BRUSSEL Digitalisering en mobiliteit, dat zijn dé uitdagingen voor de toekomst, stelt Danny Van Assche, topman van Unizo. De eerste moet de ondernemer zelf aanpakken, de tweede is voor het beleid. Van Assche volgde op 2 januari Karel Van Eetvelt op, die de ondernemersorganisatie inruilde voor Febelfin, de sectororganisatie van de banken.

Het ondernemen is Danny Van Assche (46) niet vreemd. Hij groeide op in Wilrijk in de buurtslagerij van zijn ouders. “De mensen noemden mij ‘Danny van de slagerij’. Dat was zo in die tijd. Als kind was je deel van de zaak. Wij moesten elke dag meehelpen. Ik heb vooral veel balletjes gedraaid. Als je zo vijf kilogram gehakt voor je neus krijgt, dan loop je een levenslang trauma op. (lacht) En mijn moeder kwam omzeggens elk balletje controleren. Gelukkig was ik de kleinste van drie. Die worden altijd wat gespaard.”

Had je een prettige jeugd?

Mijn ouders waren altijd thuis. Dat was het prettige aspect. Ik moest bijvoorbeeld nooit naar de opvang. Anderzijds: ze hadden nooit tijd. Wie een slagerij heeft, of een andere zaak, is altijd aan het werk. Dat heb ik geleerd. Vandaar dat ik onmetelijk veel respect heb voor die mensen. Zij knokken van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat om hun droom waar te maken. Als men mij vraagt waarom ik de zaak niet heb overgenomen, antwoord ik met een boutade: “Ik heb gezien hoe hard zelfstandigen moeten werken.”

Wat was dan de echte reden?

Eerlijk: dat lag mij gewoon niet. Ik ben niet handig genoeg. Ik heb politieke wetenschappen en economie gestudeerd, dat waren mijn interessegebieden. Al staat het ene niet los van het andere. Een slagerij was in die tijd een ontmoetingsplek, wellicht heeft dat mijn interesse voor de samenleving gevoed. Het debat was altijd aanwezig. Ik wou iets doen aan die samenleving, mij moeien in dat debat, mijn mening geven.

Slagerijen hebben het niet makkelijk vandaag. Hoe ziet u hun toekomst?

Dat is niet nieuw. Wij hebben de opkomst van de supermarkt meegemaakt. Die werd gezien als een grote bedreiging: als kind kwam ik geen supermarkt binnen. Maar de supermarkt zou niet verdwijnen. Slagers moesten ermee leren omgaan. Dat is nu opnieuw zo. Vandaag ga ik trouwens wél supermarkten binnen. (lacht) Wie verandering omarmt, blijft bestaan. Als u mij vraagt of slagerijen en andere kleinhandelszaken een toekomst hebben, dan zeg ik resoluut ja. Weliswaar op twee voorwaarden. Het beleid moet mee willen: zorgen voor bedrijvige dorpskernen, leegstand tegengaan. En de ondernemer moet mee willen. Dan denk ik aan de e-commerce: omarm dat, zie er opportuniteiten in. Al blijft kwaliteit de eerste vereiste om overeind te blijven. De bakker moet zorgen dat zijn brood het beste brood is. Idem voor de slager.

Een kilometerheffing zal leiden tot meer inkomsten voor de overheid. Maar dat zal het mobiliteitsprobleem niet oplossen.

U hebt ook geproefd van de politiek. U was schepen voor CD&V in Wilrijk. Hoe was die ervaring?

Dat was zeer boeiend. Ik heb er geleerd het debat aan te gaan. Ik voel me vandaag nog steeds politicus, maar dan met een vast contract en zonder electorale verplichtingen. Dat laatste lag mij minder. Wie aan politiek doet, moet voortdurend schipperen tussen inhoud en representatie naar buiten toe. De sociale media hebben dat laatste aspect nog versterkt. Toen ik in 2010 afgevaardigd bestuurder kon worden van Horeca Vlaanderen, heb ik mijn politieke activiteiten neergelegd.

Waarom hebt u begin dit jaar Horeca Vlaanderen ingeruild voor Unizo?

Het was zeker niet op. Horeca boeit mij nog elke dag, maar deze kans kon ik niet laten liggen. Ik was voordien al vijf jaar adviseur sociale zaken van Unizo, dus ik kende de organisatie. Wat ik nu doe, ligt in het verlengde van wat ik deed voor Horeca Vlaanderen. Alleen is mijn perspectief breder geworden. Ik mag nu ook over andere sectoren praten. Ik merk trouwens dat mijn megafoon groter is geworden: als je als Unizo-topman iets zegt , wordt er geluisterd. (lacht)

Wat is volgens u de grootste uitdaging voor ondernemers?

Dat vind ik een moeilijke vraag. Als je er één noemt, vergeet je er vele andere. Vandaag is dé uitdaging wellicht de digitalisering. Veel ondernemers worstelen daarmee. Vaak is dat een kwestie van tijd en kennis.

