Filmregisseur Stijn Coninx over leven en werk, Tijl Uilenspiegel en de Dove Duivels

476
Stijn Coninx: "Ik sluit niet uit dat er een nieuwe film komt met Urbanus." (foto belga)

BRUSSEL – Of ik hem met baron moet aanspreken? Schei uit, lacht Stijn Coninx. De beminnelijke Limburger draagt die titel sinds Daens, zijn magnum opus en misschien wel de grootste Belgische film ooit. In oktober komt van hem Niet Schieten uit, een film over de Bende Van Nijvel. “Die wordt minstens zo goed als Daens.”

Deze zomer betekent voor hem een periode van ontspanning na waanzinnige maanden. Voor het eerst in zijn leven was Coninx (61) met twee films tegelijk bezig, die ook dezelfde maand uitkomen: Niet Schieten en Sinterklaas en de Wakkere Nachten. “Zeker die eerste heeft me helemaal leeggezogen, emotioneel dan. Ik had nood aan ontspanning. Al betekent dat niet dat ik mijn werk loslaat. Deze zomer is een mooie periode om na te denken over een volgend project. In mijn reiskoffer zit alvast het nieuwe boek over Tijl Uilenspiegel van de Duitse schrijver Daniel Kehlman.” Het verhaal over de schelm uit Damme laat Coninx niet los. Al jaren, decennia zelfs, is het zijn droom de ultieme film te maken over Uilenspiegel. “Dat verhaal is meer dan een verhaal over één man, het is een levensfilosofie. Alle grote thema’s zitten erin vervat, zeker in de versie van Charles De Coster: humor, tragedie, onrecht, liefde en de natuur. Ik denk ook dat ik het verhaal stilaan écht begrijp.”

Ik sluit niet uit dat ik opnieuw een film maak met Urbanus. Urbain en ik hebben een speciale klik.

 

Onrecht, maar ook sociale bewogenheid, het zijn thema’s die vaak de films van Stijn Coninx domineren. Of beter: die zijn leven domineren. De regisseur is voorzitter van het streekfonds ‘Een Hart voor Limburg’, en zet zich de laatste jaren ook in voor de Deaf Devils, de dove duivels zeg maar. “Als iets onrechtvaardig aanvoelt, wil ik iets doen. Ik vind het ontzettend belangrijk dat mensen die het goed hebben, zorgen voor mensen die het moeilijker hebben. We zijn allemaal met elkaar verbonden.”

Jij hebt drie kinderen die doof of slechthorend zijn. Heeft dat je gevoeligheid voor kwetsbaarheden gemaakt?

Dat speelt zeker een grote rol. Maar het is niet zo dat ik pas daarna sociaal gevoelig ben geworden. Daens was al gedraaid vóór de geboorte van mijn kinderen. Mijn allereerste project, dat uiteindelijk niet is doorgegaan, was trouwens een film over kinderen uit gemengde huwelijken die ontvoerd werden na een scheiding. Ik ben me in die materie gaan verdiepen na een programma daarover op de radio. Dat was halfweg de jaren tachtig. Ik was zó verontwaardigd dat ik iets wou doen.

Niet Schieten past ook in die rij, denk ik.

Dat klopt. De filmmaker in mij wil vaak iets doen met die verontwaardiging. Ik heb deze film gemaakt voor de slachtoffers, dit is hun noodkreet. Ik ga het mysterie van de Bende van Nijvel niet oplossen, laat dat duidelijk zijn. Let wel: dit kán opgelost worden. Mocht ik tijd hebben, zou ik rechten gaan studeren. En dán zou ik het oplossen. Ik heb trouwens getwijfeld toen ik achttien was. Het was ofwel rechten ofwel het RITCS (Royal Institute for Theatre, Cinema and Sound in Brussel, red).

Waarom is het dat laatste geworden?

Puur intuïtie. Ik voelde mij nauw verbonden met die artistieke wereld. Mijn vader was ook fotograaf. De grote trigger was de film La Nuit Américaine van François Truffaut over het maken van een film. Ik wist: in die wereld wou ik werken. En ik heb nog geen seconde spijt gehad van die keuze. Ik leef mijn droom.

Wou jij geen balletdanser worden als kind?

Dat klopt. Of choreograaf. Die wereld van de muziek sprak mij geweldig aan. Nog altijd trouwens. Ik dans heel graag. Als ik uitga, sta ik op de dansvloer. Alleen of met twee, dat maakt niet uit. (lacht)

Eén van je eerste films na je opleiding was De Leeuw van Vlaanderen. Jij was er assistent-regisseur van Hugo Claus. Hoe was dat?

