WIJNEGEM Sugartime is het al láng niet meer. Zes jaar geleden moest Sugar Jackson (38) noodgedwongen de ring verlaten. De Belgische bokssport verloor één van zijn meest kleurrijke figuren ooit. Wij hebben een geanimeerd gesprek over leven en miserie, foute managers en … Temptation Island.

Vrijdagavond, Marktplein Wijnegem, taverne Vleminckhof. Een handvol tooghangers zet het weekend in. Aan de tafeltjes keuvelen mannen en vrouwen met een trappist over het lieve leven. Als plots Sugar Jackson binnen waait, draaien vele hoofden om. Hij wordt van alle kanten begroet. Jackson stráált. Hij geniet nog steeds van de aandacht. De zesvoudig Europees kampioen is net terug van een zware werkdag. Elektricien is hij. Of hij dat graag doet, vraag ik. Hij haalt zijn schouders op. “Wie werkt graag? Als je miljoenen hebt staan op de bank, doe je dat niet. Maar ik heb twee kinderen op te voeden, hè. Of het werk zwaar is? Op je bakkes krijgen in de ring, dát is zwaar.” (lacht)

Hij geniet wel van het leven, zegt hij. “Dankzij mijn madam, Tania. Zij is álles voor mij. En natuurlijk dankzij mijn kinderen, Ebenezer (11) en Isabeau (8). De jongste lijkt op mij. Ze gaan niet met haar voeten spelen op school. (lacht) Ik moet God dankbaar zijn dat ik dit allemaal heb. Het leven was niet altijd mooi. Na mijn afscheid zat ik financieel aan de grond. Ik moest zelfs mijn huis verkopen.”

Hoe was dat mogelijk, voor iemand met zo’n palmares?

Veel mensen zeggen mij dat. (zucht) Foute managers, hè. Die hebben van mij geprofiteerd. Wie bokst, heeft geen tijd om zijn centen te beheren. Dat doen andere mensen. Ik was te braaf. Ik geloofde hen. Ik liet hen doen. Als ik opnieuw zou mogen beginnen, zou ik wel zelf mijn geld beheren, of mijn vrouw. Ik zou dat niet meer uitbesteden. Dan had ik ook méér titelkampen kunnen doen. (zie kader) Maar goed, die miserie is verleden tijd. Ik kan weer leven vandaag.

Mis je het boksen?

Ja. Héél veel. (enthousiast) Als ik een wedstrijd zie op televisie, kan ik geen seconde blijven zitten. Ik móet de bewegingen meedoen. Ik geef drie keer per week boksles, aan jong en oud. Ik heb dat nodig. Daar kan ik me helemaal uitleven. Boksen is mijn leven, hè. Ik vind het zó jammer dat ik nooit die afscheidswedstrijd heb gekregen. (even stil) Weet je wat mijn droom is? Een échte bokszaal uit de grond stampen, met olympische ring van zes meter op zes, met ruimte voor zakken, met ruimte voor publiek, noem maar op. (zucht) Maar ik vind nergens plaats. Ik zou eens met de minister moeten gaan praten.

Je laatste kamp dateert van zes jaar geleden. Je moest stoppen om medische redenen.

(boos) Daar is niets van aan. Ze zeiden dat, ja. Dat mijn zicht slecht was, dat ik evenwichtsstoornissen zou hebben. Daarom mocht ik van de bond niet meer boksen. Maar dat was niet de échte reden. Ik heb onderzoek laten uitvoeren in Antwerpen, Gent, Brugge, noem maar op. Overal zeiden de dokters hetzelfde: ‘Jackson, je zou niet zeggen dat jij ooit gebokst hebt. Je bent fysiek prima in orde.’ (even stil) Wellicht zaten daar in de bond mensen die mij niet meer in de ring wilden zien. Waarom weet ik niet. Dat heeft pijn gedaan. Ik had zó graag afscheid genomen van mijn fans. Nog één keer Sugartime, nog één keer op het bakkes slaan. (lacht)

Had jij ooit medelijden met je tegenstanders?

Elke keer ik iemand KO sloeg, zei ik sorry. Echt waar. (lacht) Vraag dat maar aan mijn coach van toen, Renaat De Vulder. Hij werd gek daarvan. Als een kamp begint, dan strijd ik op leven en dood. Ik moet mijn tegenstander opeten, vooraleer hij mij opeet. Maar naast de ring ben ik een lieve, brave jongen.

Was jij altijd een brave jongen?

Neen. Als kind was ik een straatvechter. Je moest opletten toen je mij tegenkwam. Als iemand iets negatief zei over mijn familie, dan verkocht ik die een klap. Groot of klein, dat maakte niet uit. (lacht) Toen ik in België toekwam, zei mijn papa dat ik moest stoppen met dat straatvechten. Ga in de ring boksen, zei hij.

Jij bent opgegroeid in Ghana. Hoe was je jeugd?

Hard. Ik was vijf toen mijn papa mijn mama verliet. Ik wist zelfs niet waar hij naartoe trok. Mijn mama moest zeven kinderen voeden. Kan je je dat voorstellen? Dat waren zware tijden. Ik heb armoede gekend, hoor. Ik kon amper naar school gaan. Dat heeft mij hard gemaakt.

Waarom ben je naar België verhuisd?

Ik kwam te weten dat mijn papa hier woonde. Ik was toen bijna zestien. Ik had hem tien jaar niet gezien. Ik dacht zelfs dat hij dood was. Toen ik hem aan de telefoon kreeg, beloofde hij mij te komen halen. Dat was moeilijk voor mijn mama. Zij wist dat ik hier een toekomst zou hebben. Anderzijds zou ze mij natuurlijk missen. Ik was een echt moederskindje. Wij deden álles samen. Ze is zeven jaar geleden gestorven. (even stil) Ik mis haar. Ik praat nog tegen haar. Je hebt maar één mama, hè. Je moet haar goed soigneren.

Jij bent geboren als Osei Bonsu. Vanwaar de naam Sugar Jackson?

Ah, die komt van mijn eerste trainer hier, Jerry Colman. Hij vond dat ik bokste zoals Sugar Ray Robinson. Ik vond dat natuurlijk geweldig. Robinson was mijn grote idool toen ik kind was. Ik wou hém worden. Ik mocht echter niet boksen van mijn mama. In Ghana doet niemand dat.

Hoe is je relatie met je vader vandaag?

Ik zie hem nooit. Ik weet zelfs niet waar hij zit. We hebben nochtans geen ruzie. Ik bel hem soms eens. Maar dan neemt hij niet op. Hij leidt een ander leven, zeker?

Iets anders. Zou jij deelnemen aan Temptation Island?

Báh. (lacht luid) Néén. Die naam alleen al. Mijn mama zou me afmaken. Ik begrijp niet dat mijn broer (Roger, van dezelfde vader, red.) daaraan meedoet. Zijn vriendin is echt een toffe.

Kan je het einde verklappen?

Neen, want ik weet niet wat dáár allemaal gebeurd is. Dat gaan we zien op televisie, zeker? Ik hoop dat er niets gebeurd is. Tania kijkt elke keer, en neemt dat dan op voor mij. Ik zie dat eigenlijk niet graag. (lacht)