Zeldzaam zijn de Belgische sporters met het palmares van motorcrosser Joël Smets. Vijf keer wereldkampioen, drie keer winnaar Motorcross der Naties, 57 Grand Prix-zeges, Sportman van het Jaar in 2000. Ook tien jaar na zijn afscheid is de 47-jarige Kempenaar nog dag en nacht met motorcross bezig. Als sportdirecteur van het Oostenrijkse team KTM én als Belgisch bondscoach. “Of ik mijn motor liever zag dan mijn vrouw? Hoe weet jij dat!”

Ondanks die gigantische carrière is Joël Smets de bescheidenheid zelve, heel down-to-earth. Hij geniet ervan te spreken over zijn passie. Zijn ogen tintelen, het hele gesprek lang. Even breekt wat weemoed door als de teloorgang van onze motorcross aan bod komt. We hebben afspraak in zijn gerenoveerde hoeve in Dessel, te midden van bossen en maïsvelden. “Je vindt geen mooiere plek dan deze, en ik kan het weten: ik heb de wereld gezien.” Smets is net terug van twee weken Californië, volgende week vertrekt hij alweer richting Italië. Vele weken per jaar zit hij in het buitenland. Altijd voor het werk. Wat zijn vrouw en kinderen Greg (20) en Aileen (11) daarvan zeggen?

“Plezant vinden ze dat niet, maar ze snappen het wel. Dit is mijn leven. Ik kan die microbe niet loslaten. Toen ik stopte, heb ik wel even getwijfeld. Dat zwarte gat waar iedereen over spreekt, was voor mij heel welkom. Ik wou tijd voor mezelf en mijn gezin. Ik genoot ervan een aanwezige papa te zijn. Maar uiteindelijk miste ik die wereld wel. En dan kwamen de aanbiedingen. Eerst om jeugd te begeleiden, daarna om sportdirecteur te worden. Sowieso ben ik niet de persoon om hele dagen thuis te zitten. En wat zou ik anders moeten doen?”

Je bent even cafébaas geweest.
(knikt) Een jaar of zes geleden namen mijn vrouw en ik taverne De Witte Haas over, hier in de buurt. Ik heb dat wel graag gedaan. Ik vond het boeiend mensen te ontmoeten met andere interesses. Ik kan over veel meepraten: met jou over politiek, met iemand anders over pakweg paardensport. Maar vier jaar later was ik weer helemaal opgeslorpt door de cross. Dan moet je een keuze maken. Die passie, hè. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.

Je bent nu een klein jaar sportdirecteur/coach van KTM. Is dat je ding?
O ja. Ik merk dat ik goed kan motiveren. Dat had ik als kind al. In de jeugd was ik altijd kapitein van onze voetbalploeg. Dat zal ergens in mij zitten, zeker? Het geeft mij ook voldoening als één van mijn rijders boven zichzelf uitstijgt. Dat hoeft daarom niet op wereldniveau te zijn. (zwijgt even) Ik zou dit graag nog lange tijd doen, ja. Ik heb vorige week Roger De Coster (ook oud-wereldkampioen, red) ontmoet in Californië. Die is er intussen 72 en doet in Amerika voor KTM wat ik in Europa doe. Heel straf. Al heb ik aan een andere collega wel gezegd: als ik er ooit 72 word, en ik doe nog steeds wat Roger vandaag doet, wil je mij dan alsjeblieft smeken te stoppen. (lacht)

“Wereldkampioen worden of zo, daar droomde ik niet van. Dat was een utopie.”

Kruip je zelf nog de motor op?
Zelden. Ik zou wel willen, maar te veel last van mijn knieën. Als ik sport, en dat gebeurt veel te weinig, is het fietsen.

Vanwaar komt die passie voor motorcross?
Ik vraag me dat ook vaak af. Wat trekt mij daar zo in aan? Als kind al. Mijn eerste woordjes moeten broem broem geweest zijn, denk ik. Mijn ouders waren wel fans, motorcross was toen extreem populair in de Kempen. We gingen vaak kijken. Ik denk dat het de combinatie is van topsport, spanning en spektakel. Dat vind je in geen enkele andere sport terug. Het balanceren op die motor fascineert mij ook geweldig. (enthousiast) Schakelen, gas geven, remmen, je lichaam bewegen om je evenwicht te houden, dat is zo’n complex, maar fascinerend samenspel.

