Fascinerend man, die Ronald Gaastra (58). Zegt wat hij denkt. Zelden omfloerst. Zijn Nederlandse genen wellicht. Vlaanderen sloot hem in de armen toen hij ‘Fredje’ Deburghgraeve naar goud loodste in Atlanta. Twintig jaar later herhaalde hij dat huzarenstukje met Pieter Timmers, naar zilver weliswaar. Een topcoach dus.

We hebben afspraak in een brasserie in Berchem, waar Gaastra woont. “Ik doe interviews liefst zo, met een hapje eten erbij.” Hij is een levensgenieter geworden, lacht hij. “Door eerst van Vught naar Maastricht te verhuizen, en later naar Antwerpen. Hoe zuidelijker je trekt, hoe meer de mensen genieten van het leven. Dat is het grootste verschil tussen België en Nederland. Frankrijk en Spanje zijn nog meer à l’aise. Als je noordelijker trekt, verloopt het leven veel strikter. Ik ben opgegroeid in Haarlem. Mijn ouders verdienden goed hun brood, maar op restaurant gingen wij nooit, hoogstens eens een Chineesje afhalen. Ik heb liever zoals in België. Ik denk niet dat ik Antwerpen ooit verlaat. Ik hou van de stad, van haar diversiteit. Ik zat onlangs in Chinatown, bij een acupuncturiste. Heerlijk, toch? Ik blijf wel punctueel, dat zit erin.”

Was jij als kind een begenadigd zwemmer?

Ik was een fatsoenlijk zwemmer, geen topper. Ik ben te laat gestart, ik was al 13. Korfbal was mijn eerste sport. Was ik vroeger gestart, en mét de juiste begeleiding, was ik misschien eens Nederlands kampioen geworden. Ik ben gestopt toen ik 18 was. Ik wou studeren, op sportkot, en zwemcoach worden.

Laat me raden: was dat niet gelukt, dan was je leraar geworden.

Helemaal juist. (lacht) Het zit in mij om een ander te vertellen wat hij fout doet. Ik kan het niet laten. Ik doe het ongevraagd, en overal. In het bad, op de golfbaan, op de tenniscourt. Als ik iemand zie bewegen, wil ik mijn mening geven. Dat is ook mijn kwaliteit. Ik kan mensen enthousiasmeren. Vertellen wat ze moeten doen, en waarom.

Hoe ben je destijds in België verzeild geraakt?

Dat was in 1989. Ik was toen zwemcoach in Maastricht. Ik kreeg de kans voltijds technisch directeur te worden van de Vlaamse Zwemfederatie.

“Ik trek mij als coach van niemand iets aan”, zeg je vaak. Is die koppigheid de sleutel tot succes?

Een eigen visie hebben, dat is de sleutel. Dat staat niet gelijk aan koppigheid. Ik werk nu dertien jaar voor Brabo (Antwerpse zwemclub, red) en moet er zelden koppig zijn, want de mensen volgen mij. Ik weet wat nodig is om succes te halen. Dat heb ik al bewezen. Een coach moet in de eerste plaats de juiste omstandigheden creëren voor zijn atleet. Rust, regelmaat en ritme: die pijlers zijn cruciaal. En de vierde cruciale R, dat is die van Ronald. (knipoogt)

“Dat Louwagie mij een egoïst noemt? Raakt mij niet. Domme man, denk ik dan.”

Die eigen visie leidt ook tot conflicten. De nationale zwemvoorzitter, Michel Louwagie, noemde je een egoïst na de estafettesaga in Rio.

(droog) Dat raakt mij niet. Domme man, denk ik dan. Ik waarschuwde een jaar voordien al voor problemen. Ik wist dat Pieter individueel een medaille kon halen. De estafetteploeg kon hoogstens zesde worden. Dan weet je het wel. Ik zou een volgende keer net hetzelfde doen. Een man die in zijn vrije tijd toevallig voorzitter is, hoeft mij niet te zeggen wat ik moet doen. Als ik jou zou zeggen dat je niet goed schrijft, zou je toch ook denken: rot op, man, wat weet jij ervan. Ik sta open voor kritiek, maar dan van mensen met kennis van zaken.

Ben je daarom sinds vorig jaar geen hoofdtrainer meer van de Vlaamse federatie? Je combineerde dat met Brabo.

De voorzitter (Johnny Van der Straeten, red) wou mij niet meer om persoonlijke redenen. Ik weet waarom, maar weid er liever niet over uit.

Is dat al verteerd?

O ja. Ik doe vandaag hetzelfde als toen. Ik begeleid mijn Antwerpse toppers binnen en buiten België. Alleen is dat nu louter in dienst van Brabo en verdien ik iets minder. Maak ik mij geen zorgen om. Ik heb destijds in Maastricht gewerkt voor 400 euro per maand. Dan fiets je een kilometer verder naar de bakker wiens brood vijf cent goedkoper is. Ik ben niet rancuneus. Ik ga de federatie of Louwagie heus niet tegenwerken. Maar ze moeten ook niets meer van mij verwachten. De afdeling pleziertjes is voor hen gesloten.

