LEUVEN – In een land dat vooral Flandriens adoreert, heeft Victor Campenaerts een onbeminde wielertak op de kaart gezet: het tijdrijden. Dankzij goud op het EK en brons op het WK staat zijn naam nú al in de sportannalen. Maar daar eindigt het niet. “Ik wil de beste zijn van de planeet.” Eerlijk én ambitieus, dat kenmerkt deze 28-jarige Hobokenaar.

Een ziekenbed in het UZ Gasthuisberg is onze wel heel unieke plek van afspraak. Campenaerts (28) heeft er die avond een slaaponderzoek. Omgeven door naalden, draden en verbanden ontvangt hij mij met een brede glimlach. “Wie goed slaapt, presteert beter overdag. Om beter te kunnen slapen, doe ik dit onderzoek. Ik moet dat nochtans niet doen. Maar ik heb me laten wijsmaken dat dat een klein verschil kan maken op de fiets. Dan doe ik dat.” Het is Campenaerts ten voeten uit: een freak, veeleisend voor zichzelf én zijn team.

Wat het geheim is van een goede tijdrijder? “Dedication”, stelt hij zonder aarzelen. “Vroeger waren de beste coureurs ook de beste tijdrijders. Vandaag is dat een vak apart. Ik ben daar het mooiste voorbeeld van. Mijn laatste intensieve training op een wegfiets moet anderhalf jaar geleden zijn. Toen ik vorig jaar onderhandelde met Lotto-Soudal, was dat ook mijn voorwaarde: ik wou tijdrijden, en geen compromissen sluiten op dat vlak. Gelukkig was dat ook de voorwaarde van de ploeg.” Ook dat is Campenaerts ten voeten uit: rechtuit én ambitieus, een verademing. Dat hij zou tijdrijden, stond nochtans niet in de sterren geschreven. Zijn vader liet hem twee keer per week zwemmen, gruwel voor kleine Victor. “Ik wou na school op de PlayStation spelen, niet in dat zwembad liggen. Mijn ouders zijn gescheiden. Was ik bij mijn mama, dan lukte het wel eens, mits een toneeltje met vele traantjes, om een zwemles over te slaan. Maar kwam mijn vader dat te weten, dan moest ik de week nadien drie keer gaan zwemmen. (lacht) Pas jaren later, toen ik eens tweede werd op een wedstrijdje vrije slag, is een klik gekomen. Hé, ik kan misschien de beste worden. Vanaf dat moment ben ik élke dag gaan zwemmen.”

Was je liever zwemmer geworden?

Neen. Ik bleek te klein voor de top. Ik ben daarna overgestapt naar triatlon, maar vooral het fietsen lag mij. Voor mij is het eenvoudig. Had ik de beste zwemmer kunnen worden, dan was ik zwemmer geworden. Maar dat was niet zo. Ik ben geen coureur omdat ik graag koers, maar omdat ik het goed kan.

Het doel heiligt de middelen?

Zo kan je het omschrijven. Ik wil de beste zijn in iets. En dan bedoel ik niet de beste van een land, maar wel degelijk de beste van de planeet. Als morgen blijkt dat ik nog beter zou zijn op de 800 meter lopen, dan maak ik die overstap. Dat zal natuurlijk niet gebeuren. Ik wil maar zeggen hoe ik in elkaar zit.

Hoe is het tijdrijden op je pad gekomen?

Ik was al 19 toen ik begon te fietsen. In die eerste kermiskoersen voelde ik wel dat ik meer kon dan een gemiddelde renner, maar ook dat rijden in een peloton mij niet lag. In elke bocht verloor ik twintig posities. In 2011 heb ik eens een tijdrit gereden, het provinciaal kampioenschap. Dat was op een stokoude fiets. Ik pakte brons. Een tijdje later werd ik aangereden door een wagen. Ik moest twee maanden trainen op de rollen. De eerste wedstrijd daarna was het EK tijdrijden voor beloften. Ik won dat, tegen alle verwachtingen in. Dan ben je vertrokken.

“Ik ben geen coureur omdat ik graag koers, maar omdat ik het goed kan”

België heeft geen traditie in tijdrijden. Wil jij een rolmodel zijn?”

Ja. Als ik jonge mensen kan prikkelen, zal ik dat zeker doen. Ik was héél blij met mijn Kristallen Fiets. Ik had dat niet verwacht. Een tijdrit winnen is niet zo sexy als een klassieker winnen. Maar het moet zijn dat er toch waardering is voor deze discipline. Ik hoop dat België een tijdritland kan worden.

Waarom wil jij eigenlijk de beste zijn?

