Hij geniet ervan anekdotes op te rakelen. Anderhalf uur lang. Vol fierheid. Ogen die stralen. We hebben afspraak in de Mister 100, de biljarttempel van zijn zoon op de markt van Lier. Eén keer krijgt hij een krop in de keel. Zwijgt hij en veegt wat tranen weg. Als het over morgen gaat. Over de toekomst. Ridder Raymond Ceulemans wordt 80 in juli.

Wie biljart zegt, zegt Raymond Ceulemans. Op zijn palmares: 35 wereldtitels (voornamelijk driebanden), 48 Europese titels en 61 Belgische titels. Niemand die dat ooit zal evenaren. Of hij dan geen wedstrijd verloor? “Toch wel, maar zelden”, lacht hij. “In 1974 verloor ik de finale van het WK. Met één punt verschil. Niet veel later nodigde koning Boudewijn mij uit op het Paleis. We gaan naar zijn biljart. (enthousiast) Mooi dat die zaal was. Overal parket, leer, niets anders dan dat. Een fortuin aan ballen en ivoren keus. Je kan je dat niet voorstellen. Meneer Raymond, zei hij, doe eens die laatste bal opnieuw. Ik leg die bal zoals in de finale, speel, en maak die. Weet je wat Boudewijn zegt? Allé meneer Raymond, zo moeilijk was dat nu toch niet. (lacht luid)”

Jij was graag gezien in het koningshuis. Je bent er zelfs tot ridder geslagen.

Door koning Albert, in 2002. Ik vind dat één van mijn mooiste titels, echt waar. Albert speelde graag golfbiljart. We speelden eens samen, op het Paleis. Ik liet hem wat meedoen, en nu en dan een punt scoren. Anders is het niet leuk, hè. Hij kon niet stoppen. Kom, zei hij, we doen nog een partijtje. Maar de zaalwachter, zo’n man met veel decoraties op, deed teken dat het tijd was om te stoppen. Dat beviel Albert niet. Die mens mocht zijn schup afkuisen. (lacht luid) En wij speelden verder. Boudewijn had wel meer talent. Hij had alleen moeite met een massé-stoot, een bal rond een andere bal draaien. Ik heb het hem geleerd. Op een kwartier was hij ermee weg.

Ook Johan Cruyff was fan, niet?

(enthousiast) Ik heb dat artikel nog liggen. Hij werd gevraagd voor wie hij de grootste bewondering had. Zonder nadenken zei hij: Raymond Ceulemans. Fantastisch vond ik dat. Ik heb met hem nog een demonstratie gedaan in Amsterdam.

Ben jij overal in het buitenland een grote meneer?

O ja, ze kennen mij overal. In Amerika was er eens een enquête. Welke vijf mensen hebben hun sport op de meest indrukwekkende wijze gedomineerd? Wie kwam daaruit: Jesse Owens, Eddy Merckx, Cassius Clay (Muhammad Ali, red.), Pelé en ik. In Las Vegas ben ik zelfs opgenomen in de Hall of Fame van de biljart, als eerste en enige Europeaan. We mochten er in de Hilton slapen. Ken je dat? Alles erop en eraan. Alleen in Australië en het Oostblok heb ik nooit gespeeld.

Philippe Muyters heeft mij pijn gedaan. Hij zei eens dat biljart geen sport is. Ik neem dat niet.

In 2001 word je voor de laatste keer wereldkampioen, op je 64e. Was dat je grootste stunt?

Dat denk ik ook. Mijn vorige wereldtitel dateerde van 1991. Ik speelde alleen nog omdat ik eindelijk iets kon verdienen. Je moet weten dat ik 25 jaar voor een beker en een stropdas speelde. Dat veranderde halfweg de jaren tachtig. Maar ik won niet meer in die jaren negentig. De nieuwe generatie leek te sterk. Tot ik plots weer Belgisch kampioen werd in 2001. Na een schitterende finale tegen Frédéric Caudron. Ik mocht naar het WK. Maar ik wou niet. Het stak mij dat ik niet tot de geïnviteerden behoorde op basis van de wereldranking. Ik zeg dat heel eerlijk. Twee goede vrienden, intussen overleden, hebben mij uiteindelijk kunnen overhalen. En ik werd wereldkampioen. Niemand die dat verwachtte.

En zeggen dat het allemaal begon in het café van je vader.

(knikt) Een sportlokaal in Nijlen. Ik ben geboren in Lier. Toen ik vijf was, verhuisden we naar Nijlen. Middenin de oorlog. Niemand had het breed in die tijd. Mijn vader was lasser, en nam het café erbij. Hij zette er ook een biljart. Hij speelde goed, hoor. Hij was ook een degelijk voetballer.

