Ontbijten bij een bekroond misdaadauteur? Spannend is een understatement, want wie dergelijke verhalen kan verzinnen moet wel een verdomd goede prater zijn. Toni Coppers is dat, maar is daarnaast een ontzettend warme en lieve man. Bescheiden ook, na tien jaar succes als schrijver, al kan hij zichzelf nog niet heel lang zo noemen. “Ik ben nu verveld tot wat ik altijd ben geweest, maar niet altijd heb geweten. Dat heeft dus tot mijn vijftigste geduurd, tot de vlinder eruit is gekomen.”

Evi Renaux

Met De jongen in het graf bracht hij zonet zijn veertiende misdaadroman rond Liese Meerhout uit. Daarmee viert Toni Coppers ook zijn tienjarig bestaan als schrijver. “En toch voel ik me nog altijd kwetsbaar. Iets in mij durft nog denken: ‘Loopt het nu ook nog goed? Gaan ze me nog graag zien?’ Maar elke schrijver die ik ken heeft die faalangst. Wie zegt dat het niet zo is, die verbergt het. Diep vanbinnen is er altijd wel een stemmetje die zegt: ‘ik kan dit eigenlijk niet, hoor’.”

Geloof je dat echt, als bekroond auteur?

Ik wil het niet zwaarder maken dan het is, maar er is wel altijd dat stemmetje dat twijfel zaait. Misschien is het eerder iets als: “ga ik het wel even goed kunnen als de vorige keer?” Of beter, want dat wil je toch steeds? Daarnaast wil ik verschillende lagen in mijn boek en verschillende doelpublieken blijven aanspreken. Op de Boekenbeurs zie je dat mooi; dan staat er een chirurge aan de tafel, en de vrouw van een trucker, want de trucker komt zelf nooit. Zij moet de boeken kopen, want hij leest enkel mij als hij ver moet rijden en ontspanning kan nemen. Ik wil ze beiden blijven houden, maar soms zit je daar in een spagaat. Dat geeft die angst wel. Al is het een te groot woord. Het is eerder ongerustheid.

Heb je die ook terwijl je schrijft?

Nee, dan niet. Ik heb heel veel tijd nodig om het verhaal te maken. Ik wil dat het goed in elkaar steekt. Het moet over echte mensen gaan, veel meer dan dat het enkel pure spanning is. Het moet een misdaadroman zijn, beide woorden zijn even belangrijk. Eens het in elkaar zit, gaat het schrijven heel vlot. Ik weet op voorhand ook echt alles, van begin tot het einde.

Er verandert niets meer?

Weinig. Ik werk heel ambachtelijk, elke scène staat uitgeschreven op groene fiches. Dat zijn soms 100 scènes die ik op de vloer leg. En dan begin ik te puzzelen. Dat is plezant, want dan bedenk ik twists, en zet ik je op het verkeerde spoor. (lacht) Wanneer ik daarmee klaar ben, nummer ik ze. Daarna komt de synopsis. En dan volgt het schrijfproces, wat heerlijk is, want dan ben ik als een student. Er zijn dan schrijfdagen van zelfs veertien uur. Soms zonder ik me af, in een huisje in de bossen, waar het stil is en ik met plezier om 6 uur opsta.

“Diep vanbinnen is er altijd wel een stemmetje dat zegt: ‘ik kan dit eigenlijk niet, hoor’.”

Je viert tien jaar als schrijver. Heb je lang getwijfeld om dit voltijds te doen?

Ik werkte vroeger bij de VRT als voltijdse statutaire ambtenaar. Mijn vrouw en ik hebben lange gesprekken gehad, en ik heb nachtenlang wakker gelegen alvorens ik durfde te springen en mijn passie durfde te volgen. Het klinkt misschien supernatural, maar ik geloof dat ik, door de sprong te wagen, ruimte heb vrijgemaakt zodat de dingen in hun plaats vielen. Ik ben een schrijver. Punt. En het uitspreken straalt ook van me af. Het is juist, het is het liefste wat ik doe. Ik twijfel over heel veel dingen en ik ben heel kritisch, maar hierover heb ik het gevoel: dit is mijn wereld.

Wist je dan al lang dat je hiervoor gemaakt was?