Oei. (blaast) Dat is een moeilijke vraag. Dat zit in mij, zeker? (denkt na) Op de topsportschool in Leuven moesten we een formulier invullen met van die vragen. Waarom wil je goed kunnen sporten? A: omdat het moet van je ouders. B: omdat het moet van je trainer. C: omdat je het beste in jezelf naar boven wil halen. D: omdat je kickt op aandacht. Ik had C aangeduid. Dat leek mij het correcte antwoord. Maar dat was eigenlijk niet waar. Ik kick ook op de aandacht. Na een goede prestatie word je even aanbeden. Dat is gewoon leuk. (droog) Waarom zou ik dat niet toegeven?

Veel sportfiguren denken zo, maar zeldzaam zijn de exemplaren die ervoor uitkomen.

Dat denk ik ook. (lacht) Als ik weet dat ik ergens kan winnen, zal ik dat ook zeggen in de pers. Waarom niet? Ik leg mezelf graag druk op. Ik heb dat wellicht nodig.

Ik moet denken aan de Giro van twee jaar geleden. ‘Carlien, daten?’ stond met stift op je bovenlijf geschreven.

Zwijg daarover. (lacht luid) Mijn toenmalige ploeg (LottoNL-Jumbo, red.) vond dat helemaal niet schitterend. Ze stonden op het punt om mij naar huis te sturen. Ik mocht niet voluit gaan in die tijdrit. Dat stak me al tegen. Dus heb ik maar geprobeerd om op een andere manier op te vallen. Waarom niet? Dat maakt het wielrennen aantrekkelijk. Ik zie dat ook aan mijn relatie met Fanny (Lecluyse, de zwemster, red.). De mensen lezen zoiets graag.

Wie tegenslag kent in zijn jeugd maakt meer kans op de top, zegt men. Geldt dat ook voor jou?

(blaast) Dat is een diepzinnige vraag, hoor. (denkt na) Ja, mijn ouders zijn gescheiden. Maar ik heb dat nooit als een tegenslag ervaren. Ik was amper vier jaar. Ik heb dus nooit anders geweten. Ze zijn ook blijven overeenkomen. Dat is voor een kind het voornaamste. Ik ben hen daar dankbaar voor. Ik heb andere situaties gezien bij klasgenootjes. Ik woonde de ene week bij mijn moeder in Hoboken, de andere week bij mijn vader in Deurne. Ik vond dat normaal. (even stil) Dus neen, ik kan niet echt een tegenslag noemen.

“Na een goede prestatie word je even aanbeden. Dat is gewoon leuk. Waarom zou ik dat niet toegeven?”

Wat zou jij zonder het wielrennen geworden zijn?

Ik was op school gefascineerd door wiskunde. Misschien iets in die richting? Ik heb even industrieel ingenieur gestudeerd, maar dat bleek niet te combineren. Ik doe liever één iets goed, dan twee dingen half. Mijn kinderdroom was trouwens brandweerman worden. Dat sluimert nog altijd in mij. Als ik morgen moet stoppen, zou ik wellicht die toer opgaan. Brandweermannen zijn helden.

Is wielrennen alles in je leven?

Ja. Wie de beste wil worden, moet alles opofferen. Dat doe ik ook. En de vrije tijd die ik heb, gaat naar mijn vriendin, mijn familie en mijn vrienden. Gelukkig respecteren zij mijn levensstijl. Ik ga nu twee maanden naar Namibië op hoogtestage. Dat is geen evidente keuze. Ik ben weg van alles en iedereen. Inspanningsfysiologen hebben mij ervan overtuigd dat alleen een lánge stage een optimaal effect zal hebben. Dus doe ik dat. Namibië is in de winter het ideale land daarvoor.

Is dat met het oog op het werelduurrecord?

Neen, dat staat los daarvan. Ik wil me optimaal voorbereiden op het nieuwe seizoen. Maar één van de doelen wordt wellicht het uurrecord, ja.

Dat staat nu op naam van Bradley Wiggins (54,526 kilometer). Hoe schat je je kansen in?

Als dat onmogelijk zou zijn, zou ik dat niet proberen. In gelijke omstandigheden is Wiggins altijd beter dan ik. Maar zijn omstandigheden waren niet goed. Ik wil mijn poging wagen in Mexico, waar de hoogte, de luchtdruk en de piste perfect zijn. Ik schat mijn kansen hoog in.

Wat is jouw ultieme droom in de sport?

Dat is makkelijk: olympisch kampioen worden. Dat staat boven alles.

Het sportrapport van Victor Campenaerts

Als kind was mijn idool …

Frederik Deburghgraeve. Ik wou alles weten over hem. (lacht)

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Bradley Wiggins. Die man is rock-’n-roll. Dat vind ik aantrekkelijk.

Mijn mooiste sportmoment?

Brons op het WK. Ik pakte al twee keer goud op een EK, maar dat wordt toch iets minder hoog ingeschat dan een WK.

Mijn grootste ontgoocheling?

De proloog van de Giro dit jaar. Ik werd er derde. Ik was zo dicht bij die roze trui. Komend seizoen wil ik absoluut die eerste World Tour-zege.

(foto belga)