Heb jij conflicten nodig?

Dat denk ik niet. Ik word er wel door uitgedaagd. Als ik met mijn rug tegen de muur sta, word ik scherper.

Heb jij vrienden in de sport?

O ja. Fred is een vriend. Altijd al. Het klikt gewoon tussen ons. We gaan nog steeds eens per jaar iets eten samen. Ik hou niet van verstoppertje spelen, of achterbaks gedoe. Fred is net zo. Kimberly Buys zou ik ook een vriendin noemen.

En Timmers?

Met hem heb ik een heel goede professionele relatie. Wij gaan niet uit eten met de vrouwen erbij. Ik vind dat goed zo. Als je closer bent, is het moeilijker om echt hard te zijn voor elkaar.

“Als Timmers nu niet presteert, dan krijgt hij met mij te doen. Het excuus van het vaderschap is voorbij.”

Wie is de beste: Fredje of Timmers?

Goud staat boven zilver. Simpel. Fred heeft meer bereikt, dus hij is de beste.

Timmers was het voorbije seizoen minder goed. Is het vaderschap een geldig excuus?

Dat vind ik wel. Pieter vond dat zijn prioriteit, en dus steun ik hem daarin. Maar dat excuus is nu voorbij. Dat zeg ik hem ook. Als hij nu niet presteert, dan krijgt hij met mij te doen. Hij was onlangs met vakantie. Ik heb elke dag een bericht gestuurd: ben je al aan het trainen, jongen? (lacht) Fysiek kan hij zeker nog mee tot Tokio 2020. De vraag is of hij dat ook sociaal kan opbrengen. Dat moet hij zelf bepalen.

Heeft hij zijn olympische medaille kunnen verzilveren?

Verdient hij beter zijn boterham? Ja. Zal hij nog moeten werken na zijn carrière? Ook ja. Natuurlijk droomt hij van meer geld. Als voetballer was hij binnen geweest. Maar dat zeg ik hem ook: Pieter, jij bent geen voetballer.

Een voetbaltrainer met jouw palmares is ook binnen.

Maar ik niet. Ik zal moeten werken tot mijn 65e. Ik treur daar niet om. Als je zwemcoach bent, weet je dat. Dan moet je niet zagen. Ik doe waar ik goed in ben. Ik ben ervan overtuigd dat Fred met een andere coach niet die resultaten zou behaald hebben. Idem voor Pieter. Al zal mijn aanpak bij andere zwemmers wellicht niet werken. Je moet een klik hebben. Maar geld is nooit mijn eerste drijfveer geweest. (zwijgt even) Ik had wel graag eens geproefd van een andere sport. Zou ik er ook een olympische medaille kunnen halen? Golf bijvoorbeeld, mijn grote passie. Of atletiek. Ik denk van wel. Maar ik heb die stap nooit gezet. Daar heb ik wel wat spijt van.

Hoe zie jij je toekomst?

Ik zit tot Tokio goed in Antwerpen. Brabo doet het echt goed. En de samenwerking met de stad is uniek. Ik was pissed off toen Patrick Janssens burgemeester af was. Ik had zelfs voor hem gestemd. Maar nu is Bart De Wever aan zet, en ook hij doet het prima. Wat na Tokio komt, weet ik nog niet. Wat zwaar wordt, fysiek en sociaal, is dagelijks om 6 uur aan dat bad staan. Ik word ouder. Punt. Ik heb al eens een middagdutje nodig. Ik heb ook twee jonge kinderen (Rienke, 7, en Cille, 4, red). Ik was vaak afwezig voor mijn oudste kinderen (Lars, 25, en Mette, 24, red). Pa, ik heb je vaak gemist, zei Lars toen hij 15 was. Ik wil dat niet opnieuw. Ik heb na Rio een lucratief aanbod gekregen uit het oosten. Ik kon er 250.000 euro per jaar verdienen, plus kosten. Dat is een smak meer dan nu. Ik heb neen gezegd. Voor mijn kinderen en vrouw (criminologe Tine Vertommen, red).

 

 

Het sportrapport van Ronald Gaastra

Als kind was mijn idool …

Muhammad Ali en Johan Cruijff. Ik stond ’s nachts op om naar Ali te kijken.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Mensen met persoonlijkheid, niet te grijs. Tiger Woods bijvoorbeeld. En destijds Michael Jordan.

Mijn mooiste sportmoment?

Goud met Fred op de Spelen van Atlanta in 1996. Ik heb zoveel meegemaakt met Fred en zijn familie. Dat zijn vrienden voor het leven.

Mijn grootste ontgoocheling?

Vind ik moeilijk. Kan ik niet zeggen.

(foto belga)