JABBEKE Of hij ooit een opvolger krijgt? “Ik mag het hopen.” Steve Ramon kan lachen om de vraag. Toch doet het hem pijn, de teloorgang van zijn sport, de motorcross. Na decennia van weelde is de West-Vlaming al elf jaar de laatste Belgische wereldkampioen.

Steve Ramon (39) is een man van weinig woorden. Héél West-Vlaams zouden ze in West-Vlaanderen zeggen. Op dat vlak hoort hij niet thuis in het rijtje van zijn illustere voorgangers, allemaal flamboyante figuren zoals Eric Geboers, Joël Smets en Stefan Everts. Op vlak van palmares hoort hij daar wél thuis. Of wat dacht je van zijn talrijke Belgische titels, twee keer de befaamde Motorcross der Naties, twee wereldtitels, één in de MX2 en één in de MX1, zeg maar de koninginneklasse. Een doodssmak op 30 juli 2011 betekende echter het vroegtijdige einde van zijn carrière.

We hebben afspraak in Jabbeke, zijn heimat die hij al die jaren trouw is gebleven. Even verderop wonen zijn ouders, zijn steunpilaren tijdens zijn carrière. Ramon stráált, en dat heeft niets met mijn aanwezigheid te maken. Hij heeft goed nieuws te melden. “Eind juni word ik voor het eerst papa”, zegt hij. “Ik ben héél gelukkig. Dat zal mijn leven veranderen. Ik denk en hoop in positieve zin. Ik kijk er echt naar uit.”

Was het moeilijk om een nieuw leven op te bouwen na de sport?

Ja. En nóg. Ik sta nog niet waar ik wil staan. Let op: ik ben gelukkig, hoor. Mijn leven is mooi. Ik help wat mee in het bouwbedrijf van mijn vader, ik begeleid Jago Geerts, een jong talent in de MX2, en ik doe zelf wat strandraces in het noorden van Frankrijk. Maar toch. (even stil) Ik sta open voor een nieuwe uitdaging. Dat hoeft zelfs niet in de sport te zijn.

Aan wat denk je?

Dat weet ik niet. We zien wel wat op mij afkomt.

Die strandraces, waarom doe je die?

Ik hou nog te veel van mijn motor. Dit is pure passie. Ik heb heel abrupt afscheid moeten nemen. Dat was moeilijk. Ik was van plan om nog minstens twee jaar verder te doen. Maar na die val was het onmogelijk terug te keren op het hoogste niveau. Nu opnieuw presteren in die strandraces, voelt héél speciaal aan.

Volgend weekend staat de befaamde race van Le Touquet op de agenda. Start jij daar als één van de favorieten?

Neen, dat denk ik niet. Ik heb die al eens gewonnen, in 2011. Maar dat was vóór mijn val. Toch rijd ik niet mee om het pak te vullen. Ik wil góed rijden. Dat is de sportman in mij. Ik sluit een tweede overwinning niet uit.

Jij bent nog steeds de laatste Belgische wereldkampioen. Wat doet dat met je?

Dat maakt me blij en triest. Ik ben heel fier op die titel. Anderzijds betekent dat ook dat onze sport het moeilijk heeft in België. Dat doet pijn. We zijn natuurlijk héél verwend geweest met Stefan en Joël. Clément Desalle en Jeremy Van Horebeek zijn goede piloten, maar net niet goed genoeg om wereldkampioen te worden. Dat is geen schande. Die mannen moeten het opnemen tegen kleppers zoals Cairoli en Herlings.

Wat kan ik doen? Joël Smets en Stefan Everts hebben al van alles geprobeerd.

Zit het probleem niet dieper?

Ja, natuurlijk. Het gebrek aan trainingscircuits, hè. Ik heb in mijn tijd ook moeten uitwijken naar het noorden van Frankrijk. Toen waren er vooral goede circuits in de Kempen en Limburg. Maar ook die zijn aan het verdwijnen. En niet iedereen heeft de mogelijkheid om uit te wijken naar het buitenland. (denkt na) Alles hangt samen. Wil je een nieuwe lichting, dan moet je trainingscircuits aanbieden. Liefst één in elke provincie. Alleen zo zullen nieuwe toppers opstaan, en nieuwe toppers zorgen voor media-aandacht. Maar elke keer iemand een nieuw circuit oppert, staat er een actiegroep klaar om protest aan te tekenen. Je vraagt je af waarom.

Moet jij de handschoen niet opnemen?

