ANZEGEM Vier jaar geleden wou hij stoppen met koersen na een teleurstellend voorjaar. Ook dit voorjaar draaide uit op een ontgoocheling voor Sep Vanmarcke. Maar stoppen wil de 30-jarige West-Vlaming niet meer. Met dank aan zijn vrouw, zijn mental coach en vooral zijn drie kinderen.

 

De El Dorado, dat is onze plek van afspraak. Een treinstation dat een metamorfose onderging tot koffiebar. Mijn gesprekspartner houdt van koffie. Liefst een latte, of toch iets met melk. Voor een koers kapt hij enkele espresso’s binnen. Zo straf mogelijk. “Echt waar: ik kikker daar helemaal van op.” De man uit Anzegem is twee weken geleden vader geworden van Maurice, zijn derde oogappel, na Lucie en Marcel. “We wilden drie kindjes en liefst snel na elkaar. Dat is gelukt. Maar nu is het genoeg. (lacht)”

Moet een wielrenner ’s nachts opstaan?

Neen. Of ik toch niet. Gelukkig maar. Ik zou het niet kunnen. Nu we drie kinderen hebben, gebeurt het wel eens dat ik toch opsta, omdat het te veel is voor mijn vrouw. Ik voel dat echter de dag nadien. Je kan niet behoorlijk trainen. Als de belangrijke wedstrijden eraan komen, ga ik wellicht weer in een afzonderlijke kamer slapen. We hebben goede afspraken gemaakt, Hanne en ik. Zij is nu even gestopt met werken om voor de kinderen te zorgen. Anders zou dit niet haalbaar zijn. Vergeet niet dat ik meer dan tweehonderd dagen per jaar in het buitenland zit.

Wat zijn je doelen deze zomer?

Ik werk nú naar het BK toe. Dat is het eerste doel. Daarna de najaarsklassiekers, vooral die van Montreal en Quebec in Canada. De Tour ga ik niet doen. Ik heb er geen zin in. Ik heb de ploeg gevraagd om mijn naam te schrappen (het Amerikaanse EF Education First, red). Ik heb vijf keer deelgenomen, en vier keer heb ik me niet geamuseerd. Ik vind de koers té gecontroleerd. Wie wil presteren in de Tour, moet ofwel klimmer ofwel sprinter zijn. Een renner zoals ik kan daar niets doen. Ik concentreer me dan liever op de klassiekers. Ik hoop daar eindelijk nog eens een ticket te bemachtigen voor het WK.

Je was ontgoocheld na het voorjaar. Mag ik dat zeggen?

Zeker. Iets anders zeggen, zou vreemd zijn. (lacht) Ik was niet goed in De Omloop, maar dat kon ik nog plaatsen. Ik wou niet te vroeg in vorm zijn. Maar dan kwam Harelbeke, hè. (zucht) Een valpartij aan zeventig per uur. De gracht in. Mijn knie kapot. Dat was de start én het einde van het voorjaar.

Toch sta je tien dagen later aan de start van de Ronde van Vlaanderen. Een klein mirakel.

Dat mag je wel zeggen. Ik moet Lieven Maesschalck dankbaar zijn. Hij heeft op enkele dagen tijd een MRI én een befaamde kniespecialist geregeld. Zonder zijn netwerk had ik weken moeten wachten. “We gaan ervoor”, zei Lieven. “Of je aan de start verschijnt, zal afhangen van je pijngrens.” Die bleek uiteindelijk redelijk hoog. Ik ben blij dat ik mijn rol heb kunnen spelen voor mijn ploegmaat Bettiol (de winnaar, red).

Eén week later dan Parijs-Roubaix. Had je die kunnen winnen?

Jawel. Ondanks alles. Ondanks die val in Harelbeke én ondanks mijn kapotte versnellingsbak op Carrefour de l’Arbre. Het is eigenlijk onwaarschijnlijk dat ik daar nog vierde ben geworden. Ik voelde me écht goed. Zonder die pech sprintte ik mee voor de overwinning.

Word je daar niet moedeloos van?

Heb je mij niet gezien op televisie? Ik was héél emotioneel. Maar dat duurt maar enkele uren. Ik kan dat van me afzetten. Dat was ooit anders, moet ik toegeven. Ik heb op het punt gestaan om te stoppen. Dat is nu vier jaar geleden. Dat was het eerste voorjaar dat ik móest presteren. Maar het lukte niet, onder meer door pech. Ik kreeg veel kritiek van de media. Ik stak dat in mijn kop. Ik ben toen echt gecrasht. Ik wou stoppen na de Tour. Ik heb weken niet op een fiets gezeten. (even stil) Gelukkig had ik toen net mijn vrouw leren kennen. Ik ben toen ook gaan werken met een mental coach. Die heeft mij doen inzien dat ik weer plezier moet beleven aan de fiets.

“Ik weet nu dat ik mezelf niet in een slachtofferrol moet wentelen. Ik ben géén slachtoffer.”

Denk je vandaag écht anders?

Jawel. Ik weet nu dat ik mezelf niet in een slachtofferrol moet wentelen. Ik ben géén slachtoffer. Zie mijn drie fantastische kindjes. Die bepalen mijn levensgeluk, niet de koers.

Toch blijft het wachten op die ene grote vis.

(knikt) Dat zou mijn palmares in een ander perspectief plaatsen. Ik denk dat ik al tien keer op een podium stond van een klassieker. Ik droom ervan één keer Vlaanderen of Roubaix te winnen. Dan zou mijn carrière af zijn.

Wat zou jij geworden zijn zonder de koers?

(denkt na) Wellicht iets in de bouw. Een arbeider. Ik kom uit een eenvoudig gezin. Mijn vader was leraar wiskunde, mijn moeder huisvrouw. Wij hebben altijd zélf moeten werken als we iets wilden hebben. School was niets voor mij. Ik heb metaal gedaan aan het VTI. Ik wist toen trouwens niet dat ik prof kon worden. Integendeel. Waarom zou ik? Ik was de vijfde van vijf kinderen. De vier oudsten hadden ook gekoerst. Zij waren ook geen prof geworden. Ik heb na mijn middelbaar even regentaat LO geprobeerd, maar dat bleek te hoog gegrepen. Ik ben dan gaan werken als klusjesman in een vleeswarenbedrijf. Maar plots begon ik uit te blinken op de fiets. Ik was negentien. Gaat dat hier dan toch lukken voor mij? (lacht) Ja, dus.

Je bent je carrière begonnen in Amerika.

Ik heb eerst voor Topsport Vlaanderen gereden. Daarna inderdaad Garmin. Ik wou een ploeg die mij de ruimte zou geven om mezelf te ontwikkelen. Ik wou niet één van de zovelen zijn bij pakweg Quick-Step. Ik kon bij Garmin ook veel leren van mannen als Vansummeren en Maaskant. Ik heb later enkele seizoenen voor het Nederlandse Lotto gereden, maar ben uiteindelijk toch teruggekeerd naar Amerika. Ik miste de cultuur. Ik voelde me opgesloten in Nederland. Ik wou meer vrijheid.

Hoe zie je je toekomst?

Goede vraag. Ik denk daar vaak aan. Ik heb twee opties. Ofwel iets in de koers, ofwel iets in de bouw. Dat zijn mijn twee grote passies. Ik ben niet bang van het zwarte gat. Maar dat is nog niet voor meteen. Ik denk dat ik nog zeker vijf jaar mee kan. Het voornaamste is dat mijn kop mee wil. Zolang ik mij mentaal goed voel, ga ik door.