Een minister van Sport komt maar in het nieuws als het slecht gaat. Dat heeft Philippe Muyters (N-VA) de voorbije weken ondervonden met de getuigenissen over seksuele intimidatie in de sport. De 55-jarige Antwerpenaar heeft in die acht jaar op Sport nochtans heel wat hervormd. En hij hoopt op nog een grote stap: een andere verloning van topsporters.

Vlaams minister Philippe Muyters, bevoegd voor Werk, Economie, Innovatie en Sport, heeft er twee drukke weken opzitten in het buitenland. Eerst een handelsmissie met prinses Astrid naar Zuid-Korea, daarna de beklimming van de Mont Ventoux met 2.500 andere Vlamingen, en ten slotte de voorbije dagen de wereldtentoonstelling in Astana, Kazachstan, waar hij een delegatie van VOKA Limburg op sleeptouw nam. “Denk nu niet dat ik voortdurend in het buitenland zit”, lacht Muyters. “Dit was een samenloop van omstandigheden. Zuid-Korea was trouwens een zeer goede handelsmissie. Ik had voordien nooit meegemaakt dat geen enkele bedrijfsleider ontevreden was.”

U deed die missie samen met staatssecretaris Pieter De Crem (CD&V) die bevoegd is voor Buitenlandse Handel.

(pikt in) Ho, wacht even. Zeggen dat hij bevoegd is voor Buitenlandse Handel, is de waarheid geweld aandoen. Dat is regionale materie. De deelstaten zijn bevoegd. Laat dat duidelijk zijn.

Buitenlandse Handel is toch officieel zijn bevoegdheid, zijn enige zelfs?

Dat dat zijn titel is, is niet mijn verantwoordelijkheid. Zijn bevoegdheden zijn heel beperkt. De rangorde is duidelijk. We hebben daar de president ontmoet. Eerst mag de prinses groeten, dan minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders (MR), vervolgens mijn Waalse collega en ik, en dan pas de staatssecretaris.

Ik wou vragen: lopen jullie elkaar niet voor de voeten? Ja, dus.

Ik voel dat zo niet aan. (wikt en weegt zijn woorden) Ik denk dat wij een andere manier van werken hebben. Ik heb bijvoorbeeld hard ingezet op rechtstreekse contacten tussen bedrijven. Als de Zuid-Koreanen zien dat een Vlaams bedrijf een minister mee aan tafel heeft, dan maakt dat indruk.

Ik wil het met u over sport hebben.

(lacht) Ha, heel graag.

Schrok u van de getuigenissen van ex-judoka Ann Simons en anderen?

Ja, natuurlijk. Dat doet mij pijn. Jongeren moeten in een veilige omgeving kunnen sporten. Al doet het mij wel plezier dat dit naar buiten kán komen.

Wie niet over een meldpunt of een tuchtprocedure beschikt, kan een deel van zijn subsidies verliezen.

Uit onderzoek blijkt dat bijna één op vijf minderjarigen minstens één keer in contact komt met seksueel overschrijdend gedrag in zijn of haar sportclub. Is die wereld zo ziek?

(resoluut) Neen. Zeker niet. Dit komt trouwens ook voor in andere werelden.

Dat praat dat toch niet goed?

Natuurlijk niet. Maar ik steek mijn nek uit voor de grote meerderheid van vrijwilligers die uit overtuiging voor een sportclub werken. Dit thema is al vijf jaar een aandachtspunt voor mij. En we staan al ver, echt waar. Er is een vlaggensysteem voor de clubs met codes van groen tot zwart, wat kan en wat niet kan. Ethiek is een thema op de trainerscursussen. En ik kan zo nog maatregelen noemen. Maar wie het niet goed meent, moet eruit. Daarom zijn getuigenissen zo belangrijk. Daarom ook zetten wij onze schouders onder het internationale VOICE-project van criminologe Tine Vertommen dat slachtoffers de kans geeft anoniem te getuigen over ervaringen in het verleden. En wie vandaag iets meemaakt, kan terecht op hulplijn 1712. Al zou ik willen dat elke federatie ervoor zorgt dat zijn sporters ergens terecht kunnen.

U koppelt sinds dit jaar twintig procent van de subsidies voor federaties aan goed bestuur. Valt dat ook hieronder?

Absoluut. Wie niet over een meldpunt of een tuchtprocedure beschikt, kan een deel van zijn subsidies verliezen. Wij zijn trouwens samen met Engeland de eerste regio die subsidies laat afhangen van een code van goed bestuur. We hebben een lijst van parameters. Dat gaat ook over transparantie en democratie.

Is elke federatie wel bekwaam om te oordelen over grensoverschrijdend gedrag?

Wie intern niet over experten beschikt, kan aankloppen bij externe experten. Maar ik beschouw een evenwichtige samenstelling van een raad van bestuur óók als teken van goed bestuur. Je moet iemand hebben die iets kent van financiën, iemand die iets kent van ethiek, enzovoort.

