“Willy is een raspaard, Eddy een koerspaard en Walter een boerenpaard.” Het zijn de woorden van wijlen moeder Gusta, de mater familias van de Planckaerts. Boerenpaard Walter viert vandaag zijn zeventigste verjaardag. Al is vieren niet het juiste woord. De ploegleider van Sport Vlaanderen-Baloise mag na dit seizoen niet meer achter het stuur kruipen.

Walter Planckaert zucht wanneer ik hem proficiat wens. “Die leeftijd is maar om één reden speciaal: ik mag volgens een Belgisch reglement niet meer rijden in het peloton. Dat doet me pijn. Ik zit van 1986 achter het stuur. Ik heb geen enkel accident meegemaakt. Ik ben oud en wijs genoeg om voor mezelf uit te maken als het niet meer gaat. Ik heb daarvoor geen reglement nodig. De dag dat ik me onzeker voel, stop ik. Maar dat is vandaag niet het geval.”

Reglementen zijn er om aangepast te worden.

Hilaire Van der Schueren zit in dezelfde situatie. Hij heeft al gerenommeerde advocaten aangesproken. Zij zeggen dat dat discriminatie zou kunnen zijn. Je kan niet zomaar iemand zijn job afpakken. In andere landen bestaat dat reglement niet. Ik wacht af.

En wat anders?

Ik kan co-chauffeur worden. Ik heb die optie al besproken met Christophe (Sercu, de teammanager, red). Al zou dat geen ideale situatie zijn. Een ploegleider moet achter het stuur zitten. Dat is deel van het pakket. Punt. Stoppen zit nog niet in mijn kop. Ik zal volgend jaar vijftig jaar actief zijn in het peloton. Ik zou dat graag meemaken.

Zou je wereld instorten mocht je toch moeten stoppen?

Dat is veel gezegd. Maar het zou een grote aanpassing zijn. Ik zou het missen. De koers is mijn passie, mijn leven. Ik heb nooit iets anders gedaan. Ik sta ermee op, en ga ermee slapen. Ik voel me nog fit en vooral: ik doe het nog graag.

In 2014 én 2015 won je de Kristallen Fiets voor beste ploegleider. Dat zegt ook iets.

Die erkenning doet deugd. Ik denk te mogen zeggen dat ik iets van de wielersport ken. Ik ben een harde ploegleider. Ik eis discipline van de jongens. Maar ik kan ook zacht zijn en iets door de vingers zien. De jongens waarderen dat.

Was koers altijd al je passie?

Neen. Als kind was ik niet met koers bezig. Ik ga dief worden, zei ik altijd. Je moet dan niet veel werken en je bent rap rijk. (lacht) Ik hield van plezier maken met de kameraden. Een trappist drinken, een sigaretje roken, een danske placeren met de meisjes. Ik had een mooie jeugd, ondanks de miserie. Vader is vroeg gestorven. Ik was er amper zestien. Een accident met de wagen. Moeder zat daar, met vijf kinderen, maar zonder inkomsten. Let op: ook voordien waren wij geen rijke mensen. We hadden een klein boerderijtje. Vader was ook fietsenmaker. Maar na zijn dood hebben we écht zwarte sneeuw gezien. (zwijgt even) Dat heeft ons hard gemaakt.

“Advocaten zeggen dat dat discriminatie zou kunnen zijn. Je kan niet zomaar iemand zijn job afpakken.”

 

Hoe is de koers op je pad gekomen?

Willy was de eerste die reed. Ik ging kijken met de kameraden, met de fiets. Onderweg werd er gekoerst tegen elkaar. Ik was altijd de eerste. Jij moet ook koersen, zeiden de kameraden. Zo is dat begonnen. Als laatstejaars liefhebber won ik 22 koersen. Ik was ook 18 keer tweede: ik verkocht al eens een koers voor wat drinkgeld. Op aandringen van Willy ben ik daarna prof geworden. Ik ben van dag op dag gestopt met roken en drinken.

Zat moeder Gusta juist met haar omschrijving van haar drie koersende zonen?

Absoluut. Moeder kende iets van koers, hoor. Een boerenpaard moest werken, het land omploegen, het gras afmaaien. Ik was als coureur ook een werker, een karakterman. Ik was geen rastalent zoals Willy en Eddy dat waren.

Ben je tevreden over je carrière?

Vandaag moet ik zeggen: neen. Ik kon veel meer gewonnen hebben. Ik heb vooral gekoerst in functie van anderen. Eddy bijvoorbeeld heeft veel aan mij te danken.

Je won nochtans de Ronde van Vlaanderen, de Amstel Gold Race, de Ronde van België, de E3-prijs en een rit in de Tour. Waarom eiste je het kopmanschap niet op?