Ik ben in alles een laatbloeier. Ik heb veel stap voor stap moeten ervaren. Ik kreeg het ook niet op een schoteltje in mijn leven. Ik kom uit een klein arbeidersgezin in Sint-Truiden; komen vertellen dat je schrijver wordt, dat is zoals zeggen: “ik ga naar de maan”. Dat bestaat niet. Je moet dus via omwegen gaan om die droom waar te maken. Ik was aanvankelijk reisjournalist voor Radio 1, en de documentaires die ik daarvoor maakte heb ik neergepend in een boek. Toen pas maakte ik die klik en besefte ik dat ik al jaren teksten schreef, voor de soundscapes die we maakten. Pas op, die mochten toen nog een kwartier duren op de radio. Achteraf bekeken is het heel logisch gegaan. Ik schreef verhalen, ik creëerde iets voor de luisteraars, ik nam hen mee op trip. En na twee komische romans kwam Liese Meerhout.

Het klinkt alsof het zo moest zijn.

Ja, het kwam allemaal juist op tijd. En ik wil er niet pedant over doen, maar ik denk dat je wat kilometers op je teller moet hebben om een goed boek te kunnen schrijven. Ofwel moet je zo’n waanzinnig talent zijn. Als het gaat over mensen, dan moet je mensenkennis hebben. Ik heb intussen Liese en Masson in mijn vingers. Die laatste gaat naar de zestig, staat wat melancholisch in het leven, is intellectueel en teruggetrokken. Liese is dan weer een zot schaap, vrolijk en empathisch. Voeg ze samen, en je hebt eigenlijk mij. (lacht) Maar om ze beide geloofwaardig neer te zetten, moet je toch al wat meegemaakt hebben. Ik weet niet of je dat kan op je twintigste. Of je moet een oude ziel zijn. (Annick, Toni’s vrouw, onderbreekt even.)

Annick: Toen ik Toni leerde kennen, zei hij altijd: ik werk bij de VRT maar ik schrijf ook. We hadden er ooit een lang, heftig gesprek over. Waarom zeg je dat, “maar ik schrijf ook”? Wil je niet gewoon zeggen dat je schrijver bent? Tijdens dat gesprek hebben we wel een kiem gelegd. Hij vertelt het vlotjes, maar er is wel worsteling aan vooraf gegaan.

Is dat zo, Toni?

Ik was piepjong toen ik begon bij de VRT. Je bent deel van die familie. Het wordt een deel van je identiteit. Toen ik besloot schrijver te worden, bleef dat toch nog een tijd aan mij hangen. Je bent ex-radiomaker Toni Coppers; pas na anderhalf jaar is dat verpulverd tot misdaadauteur. Ik ben nu verveld tot wat ik altijd ben geweest, maar niet altijd heb geweten. Dat heeft dus tot mijn vijftigste geduurd, tot de vlinder eruit is gekomen. En dat is heerlijk. Ik wil echt gewoon schrijven, en een mooi en goed leven hebben.

“Ik wil graag stoppen met het ‘moeten’.”

Je nieuwe boek De Jongen in het graf kent wel een heftig thema, niet?

Ik denk dat het qua verhaal één van de mooiste en sterkste is die ik al heb gemaakt. De aanleiding voor het verhaal was een artikel dat ik las in The Guardian, over de dood van een seriemoordenaar die nog allerlei geheimen had. En ja, sinds de Dutroux-affaire bij ons, zijn wij onze onschuld toch kwijtgeraakt. Vroeger gebeurde dit niet, niet met ónze kinderen. Dus dat gevoel zit er wel in. Ik herinner me goed hoe ik me toen voelde.

Wat wil je nu nog in de toekomst?

Ik leef mijn droom, dus ik droom van niets meer. Ik kan hierin alles kwijt wat ik wil schrijven. Het volgende hoofdstuk ligt bij mij niet meer professioneel. Nu ben ik bezig met de zoektocht: wie is Toni? Nu is er ruimte voor de mens, dat voel ik. En het is een even hobbelig parcours, misschien nog hobbeliger. Ik worstel nog met tijd vrijmaken voor mezelf. Net omdat ik zo graag en eigenlijk altijd werk. Ik ‘moet’ nu eigenlijk ook nog veel. Ik wil graag stoppen met het ‘moeten’.

Ik wens het je toe. Die vrijheid.

Dank je. Het komt deels ook door schuldgevoel dat ik zo’n geweldige job heb, dat ik me precies wel schuldig voel. Ik mag schrijven, heb geen files maar wel een prachtige schrijfkamer. Ik wil het echt goed doen, veel voor anderen doen. Ik vergeet er soms ook echt van te genieten. Maar ik werk ook zo hard. Dag en nacht soms. Dat wil ik graag anders. De mildheid die ik heb voor anderen wil ik graag voor mezel. Dat is het enige wat nu nog ontbreekt.

Wij geven tien exemplaren weg van het nieuwste boek van Toni Coppers, De Jongen in het graf. Surf door op onze website naar www.dezondag.be/coppers en neem nog tot en met 23 mei deel aan de wedstrijd.

(foto Ivan Ruck)