Een gevolg van die digitalisering is nieuw ondernemerschap: zie de vele freelancers, Uber, Deliveroo. Baren die u zorgen?

De freelancers zijn zelfstandigen zoals alle anderen. Platformen zoals Uber en Deliveroo maken mij wel bezorgd. Begrijp me niet verkeerd: ze mogen er zijn. Dat is de vooruitgang. En wat het statuut van die mensen betreft, zelfstandig of niet, dat zal de rechter uitmaken. Maar ik betreur hoe het beleid daarmee omgaat. Men werkt nu aan een wet waardoor mensen tot 6.000 euro per jaar onbelast kunnen bijverdienen. Dat is géén goede zaak. Veel van die Ubers en Deliveroo’s zullen onder die regeling vallen, en dat zorgt voor een ongelijk speelveld.

De politiek faalt inzake mobiliteit. Onze wegen staan propvol, en geen enkel partijprogramma pakt het probleem ten gronde aan.

Welke uitdaging wou u nog noemen?

Ook het beleid staat voor grote uitdagingen. Ik denk aan fiscaliteit, energie en arbeidsmarkt. Vandaag moet het beleid niet gericht zijn op het bestrijden van werkloosheid, maar op het invullen van de vele vacatures. Ik pleit op dat vlak voor een groot maatschappelijk debat over bijvoorbeeld migratie.

In volle vluchtelingencrisis stak uw voorganger zijn nek uit. Hij zei in deze krant dat we die mensen nodig hebben.

Ik zou destijds hetzelfde gezegd hebben. We hebben een overschot aan vacatures. Die moeten ingevuld raken. Migratie kan een oplossing zijn. Alleen moeten migranten en vluchtelingen beter gescreend worden, zodat ze sneller op hun competenties ingezet kunnen worden.

De federale regering heeft gezorgd voor lastenverlagingen. Mag de uitdaging fiscaliteit niet geschrapt worden?

O neen. België heeft nog steeds één van de hoogste lasten op arbeid wereldwijd. Onze handicap sinds 1996 is weggewerkt. Dat is goed, maar de historische achterstand is er nog steeds. We gaan er nu over waken dat de verlagingen van de patronale bijdragen en de vennootschapsbelasting correct uitgevoerd worden. Dat mag geen vestzak-broekzakoperatie worden.

Vreest u nog steeds de invoering van een meerwaardebelasting?

Ik ga de regering niet op ideeën brengen. (lacht) Mag ik nog even terugkomen op uw oorspronkelijke vraag? De grootste uitdaging voor het beleid wordt mobiliteit. De politiek faalt vandaag inzake mobiliteit. Onze wegen staan propvol. En wat mij verwondert, is dat ik in geen enkel partijprogramma oplossingen zie die het probleem ten gronde aanpakken.

Vlaams minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA) pleit voor een kilometerheffing voor personenwagens. Is dat geen oplossing?

Dat zou vooral leiden tot meer inkomsten voor de overheid, maar het zal het mobiliteitsprobleem niet oplossen. Ik vergelijk Vlaanderen graag met de brede Londense regio. Zou jij met je wagen door Londen rijden? Neen. En waarom? Omdat je alternatieven hebt die betrouwbaar, snel en comfortabel zijn. Die alternatieven heb je niet in ons land. Men praat al twintig jaar over het gewestelijk expresnet rond Brussel. Ik zie nog steeds geen resultaat. Waarom zijn er nauwelijks stadsrandparkings? Ik zie ook te weinig mobiliteit tussen steden. Pas als mensen een deftig alternatief hebben, zullen ze hun wagen laten staan. En dan kan een kilometerheffing voor dat laatste duwtje in de rug zorgen. Dus ik ben zeker niet tegen. Maar dat alleen is onvoldoende. Volgend jaar zijn er verkiezingen. Ik hoop echt dat mobiliteit één van de grote thema’s wordt.

“Sociaal overleg draait niet”

Uw voorganger noemde het sociaal overleg van vakbonden en werkgevers één grote illusie. Akkoord?

Neen. Als ik nu al cynisch zou zijn, stop ik er beter mee. Ik geloof in het sociaal overleg, maar ik ga niet onnozel doen: ik zie ook dat het niet goed draait. Een grote ontgoocheling voor mij is het uitblijven van een gezamenlijk standpunt over de toekomst van onze pensioenen.

Waardoor de regering overneemt.

Dat is normaal. De sociale partners zijn zo sterk als ze zelf willen. Als ze akkoorden sluiten, kunnen ze iets realiseren. Anders neemt de politiek over.

De vakbonden blijven gretig grijpen naar het stakingsmiddel. Vindt u dat kunnen?

Neen. Vooral de socialistische vakbond moet goed beseffen dat ze geen oppositiepartij is, maar een partner in het sociaal overleg. Ze voert vandaag straffer oppositie dan de oppositiepartijen in het parlement.