Zag je liever je motor dan je vrouw?
Ja. Hoe weet jij dat? (lacht) Toen het serieus werd met Nancy, ik was 18, zei ik haar: je moet er wel rekening mee houden dat school voor mij nog even op de eerste plaats komt, ik wou absoluut mijn middelbaar diploma halen, daarna mijn motor en dan jij. Maar, zei ik nog, dat is niet slecht, want je staat op het podium. (lacht)

Opvallend: jij bent pas op je zeventiende aan competitie begonnen.
(knikt) Dat is heel uitzonderlijk. Stefan Everts was op die leeftijd al wereldtop, ik kreeg net mijn eerste motor. Je moet weten dat ik uit een modaal arbeidersgezin kom. Mijn ouders konden geen investering van die aard doen voor hun drie kinderen. Zo blij dat ik was, toen ik dan toch, van een broer van mijn moeder, mijn eigen motor kreeg. Dat was mijn ultieme droom die uitkwam. Wereldkampioen worden of zo, daar droomde ik niet van. Dat was een utopie.

Joël Smets viert één van zijn vijf wereldtitels. (foto belga)
Joël Smets viert één van zijn vijf wereldtitels. (foto belga)

Uiteindelijk word je één van de grootste aller tijden. Je moet een natuurtalent geweest zijn?
Misschien. Maar ik denk dat ook realisme en nuchterheid aan de basis van mijn succes lagen. Ik was geen zwever, ik deed alles stap per stap. Velen kunnen dat nu niet geloven, maar ik heb jarenlang de cross gecombineerd met een job (elektromechanica, red). Pas na het WK van 1991, waar ik zeventiende werd, nam ik een jaar verlof zonder wedde. Ik voelde dat ik mijn limiet niet bereikt had, en ik wou later geen spijt hebben. Elke dag heb ik bloed, zweet en tranen gelaten. Diep gaan op training, mezelf pijnigen. Het jaar daarop was ik vierde. Dan ben ik gestopt met werken. Weet je, ik vind het nog altijd raar als mensen me confronteren met mijn palmares. Ik vind het onwezenlijk dat ik dat gepresteerd heb. Zoals ik zeg, dat was niet eens een droom van mij.

Beseffen je kinderen al wat hun papa gedaan heeft?
Greg stilaan wel. Hij crost nu zelf ook, maar heeft niet die drive of ambitie die ik had. Dat hoeft voor mij ook niet. Mijn dochter beseft dat nog niet. Zij vindt het wel raar als mensen mij plots aanspreken of een handtekening vragen. (lacht)

Jij bent ook Belgische bondscoach. Wat mag ons land volgend weekend ambiëren op de Motorcross der Naties in het Italiaanse Maggiora?
Als de drie rijders topfit zijn, moeten we voor de zege kunnen gaan. Individueel hebben we geen wereldkampioenen meer, maar als team zijn we wel top. Maar goed, het is niet meer zoals vroeger. Toen waren wij altijd dé kandidaat voor de titel.

“Mensen zijn steeds minder tolerant, en wij zijn daar een slachtoffer van.”

Hoe verklaar je dat de gouden jaren van de Belgische motorcross voorbij zijn?
(zucht) Een groot gebrek aan circuits en te weinig instroom. En dat doet pijn. Je ziet je sport, waar je zoveel voor gegeven hebt en zoveel van gekregen hebt, helemaal wegglijden.

In mei heb je samen met Stefan Everts een vlammende open brief geschreven.
Wij delen dezelfde frustraties, hè. Onze sport wordt met uitsterven bedreigd door praktische problemen die een gevolg zijn van het egoïsme en de verzuring in onze samenleving. Dat doet echt zeer, hoor. Mensen zijn steeds minder tolerant tegenover om het even wat, en wij zijn daar een slachtoffer van. Dat tekort aan circuits kan onze doodsteek zijn.

Sportminister Philippe Muyters beloofde vorig jaar in deze krant een oplossing. Voel je iets bewegen?
Toch wel. En inderdaad op initiatief van Muyters, én van Schauvliege (bevoegd voor Omgeving en Natuur, red). Nu liggen enkele haven- en ontginningsgebieden op tafel. De ministers doen wel degelijk inspanningen, maar zij kunnen het niet alleen, hè. Je moet ook de provinciale en lokale overheden en de omwonenden mee krijgen. (zucht) Het probleem is dat er altijd wel iemand tegen is.

Stefan Everts over toekomst motorcross: “De politiek is hypopcriet”

Het sportrapport van Joël Smets

Als kind was mijn idool …
Roger De Coster.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …
Peter Sagan. Hoe die man altijd opnieuw spektakel levert. Ik heb hem al ontmoet. Hij heeft een motor van KTM. Allé, officieel is die van zijn broer. (lacht)

Mijn mooiste sportmoment?
Die eerste wereldtitel in 1995.

Mijn grootste ontgoocheling?
Ik kan niet meteen iets noemen. Oké, elke nederlaag was een ontgoocheling, maar ik denk dat ik alles uit mijn carrière gehaald heb. Je ne regrette rien.