Hij durft wel eens zeggen dat hij de grootste aller tijden is. Zijn palmares is ontegensprekelijk indrukwekkend: vier keer wereldkampioen, tien keer na elkaar Belgisch kampioen. De jaren tachtig waren van Roland Liboton. Vandaag is de Brabander zestig en ploetert hij als parcourskeurder nog steeds in de modder. Cyclocross is zijn leven.

Hij zwaaide in 1992 af, in stilte, na een grootse carrière van vijftien jaar. Hij begon een café in zijn thuisbasis in Rillaar. Drie jaar zou hij dat doen. “Tot ik van de stress en het werk elf kilogram afgevallen was”, lacht hij. Hij werkte nadien nog voor Nike, verkocht kippen op de markt, noem maar op. Vandaag niet meer. Vandaag is hij alleen nog parcourskeurder. “Ik doe dat graag, en ik kan dat goed.” We hebben afspraak in een brasserie in Lier, zijn nieuwe thuisbasis. Liboton heeft een zwarte zomer achter de rug. Zijn moeder is gestorven. Een harde klap waarvan hij moeilijk herstelt. “Ik heb in heel mijn leven één keer echt ruzie gemaakt met haar. Een maand voor ze stierf. Over dagelijkse klap. We hebben de kans niet gekregen dat goed te maken. (even stil) Dat doet veel pijn. In het dodenhuis, waar ze opgeborgen lag, ben ik even alleen geweest en is er veel losgekomen. Ik heb dingen kunnen zeggen die ik voordien niet kon. Dat heeft toch iets goed gemaakt.”

Hoe gaat je vader ermee om?

Dat was een serieuze klap. Hij kan het niet aanvaarden. Ons vader is een stille man geworden. Hij is er 81 nu. (zucht diep) We hebben ons deel wel gehad dit jaar. Enkele weken na ons moeder verongelukte ook mijn schoonbroer. Met zijn auto op een middenberm gereden. Zijn slijpschijf, die achterin zijn wagen lag, is door zijn kop gevlogen. Hij was er nog maar 58. Een goede vent, de Patrick.

Jij bent er 60 geworden dit jaar.

En ik heb het daar vreselijk moeilijk mee. Ik kan het moeilijk aanvaarden. Ik weet: ik heb een goed leven gehad. Ik heb grote dingen bereikt in de koers. Ik heb mijn kinderdroom waargemaakt. Ik heb ook tegenslag gekend. Maar plots. (zwijgt even) Je leven lijkt voorbij. Ik heb nog één droom: gezond blijven, zolang mogelijk.

Je hebt geen kinderen. Is dat een gemis?

Neen. Ik zie doodgraag kinnekes. Maar niet voor mezelf. Als ik thuis ben, wil ik mijn gedacht kunnen doen.

Waren je ouders belangrijk in je carrière?

Heel belangrijk. Wij hadden het niet breed thuis. Mijn vader en moeder waren harde werkmensen. Toch mocht ik stoppen met school om coureur te worden. Ik weet nog goed dat ze een bal organiseerden om mijn eerste fiets te kunnen kopen. Mijn ouders, mijn grootouders, mijn nonkel: ze waren allemaal gek van de koers. Ze deden alles voor mij.

Wie zou jij zonder de koers geworden zijn?

Een teruggetrokken man. Ik ben een bosmens. Na mijn afscheid, en na het café, heb ik jaren afgelegen gewoond in een villa in Averbode aan de bossen. Ik wou alleen zijn, geen aandacht meer. Wandelen met mijn hond was mijn favoriete bezigheid. Tot ik mijn vrouw ben tegengekomen, Annemie. Zij heeft mij overtuigd terug naar de koers te gaan. En ik heb er geen spijt van. Annemie is een goede vrouw. Maar de natuur is nog steeds mijn grote passie.

“Ik heb één keer echt ruzie gemaakt met mijn moeder. Een maand vóór ze stierf. Dat doet veel pijn.”

Ik lees ergens dat je in het begin van je carrière minachting voelde van tegenstanders voor dat ‘boerke uit Rillaar’.

Ik was van Brabant. En de goede coureurs kwamen toen uit de Vlaanders. Dat was keiharde concurrentie. Eén keer heb ik écht minachting gevoeld. Ik vergeet dat nooit. Ik was 19 toen ik voor het eerst zou crossen in Zwitserland, hét land van de cross toen. Albert Zweifel was er de grote held. Hij won alles. Ik wou me omkleden in een kleedkamer in de sporthal. Zweifel en drie andere Zwitsers zaten daar binnen. ‘Eruit’, riep hij me toe in dat harde Duits. Ik ben die man gaan haten. Ik zeg dat eerlijk. Ik zei toen tegen mezelf: die gaat mij leren kennen. Ik heb hem geklopt. We waren met twee weg in de laatste ronde. Ik zag zijn rode kop. ‘Zwaar vandaag, Albert’, riep ik hem toe, en ik was weg. Van dan af was ik koning. (lacht)

Stonden de mooie vrouwen aan te schuiven voor de nieuwe koning?