Dat zat niet in mijn karakter. Ik voelde mij even goed als ik een ander aan de overwinning kon helpen. Vandaag zou dat anders zijn. Als je nu de Amstel wint op je 24e, ben je de nieuwe Merckx. Maar toen reden er zóveel grote namen rond. Ik was al blij dat ik hen mocht helpen.

Eddy is heel open en flamboyant. Ben jij zijn tegenpool?

Eddy is een speciale man. Hij heeft nooit als een pater geleefd. Ik wel. Ik was keihard voor mezelf. De wereld mocht vergaan, ik ging om 21.30 uur slapen. Ik moet ook geen drank meer hebben. Ik ben eens zó slecht geweest van Cointreau. Ik heb twee nachten in de garage geslapen. Ik dacht dat ik dood ging. Nooit meer, zei ik. Dat moet eind jaren zeventig geweest zijn. Eddy leeft anders. Maar dat mag. Hij doet niemand iets verkeerd.

Wat is nu het geheim van “dat ras”, zoals Patrick Lefevere dat ooit zei?

Het geheim? Wij hebben ervoor geknokt. Maar Patrick bedoelde dat niet positief. Hij wou zeggen: die bohemers, die halve zotten. Dat ging toen over Jo, de zoon van Willy. Ik heb dat niet laten passeren. Ik heb hem een loer gedraaid.

“Toen Lefevere over ‘dat ras’ sprak, wou hij zeggen: die bohemers, die halve zotten. Dat raakt mij.”

Vertel.

Dat was op een kleine koers in Leuven. Zijn ploegleider had geen vergunning. Ik heb dat gemeld aan de organisatie. Die man mocht dus niet meerijden. Patrick is van West-Vlaanderen moeten afkomen om in de volgwagen te kruipen. “Bedankt”, zei hij. “Graag gedaan”, zei ik, “dat is van dat ras”. (zwijgt even) Zo ben ik ook. Ik laat niet slecht praten over mijn familie. Dat raakt mij.

Was de familieband altijd even hecht?

We hebben onze akkefietjes gehad. Die worden natuurlijk opgeklopt in de media. We komen overeen vandaag, dat is het voornaamste. We hoeven elkaar daarom niet elk weekend te zien. Toen de kleindochter van Eddy te vroeg geboren werd, heb ik elke avond drie weesgegroetjes gebeden. Ik ben nochtans niet gelovig. Ik kan niet geloven in een God die pedofielen toelaat. Maar toen … (even stil) Ik kon niet om met de gedachte dat dat kindje daar in het ziekenhuis lag te vechten voor haar leven.

Je bent ook gehecht aan je roots in Nevele.

(knikt) Ik woon al zeventig jaar op dezelfde grond, en ik hoop dat ik hier mag sterven. Mijn jongste zus woont naast mij, in het ouderlijk huis. Willy woont aan de andere kant. Ik heb de wereld gezien dankzij de koers. Maar dat zegt mij niet veel. Ik ben een raar geval op dat vlak. Ik ben in heel mijn leven twee keer op vakantie geweest: een keer naar Tunesië en een keer naar Spanje. Zeker dat eerste land is me niet bevallen. Je wordt heel de tijd lastiggevallen. Je kan mij ook geen plezier doen met een schoon hotel en een zwembad.

Wat zegt je vrouw daarvan?

Zij is daar niet gelukkig mee. Ik heb haar wel beloofd dat als ik ooit stop, we toch eens meer weggaan. Mijn dochter heeft nu voor mijn verjaardag een weekendje gepland in de B&B van Eddy. Ik ga daarvan genieten, maar vooral omdat mijn kleinzoon Stan erbij is. Dat is mijn grootste vriend vandaag. (glundert) Als hij mij ziet, moet hij niemand anders hebben.

Heb jij nog dromen?

Neen. Ik doe wat ik graag doe en ik heb alles wat ik wil hebben. Ik leef op mijn manier en ik kom niets te kort. Ik ben gelukkig zo. (zwijgt even) Roger De Vlaeminck, een kameraad van mij, ligt echt wakker van ouder worden. Ik heb dat niet. Ik ben alleen bang om kanker te krijgen of zo. Dat heeft opnieuw te maken met mijn kleinkind. Ik zou dat manneke zó graag zien opgroeien.

 

Het sportrapport van Walter Planckaert

Als kind was mijn idool …

Muhammad Ali. Ik stond ’s nachts wakker om hem te zien boksen.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Marieke Vervoort. Zo afzien en toch die resultaten behalen: ik heb daar grandioos veel respect voor.

Mijn mooiste sportmoment?

De Ronde van Vlaanderen winnen in 1976. Je kan dat gevoel onmogelijk beschrijven.

Mijn grootste ontgoocheling?

Het Belgisch kampioenschap van 1975. Willy Teirlinck vliegt me voorbij op enkele meters van de meet. Ik had één keer moeten omkijken. Dan was dat nooit gebeurd.

(foto belga)