Jij ook, toch? Ik las ergens dat je op je twintigste zelfs naar eersteklasser Beerschot kon?

Ik heb er getest, ja. Ik speelde toen voor Nijlen, in vierde klasse. Beerschot wou me huren, Nijlen wou me alleen verkopen. Maar Beerschot had al vijf spelers gekocht, een zesde kon er niet meer vanaf. Ik heb dat seizoen nog uitgespeeld, maar daarna ben ik gestopt. Ik besloot me volledig toe te leggen op biljart. (denkt even na) Vreemd hoe het leven kan lopen, hè. Was die transfer doorgegaan, dan was ik voetballer geworden, en geen biljarter. Misschien een degelijke voetballer, maar zeker niet de beste van de wereld.

Jaren terug vroegen ze aan Johan Cruijff voor wie hij de grootste bewondering had. Zonder nadenken zei hij: Raymond Ceulemans. Fantastisch vond ik dat.

Heb je spijt van iets?

Eén iets vind ik jammer. Als je dertig jaar wereldwijd de beste bent, dan zou je een goede frank moeten verdienen. Dat was niet het geval. Mocht ik het kunnen herdoen, dan zou ik stouter zijn, zakelijker. Zo, en niet anders. Anders kom ik niet. Maar goed, ik wil niet mopperen. Dat mag je niet doen als je een oude man bent. (lacht) Ik heb de biljart tot mijn dertigste gecombineerd met mijn job als diamantbewerker. Daarna zijn mijn vrouw en ik een biljart- en horecazaak begonnen in Grobbendonk. Pas in 1985 kon ik prof worden.

Biljart, is dat nu een sport of een spel?

(resoluut) Een sport. Of wacht, ik druk me beter uit: biljart is sport, kunst én cultuur. Kijk eens hoe afgelikt wij aan de tafel staan. Geen hooliganisme aan de kant. Dat is een cultuur.

Krijg je de naam Philippe Muyters (Vlaams minister van Sport) alweer over je lippen?

Ja, dat wel. Maar hij heeft mij pijn gedaan. Hij zei eens dat biljart geen sport is. Ik neem dat niet. (feller) Ik ben sportman van het jaar geworden in 1978. Wat was dat dan? Klopte dat dan niet? Ik heb hem zwaar aangevallen daarop. Ik heb hem ook persoonlijk aangesproken. Hij klonk al veel gematigder toen.

Hoe vul jij vandaag je dagen?

Met vanalles en nog wat. We zijn onlangs verhuisd naar een appartement in Berlaar. Mét ruimte voor mijn biljart. (lacht) Onze woning was te groot geworden, en al zeker de tuin. Ik kon dat niet meer aan. Ik kom hier ook vaak, in de Mister 100. Met de familieploeg (Raymond, zijn twee zonen, en twee van zijn kleinzonen, red) spelen we nog steeds in de hoogste klasse. Dat maakt me fier. Mensen zeggen soms: Raymond, biljart, dat is toch een belangrijk deel van je leven? Dan zeg ik: neen, biljart, dat ís mijn leven. Ik heb onlangs wel een klop gehad. Een pacemaker moeten laten steken, eind januari. Dat heeft mijn vertrouwen aangetast. Ik voelde dat ik niet langer alles zelf in de hand had. Maar de operatie is goed verlopen. De dokters verzekeren me dat ik nu safer ben dan voordien. En ik voel me ook goed.

Je wordt er 80 in juli. Doet je dat wat?

Ja, toch wel. Hoe ouder je wordt, hoe meer vrienden verdwijnen uit je leven. En dat begint pijn te doen. Je denkt meer na. Over de dood. (zachter) Gedenk o mens, dat gij van stof en as zijt en tot stof en as zult wederkeren. Dat geloof ik ook. Dood is dood. Dan is het voorbij.

Ben je bang voor wat komt?

Een beetje wel. Ik heb eigenlijk maar één wens. (met krop in de keel) Dat ik mijn echtgenote niet verlies. Dat ze mij eerst pakken. (zwijgt even) Sorry, dit is zwaar voor mij. Ik ben heel emotioneel op dit vlak. Dat mag toch, hè. Ik denk dat dat menselijk is.

Absoluut. Jullie zijn 57 jaar getrouwd, onvoorstelbaar. Wat is je geheim op dat vlak?

Weinig thuis zijn. (lacht) Neen, het was niet altijd makkelijk voor mijn echtgenote. Die is even straf als ik, hoor. Als ze al niet straffer is. Zonder haar zou mij dit nooit gelukt zijn. Dat weet ik zeker.