Wat denk je? (lacht) Je ziet er goed uit, toen toch, je hebt een sjieke bak, je bent de beste coureur. Ik moet er toch geen tekeningske bij maken? Wout van Aert en Mathieu van der Poel maken dat ook mee. Al zijn de tijden veranderd. Wat was er toen belangrijk voor een jonge gast? Een knap lief en een schone auto. Wij gaven ons geld uit aan dommigheden. Ik kocht een Lotus Turbo Esprit, een witte bak. Ongezien toen. Ik was ook de eerste coureur met een dubbeldekker. Maar ik heb ook financiële problemen gekend. Was ik Annemie vroeger tegengekomen, dan zou dat anders uitgedraaid zijn. Vandaag worden jonge gasten financieel goed begeleid.

Was jij een feestvierder?

Neen. De gazetten schreven dat wel: dat ik zat aan de toog stond. Larie. Tot mijn 45e wist ik niet hoe een pint smaakte. Alcohol zegt mij niets. Je zal mij op de VIP nooit champagne zien slurpen. Dat interesseert mij niet. Ik kan niet tegen zatte mensen. Wat doen die? Zagen en liegen.

Vanwaar die afkeer?

Wellicht heeft dat te maken met mijn jeugd. Ik sliep bij mijn grootouders. Zij woonden op honderd meter van ons thuis. Mijn nonkel, die gek was van de koers, woonde daar ook. Het gebeurde dat hij dronken thuis kwam en de hele nacht van zijn kloten maakte. Ik kon niet slapen dan. Dat heeft me wellicht gehard op dat vlak.

Op wat ben je het fierst: je vier wereldtitels of je tien opeenvolgende Belgische titels?

Dat is een moeilijke vraag. Ja, een wereldtitel staat boven een Belgische titel. Maar tien keer na elkaar Belgisch kampioen worden is toch uitzonderlijk. Sven Nys heeft er zijn tanden op stuk gebeten. Dat wil iets zeggen. Je moet elk jaar in vorm zijn.

“Ik kan niet rond de pot draaien. Moet ik daar spijt van hebben?”

Was de concurrentie toen groter dan vandaag?

Natuurlijk. Ik kan je direct zeven grote namen noemen van de jaren tachtig. Wie heb je vandaag? Mathieu en Wout. Dat is spijtig. Ik zie anderen die goed zijn. Maar ze leggen zich veel te snel neer bij de suprematie van die twee. Als ik destijds dacht dat een ander beter was, dan ging ik dag en nacht trainen. Die drang voel ik vandaag niet. Of ze hebben de ballen niet.

Heb jij spijt van iets?

Ik had meer op de weg moeten rijden. Ik kon Parijs-Roubaix winnen. Of een rittenkoers van een week. Ik heb eens meegedaan aan de Tour zonder enige voorbereiding, in 1981. Fons De Wolf, onze kopman, belde mij enkele dagen voordien op. ‘Zet je valies maar klaar, je moet invallen.’ Ik heb uiteindelijk meegereden tot de vijftiende etappe. En ik heb opgegeven omdat ik geen risico’s wou nemen voor het crossseizoen. Ik heb er nog spijt van. Ik zat niet eens kapot.

Heb je nooit spijt van je straffe uitspraken? Of doe je die bewust om leven in de brouwerij te brengen?

Ik zeg de waarheid. Ik kan niet rond de pot draaien. Moet ik daar spijt van hebben? Af en toe wil ik wel eens iemand prikkelen. Maar dan krijg ik die mannen tegen mij. Wout was ook eens boos. Maar we hebben dat snel bijgelegd.

Om af te sluiten, de eeuwige vraag: wie is nu de grootste crosser aller tijden?

Ik was dat in mijn tijd, Sven Nys was dat in zijn tijd, Mathieu en Wout zullen dat zijn in hun tijd. (lacht) Ja, ik weet: ik heb nog gezegd dat ik de grootste ben. Maar wat doe je als je vijfhonderd keer die vraag krijgt? Dan flap je er wel eens iets uit. Maar nuchter bekeken, weet ik dat je de tijden niet kunt vergelijken.

Het sportrapport van Roland Liboton

Als kind was mijn idool …

Eddy Merckx, de grootste sportman ooit.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

(denkt na) Neem maar Mathieu van der Poel: hij is top.

Mijn mooiste sportmoment?

Voor het eerst wereldkampioen worden, in 1980 in het Zwitserse Wetzikon. Ik heb toen Zweifel en die anderen op hun donder gegeven in eigen land.

Mijn grootste ontgoocheling?

Het WK in Lembeek in 1986. Ik was topfavoriet. Maar ik kwam ziek aan de start. Ik had niet mogen starten. Ik heb die nederlaag jaren moeten aanhoren.

(foto belga)