Wielerbabe Puck Moonen: “Gepest worden, die pijn verdwijnt niet”

902

Gepest en vernederd als kind. Vandaag waanzinnig populair op sociale media. Wou chirurg worden. Is wielrenster. Gepassioneerd door snelle wagens én door Stephen Hawking. Meet Puck Moonen, Nederlands’ knapste sportvrouw, wonend aan de Leie.

Puck Moonen is een kind van Boxtel, Noord-Brabant. Ze is drie jaar wielerprof voor Lotto Soudal. De liefde bracht haar in het West-Vlaamse Kuurne. “Iets anders kan dat niet zijn”, lacht ze. De 23-jarige blondine woont er sinds vorige zomer met haar vriend Eli Iserbyt, beloftewereldkampioen veldrijden. “Het is aanpassen, hoor. De cultuur is écht anders. Waar ik ben opgegroeid, praten zelfs wildvreemden met elkaar. Een Nederlander zegt wat hij denkt. In your face. Een West-Vlaming schrikt daarvan. Ik moet dus leren mijn bek houden. (lacht)”

Ben jij een rariteit in het dorp?

Ik denk dat wel. Je bent den Ollander, hè. (lacht) We wonen wel in een toffe wijk, hoor. Veel toffe buren, jonge gezinnen. Maar ik mis Nederland. Ik ga daarover niet liegen. Ik mis mijn familie en vrienden.

Kon je Eli niet overtuigen naar Nederland te verhuizen?

Ik ben daar nú mee bezig. Ik zou graag wat afwisselen. Het voordeel hier is de heuvelachtige omgeving. Waar ik vandaan kom, is het zo plat als een pannenkoek. Ik hou van de klimmen en de kasseien in de buurt, het Heuvelland, de Vlaamse Ardennen.

En van de fietspaden?

O neen, die zijn vreselijk. Ik vind het straf dat jullie dat zelfs fietspaden durven noemen. Ik zou mijn oma of mijn kind, mocht ik één hebben, niet over deze paden laten fietsen, hoor. Veel te gevaarlijk. Onlangs werd hier een nieuwe weg aangelegd: perfecte asfalt voor de autobaan, hobbelige betonplaten voor het fietspad. (zucht) Ik ben vorige zomer gevallen in Otegem. Een gat in een fietspad. Hop, pols gebroken. In Nederland zijn fietspaden veel breder en vlakker.

Wou jij als kind al wielrenster worden?

Neen, ik wou dierenarts worden. (enthousiast) Ik was gek van paarden. Later was voetbal mijn sport. Ik was technisch heel slecht, maar ik hield ervan over dat veld te rennen. Al was mijn grootste passie toen, én nu, dikke wagens. Af en toe krijg ik iets van een sponsor. Héérlijk. (lacht)

Was jij een tomboy?

Jawel. Voetbal, auto’s, vliegtuigen, gamen. Triest gevolg: ik viel overal tussen. Je bent raar als meisje, maar je hoort ook niet bij de jongens. (stil)

Hoe was dat voor jou?

Niet goed. Ik had geen makkelijke jeugd. Ik ben zes jaar lang gepest geweest, van mijn tiende tot mijn zestiende. Daarom dus. Omdat ik een buitenbeentje was. Ik was anders. Ik moet nu wel toegeven dat ik als kleuter een irritant betwetertje was. Ik was dat meisje dat riep dat de sint niet bestaat. Dat maakt je niet populair, hè.

Maar dat rechtvaardigt dat pesten niet.

Neen. Ik werd overal uitgesloten. Kinderen kunnen gemeen zijn, hoor. (even moeilijk) Mijn vader had een ruitersportzaak, ik reed paard en ik had een scheve voortand in die tijd. Als ik op school op de gang kwam, begonnen anderen te hinniken. (zacht) Dat heeft mij diep gekwetst. Ik heb dat zes jaar ondergaan omdat ik absoluut mijn diploma wou behalen. Overleven was dat.

Is die pijn voorbij?

