkampioen verspringen, red.).

Ah, dat wist ik niet. Opnieuw een ster dus.

(lacht) Zeker in Italië, waar ze woont. Ze is er een graag geziene gaste op televisie. Op mijn verjaardag kreeg ik eens telefoon ’s avonds. Van de toenmalige baas van het formule 1-team van Ferrari, Stefano Domenicali. Ik viel haast van mijn stoel. Je moet weten dat ik grote fan ben. Hij nodigde mij uit op een race. Dat was een cadeautje van Fiona. (lacht)

 

Het sportrapport van Patrick Stevens

Als kind was mijn idool …

Freddy Maertens. Al was ik vooral een muziekfan: Prince en UB40.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Usain Bolt en Fernando Alonso.

Mijn mooiste sportmoment?

De olympische finale van Atlanta.

Mijn grootste ontgoocheling?

Geblesseerd moeten afhaken voor Sydney in 2000 en voor het EK in 1998. Ik was toen Europees kampioen geworden met de vingers in mijn neus. Dat weet ik zeker. Dat ontbreekt op mijn palmares.

(foto belga)