(blaast) Wat kan ik doen? Joël en Stefan hebben al van alles geprobeerd. Ik ben ook niet de man die op tafel gaat kloppen. Dat zit niet in mij. Ik weet zelfs niet of dat een verschil zou maken. Ik ben geen grote babbelaar. De media weten dat. (glimlacht) Ik hield van mijn sport. Maar al wat daarbij kwam, hoefde niet voor mij.

Zal jij je hele leven de laatste Belgische wereldkampioen zijn?

Ik mag hopen van niet. (lacht)

Hoe is de cross op jouw pad gekomen?

Dankzij mijn pa: hij reed zijspancross. Hij was goed. Hij is twee keer vicewereldkampioen geworden. Ik was amper vier toen ik voor het eerst op een motor zat. Ik heb dat exemplaar nog altijd thuis staan. Maar pas later, toen ik vijftien was, wist ik dat ik iemand kon worden. Ik ben toen met spijt in het hart gestopt met voetballen.

Eric Geboers zei eens over jou: “Steve mist één iets: agressiviteit. Hij is te braaf en dat heeft hem veel overwinningen gekost.”

Ik ben zo. Dat is mijn stijl. Ik weet niet of mij dat overwinningen heeft gekost. (aarzelend) Misschien. Misschien ook niet. Ik denk eigenlijk van niet.

Of mijn kind mag motorcrossen? Ik ga dat niet stimuleren

Wat betekende Eric in jouw leven?

Veel. Ik heb jaren voor zijn team gereden, Suzuki. Ik kon álles vragen aan Eric. Al moest hij tweehonderd kilometer rijden om materiaal te halen, hij deed dat. Zijn overlijden vorig jaar kwam hard aan. Ik had jarenlang nauw samengewerkt met hem. Eric was een uniek figuur, een grote persoonlijkheid. Ja, dat was even slikken.

Welke balans maak jij op van je carrière?

Ik ben abrupt moeten stoppen. Dat was spijtig. Maar verder kan ik alleen maar fier zijn. Ik heb bereikt wat ik wou bereiken. Die wereldtitel in de MX1 maakt mijn palmares áf.

Jij trad toen in de voetsporen van Stefan Everts. Toch heb je de verwachtingen niet helemaal kunnen waarmaken. Akkoord?

(blaast) Neen. Ik was geen Everts. Hij was al wereldkampioen op zijn achttiende. Dat is een ander niveau. Dat is ook nooit mijn doelstelling geweest. Ik wou één keer wereldkampioen worden. Dat is mij gelukt. Ik ben het zelfs twee keer geworden. Al wat erbij kwam, was welkom.

Hoe is het trouwens met Everts? Hoor jij hem nog?

Ik zie hem wel eens op het circuit. Maar ik weet niet hoe het nu met hem is. Ik lees de kranten en weet dat hij na een malaria-aanval even in kritieke toestand was. Zijn familie vroeg wat rust aan de buitenwereld. Ik respecteer dat ook.

Jij bent ook eens aan de dood ontsnapt. Al wie de motorcross volgt, herinnert zich nog die val op 30 juli 2011 in Lommel. Wat weet jij nog daarvan?

Dat was de kwalificatiewedstrijd op zaterdag. Ik nam een bocht, raakte vast in een put en werd over mijn stuur geslingerd. Ik kwam neer op mijn nek en hoofd. Dat was inderdaad een doodssmak.

Was je bij bewustzijn?

Ja. Je weet meteen dat je carrière voorbij is. Je voelt dat. Of beter: ik voelde niets meer. Ik was volledig verlamd. Ik heb álles opnieuw moeten leren. Dat heeft maandenlang geduurd.

Heb je uiteindelijk nog geluk gehad?

Ja, dat denk ik wel. Dat kon anders afgelopen zijn, hè. Ik ben aan de dood ontsnapt. Wie van die hoogte op zijn nek en hoofd valt, loopt dat risico. Of ik kon in een rolstoel beland zijn. Vraag me niet hoe ik daarmee zou omgegaan zijn. Ik wil daar niet over nadenken. (even stil) Ik heb gevreesd voor mijn leven. De dokter stelde mij nochtans gerust. Maar toch. Ik voelde niets in mijn armen en benen. Ik ben heel bang geweest. Dat heeft uiteindelijk mijn leven veranderd. Voordien was er alléén motorcross. Nadien weet je dat er méér is.

En toch zit je vandaag opnieuw op die motor.

(knikt) Maar ik neem geen grote risico’s meer. Die tijd is voorbij. Dat hoeft ook niet meer.

Zou je zoon of dochter mogen motorcrossen?

Als die dat écht wil, ja. Ik ga dat niet tegenhouden. Maar ik ga dat ook niet stimuleren.