Ik voel me niet goed bij het verloningssysteem van topsporters.Ik blijf dat aankaarten.

We staan al ver, stelt u. Waarom moet het parlement dan nog een bijzondere commissie oprichten? Welk nut heeft dat?

Dat moet je aan de parlementsleden vragen. Ik ga daar geen commentaar op geven.

Vorige zomer presteerden de Belgen sterk op de Olympische Spelen in Rio met zes medailles en negentien top-achtplaatsen. Wat is uw aandeel daarin?

(fijntjes) U bedoelt de Vlamingen. Vier medailles, een gemengde medaille met hockey, en zestien top-achtplaatsen: dat is beter dan ooit. Dat verschil met Wallonië is niet toevallig. Kijk, als het goed gaat in de sport, is dat in de eerste plaats dankzij de atleten zelf. Wat is mijn aandeel? Ik creëer de omgeving. Na de Spelen in Londen, een dieptepunt, hebben we het derde topsportactieplan opgesteld: de focus zou voortaan liggen op tien welgekozen sporten. Met resultaat, zo blijkt. Een tweede element: de versnippering wordt tegengegaan. Ik streef overal het campusmodel na. Wat betekent dat? Dat we op één campus de topsportschool, de infrastructuur en de wetenschappelijke kennis verzamelen. Voor zwemmen is dat Antwerpen, voor baanwielrennen Gent, voor balsporten Leuven. Die aanpak werkt.

Wat is het verschil met Wallonië?

In Wallonië heb ik niets van dat alles zien gebeuren. Zij hebben die keuzes niet gemaakt. Al zijn ze dat nu wel van plan. Wij gaan nu trouwens een stap verder met het vierde topsportactieplan dat de focus meer legt op individuele sporters. Een federatie kan een dossier indienen voor een sporter die een reële kans maakt op top-acht. Die krijgt extra ondersteuning, mits hij aan de doelstellingen blijft voldoen. Dat is net zoals in het bedrijfsleven.

Sport Vlaanderen (de opvolger van Bloso) betaalt zijn profatleten op basis van diploma, en niet op basis van prestaties. Is dat niet vreemd? Tia Hellebaut verdiende als Olympisch kampioene met een hogeschooldiploma minder dan een reserve van de aflossing met een universitair diploma.

Ik vind dat ook spijtig, ja. Ik heb dat uitgebreid besproken met Sport Vlaanderen. Men is niet klaar voor die stap. Hoe ga je de nieuwe verloning objectiveren? Op basis van titels? Dat is niet eenvoudig. Men heeft mij ervan overtuigd dat we momenteel al voldoende hervormen. Je kan niet op alle slakken zout leggen.

Moet een minister fouten in het systeem niet aanpakken?

Ik ben niet de man die het allemaal alleen wil beslissen. Ik wil draagvlak. En dat is er momenteel niet voor deze hervorming. Let op: ik laat dat niet los. Ik blijf dat aankaarten. Ik zeg ook heel eerlijk dat ik me niet goed voel bij dat verloningssysteem. Ik zie dat trouwens overal in de samenleving. De omslag maken van focus op diploma naar focus op talent blijkt niet zo evident. (aarzelt even) De vakbonden zijn geen vragende partij, hè. Dat is de realiteit.

Hebt u het al bijgelegd met Raymond Ceulemans? U hebt hem pijn gedaan door te zeggen dat biljart geen sport is.

(feller) Dat heb ik nooit gezegd. Biljart staat niet op de topsporttakkenlijst, en komt dus niet in aanmerking voor subsidies. Waarom? Omdat biljart niet voldoet aan de voorwaarden, zoals fysieke inspanning. Dát heb ik gezegd. Maar dat betekent niet dat biljart geen sport is, integendeel. Mocht ik dat beweren, dan zou dat arrogant zijn van mij. Als ik verkeerd ben overgekomen, dan excuseer ik mij graag.

“Doelstelling halen wordt moeilijk”

Hoe ver zit u van uw ambitie de werkzaamheidsgraad op te trekken tot 76 procent?

Die ambitie blijft, maar het wordt moeilijk om te halen. We zitten nu op 72 procent. De parameters zijn goed. De werkloosheid daalt al 22 maanden op rij. Nooit waren er zoveel Vlamingen aan het werk. Toch wordt het moeilijk om die 76 procent te halen door de verhouding tussen instroom en uitstroom op de arbeidsmarkt. Je ziet bijvoorbeeld wel vooruitgang bij 55-plussers, maar procentueel is dat onvoldoende. Of een ander voorbeeld: de vluchtelingen.

Hoe verloopt hun integratie op de arbeidsmarkt?

Ik kan u nog geen cijfers geven, maar ik weet wel dat dat niet eenvoudig verloopt. Dat is ook logisch. Veel van die mensen hebben in hun thuisland nooit de kans gekregen om te werken of te studeren, door die oorlog. Toch wil ik hen hier dezelfde kansen geven als onze werklozen. Vandaar dat de VDAB hard inzet op maatwerk.