Neen. Mensen zeggen wel eens dat die verdwijnt. Ik geloof dat niet. Anderzijds ben ik daardoor wel mentaal sterk geworden. Ik kan klappen krijgen en toch blijven staan. Ik kan ook mijn plan trekken. Ik zie veel anderen in het wielermilieu. Ik heb, behalve liefde, niets gekregen van thuis. Mijn ouders zijn schatjes van mensen, maar hebben hard moeten werken om rond te komen. Zij konden mij geen dure racefiets kopen. Ik heb zélf moeten werken daarvoor. Krenten verkopen op straat, de supermarkt, noem maar op.

Wanneer ben je beginnen fietsen?

Ik was al zeventien. Rijkelijk laat dus. Ik was net gestopt met voetballen, en wou wel eens een racefiets proberen.

Ik zou mijn oma of kind niet over Vlaamse paden laten fietsen. Veel te gevaarlijk.

Wat was plan-B?

Fietsen. (lacht) Plan-A was Geneeskunde studeren. Ik wou traumachirurg worden, operaties uitvoeren op de spoed. Fascinerend. Ik was zelfs van plan in Gent te studeren. Ik was al ingeschreven voor het toelatingsexamen, toen Lotto Soudal mij een profcontract voorschotelde. Ik was dus amper drie jaar aan het fietsen. Dat was wel even beangstigend. Zou ik dat wel kunnen? Maar ik heb de sprong gewaagd.

Voelt je succes aan als revanche op de pesters?

(blaast) Jawel, maar dat is niet mijn doel. Ik denk wel na over het leven, over hoe het kan veranderen. Even stilstaan is belangrijk.

Je bent écht waanzinnig populair op sociale media. Hoe verklaar je dat?

Ik vertel iets, een verhaal. Het leven van een profwielrenster. De mooie momenten, maar ook de moeilijke momenten.

Mag ik onderbreken? Het is ook je verschijning.

(droog) Dat zal wel, ja. Waarom heeft Eli minder volgers, werd ik eens gevraagd. Omdat hij geen tieten heeft, zei ik. Zo werkt de wereld nou eenmaal, toch? Maar ik ga niet dagelijks een bikinifoto posten. Dat is hengelen naar likes. Dat doe ik niet. Ik breng echt mijn verhaal.

Onlangs zag ik een bikinifoto verschijnen met Stephen Hawking op je schoot.

Het beste bewijs, toch? (lacht) Neen, ik vind dat een razend interessant man. Ik ben zijn laatste boek aan het lezen. Mocht hij nog leven, ik zou hem uitnodigen op restaurant. Ik hou ervan te filosoferen over het leven, het ontstaan ervan, het heelal. Hawking doet dat op een boeiende én humoristische manier.

Reageren collega’s soms jaloers op je populariteit?

Niet in mijn gezicht. Maar ik wil niet weten wat ze allemaal achter mijn rug vertellen.

Dat je meer model bent dan wielrenster, doet die kritiek pijn?

Officieel zeg ik dit (steekt middelvinger op, red). Maar dat doet pijn, ja. (feller) Wat verwacht men van mij? Ik ben net 23, amper drie jaar prof en de jongste van het pak. Ze mogen allemaal eens mee trainen. Dan zullen ze anders spreken. Sociale media zorgen voor welgekomen inkomsten. Waarom zou ik die niet gebruiken? Wij verdienen geen grof geld, hoor.

sportrapport

Als je één wedstrijd mag winnen, welke kies je?

Dit seizoen? De Amstel Gold Race. Ik hou van pittige klassiekers, met hellingen en kasseien. Maar algemeen? De wereldtitel. Dan ben je onsterfelijk.

Mijn mooiste sportmoment?

Iets in mijn eerste profjaar.

Een ontsnapping. Ik was mee, evenals wielerlegende Marianne Vos. “Straf dat je erbij bent”, zei ze. Dat waren héél mooie woorden.

Mijn grootste ontgoocheling?

Vorig seizoen. Alles liep fout. Eerst een voedselvergiftiging, daarna een dubbele longontsteking, vervolgens een polsbreuk én een kniebreuk. Kan je méér pech hebben? Ik zat mentaal diep. Waar doe ik dit voor?

Dit seizoen móet beter. Maar

ik kan nog steeds niet voluit gaan door rugpijn. Mogelijk

een gevolg van die kniebreuk.

Ik wíl trainen, ik wíl mij laten zien, maar ik kan niet. Heel frustrerend, hoor.