Dat was een unieke ervaring. Dat was geen goede film. Maar een man als Hugo Claus mag je niet in een keurslijf stoppen. Hij werd elke dag lastiggevallen met de vraag of deze of die scène niet met tien figuranten minder zou kunnen. Dan lukt dat niet. Claus moet je vrij laten. Dat was voor mij een zeer leerrijke periode. Dé reden waarom ik Uilenspiegel niet gedraaid heb toen de financiering nochtans rond was in 1993, was een discussie met de producent, Jan Van Raemdonck, die ook de producent was van De Leeuw van Vlaanderen. Ik voelde eenzelfde gevecht aankomen. Over elk woord en elke zin werd opnieuw gediscussieerd. Ik wou dat niet. Maar Claus is me wel altijd bijgebleven. Die man is een icoon, een meester in het vertellen van verhalen. Hij was ook eenvoudig in persoonlijke kring. Het contrast met het beeld dat de buitenwereld van hem had, was heel groot. Dat fascineerde mij.

 

Jouw eerste film als regisseur was meteen een echte kaskraker, Hector. Zou die het vandaag nog goed doen?

(denkt na) Ik sluit dat niet uit. Ik zal meer zeggen: ik sluit niet uit dat ik opnieuw een film maak met Urbanus. Twee jaar geleden hebben we elkaar eens spontaan daarover gesproken. Zouden we dat nog eens doen? Urbain en ik hebben een speciale klik. Je hebt dat niet met veel mensen. Ik ben ook iemand die balanceert op de grens van ernst en humor. Je ziet dat misschien niet aan mij, maar mijn kinderen zeggen dat vaak: papa, wees nu eens serieus. (lacht) Voor een film moet je altijd je intuïtie volgen. Dat heb ik gedaan met Hector. Het is zeer fijn als dat dan uitkomt. Maar film is geen wetenschap. Je kan nooit het resultaat voorspellen.

Zie jij Daens ook zelf als je magnum opus?

Dat zal wel. Dat was zeker mijn belangrijkste film. Maar ik vind dat niet noodzakelijk mijn beste film. Ik denk dat ik als regisseur gegroeid ben de voorbije 25 jaar. Ik neem meer zelf in handen. Als ik faal, wil ik zelf gefaald hebben. Marina bijvoorbeeld: daar zat mijn persoonlijkheid helemaal in. Ik denk trouwens dat Niet Schieten minstens zo goed zal zijn als Daens. Ik vind het verhaal nóg intenser.

Na Daens ben jij tot baron geslagen door koning Boudewijn. Hoe was dat?

Dat doet iets met je. Ik zal dat niet ontkennen. Dat voelt heel even onwezenlijk aan. Maar ik sta daar niet lang bij stil. Titels zeggen mij weinig. Ik ben van nature tegen hiërarchie. Voor mijn studenten ben ik ook gewoon Stijn. Eén van mijn dochters heeft dat ook, maar dan in extreme vorm: zij spreekt op dezelfde manier tegen haar leerkrachten als tegen haar vrienden. Ik ben op dat vlak iets diplomatischer. Ik zou Boudewijn niet aanspreken met Boudje. (lacht)

Jij geeft al vele jaren les aan het RITCS. Kijken die studenten op naar jou?

(droog) Ik ben amper 1.64 meter groot, dat valt dus best mee. Neen, dat gebeurt al eens in het begin. Maar ik zet die studenten snel op de grond. Ik wil toegankelijk zijn voor hen. Ik vind dat heel belangrijk, gewoon omgaan met mensen. Zij verrijken ook mijn leven. Zij stellen andere vragen dan mensen van mijn generatie. Ik wil die voeling houden.

Iets anders. Ga jij begin augustus naar Stockholm voor het EK U21 van de Deaf Devils?

Ja. We gaan met het hele gezin. Ik kijk ernaar uit. Dat wordt mijn eerste ervaring met zo’n bijzonder tornooi. Mijn zoon Klaas is nu negentien en speelt al twee jaar in die ploeg.

Jij hebt ook meegewerkt aan de crowdfunding daarvoor. Hoe is dat gelopen?

Moeilijk, moet ik toegeven. Het opzet was om daarmee de kosten van de reis en het verblijf te betalen. Maar ik heb gemerkt dat het niet makkelijk is om fondsen te werven. De Deaf Devils behoren nochtans tot de Belgische Voetbalbond. Ik zie echter dat zij vooral hun plan moeten trekken.

Je moet eens aankloppen bij de grote sterren van de Rode Duivels.

Tja, de problemen van de voorbije maanden doen mij ook daarover nadenken. Maar het is te vroeg om daar nu uitspraken over te doen. Op termijn zal er wel iets moeten gebeuren. Die financiering zou eigenlijk op een structurele manier moeten verlopen.