NEVELE Willy Planckaert was de eerste van het roemrijke geslacht die op een fiets kroop. Hij was ook de meest getalenteerde. Toch verbleekt zijn palmares bij dat van broers Walter en Eddy. Te vroeg opgebrand. Vrijdag is de aimabele Oost-Vlaming 75 jaar geworden. Wij blikken terug.

“Zwijg me over die leeftijd”, waarschuwt hij meteen. “Ik lig er wakker van. Niet elke nacht, hè. Soms. Ik voel me goed, dat wel. Maar toch. Vier maanden geleden ben ik door het oog van de naald gekropen. Hartproblemen. Ik was niets gewaar in het gewone leven, maar op de fiets voelde ik toch iets. Een operatie bleek noodzakelijk. De kransslagader zat voor tachtig procent dicht. Ik heb dus geluk gehad. Ze hebben een stent gestoken. Was ik niet naar de dokter gegaan, dan kon ik al doodgevallen zijn.”

Willy woont in Nevele, al zijn hele leven. Dochter Ann, lerares, en zoon Jo, ook een ex-renner, wonen vlakbij. Hoe zijn dagen eruit zien? “Ik ben met pensioen, hè. Dat betekent weinig doen, en veel genieten. (lacht) Ik sta elke ochtend om acht uur op. Ik eet mijn boterhammekes en lees mijn krant. Daarna ga ik een toerke fietsen. Of wat in de tuin werken. Na de namiddag gaan we een koffietje drinken en een taartje eten. Mijn vrouw en ik zijn 51 jaar getrouwd. Ik ben nog van de oude stempel, hè. (lacht)”

Je hebt ook van de politiek geproefd in oktober.

(zucht) Dat is waar. Ik heb op de lijst van N-VA gestaan. Eenmalig, hoor. Dat werd mij al jaren gevraagd tussen pot en pint. Ik wou dat eerst niet doen. Maar hoe gaat dat? Die mannen blijven aandringen. ‘We hebben u nodig, Willy.’ Ik kwam uiteindelijk elf stemmen tekort voor de gemeenteraad. Ik lig er niet wakker van. Wie in de politiek zit, moet veel onder de mensen komen. Dat zou niets voor mij zijn. Ik ben geen grote uitgaander.

Je bent vrijdag 75 geworden en vandaag de Ronde van Vlaanderen. Is dat niet twee keer feest?

Maar neen, gij. Een taartje en een koffie, dat zal het zijn. Ik ga natuurlijk naar de koers kijken, liefst vanuit mijn zetel, alleen. Ik word niet graag gestoord tijdens de koers.

Je broers Walter en Eddy hebben de Ronde op hun palmares, jij niet. Is dat een gemis?

Jawel. Ik ben eens vijfde geworden. In 1966, mijn eerste Ronde. Een sprint met veertien. Ik weet dat nog goed. Vraag me iets van veertig jaar geleden, en ik zal het u zeggen. (lacht) Vraag me iets van vorige woensdag, en ik ben het vergeten. (weer serieus) Ik had die kunnen winnen, ja. Maar ik was amper 22 jaar. Veel te onstuimig in de sprint.

Jij was nochtans de meest getalenteerde Planckaert, zeggen kenners mij.

Ik denk dat ook. Al zeg ik dat niet graag van mezelf. Ik was de oudste thuis, en de eerste die met de fiets ging rijden. De anderen zijn gevolgd. Ik won koersen aan de lopende band, tot en met die eerste jaren als beroeps. In 1966 finishte ik in de top-vijf van zowat álle klassiekers. Ik won ook twee ritten in de Tour én de groene trui. Ik ben nog steeds de jongste groene trui ooit. Dat zal nooit meer gebroken worden. Maar goed, iedereen weet wat daarna gebeurd is. Opgebrand. Te veel moeten koersen die eerste jaren. Ik ben over mijn limiet gegaan, en heb dat niveau nooit meer kunnen evenaren.

Willy was de eerste en de meest getalenteerde Planckaert op een fiets

Was dat de schuld van ploegleider Lomme Driessens?

(aarzelend) Mja, voor een stuk. Maar ik zat in een moeilijke situatie, hè. Vader was net overleden na een auto-ongeluk. Moeder bleef achter met vijf kinderen en een boerderijtje dat moest afbetaald worden. Ik móest koersen om geld binnen te brengen. Ik werkte in die tijd ook als mekanieker. Dat was voor 18 frank per uur. Na die groene trui mocht ik deelnemen aan de criteriums. Ik kreeg daarvoor 15.000 frank. Versta je het? Dan is de rekening snel gemaakt, hè. In die tijd waren er 46 criteriums in België. Ik heb ze allemaal gereden. Daarna ben ik beginnen sukkelen. Leverproblemen. Geelzucht ook. (denkt na) Was mijn vader blijven leven, dan was mijn palmares tien keer groter.

En toch ben je blijven koersen, tot je 44e zelfs.

Wat moet je anders doen? Ik heb in de put gezeten, hoor. Ik praat daar niet graag over. (even stil) Ik behoorde altijd tot de besten. Ik werd beter betaald dan Merckx, hè. In de sprint kon níemand mij kloppen. Plots is dat voorbij. Plots word je ingehaald door jan en alleman. Ik was beschaamd in mezelf. Als we thuis bezoek hadden, verstopte ik mij. Ik wou niemand zien. Anderen zeiden dat ik te veel pillen had gepakt. Dat doet pijn, hoor, als dat geen waar is.

Je had wel nog een Belgische titel op je naam kunnen schrijven.

Dat is waar. Soumagne, 1973. Ik had toen móeten winnen. Verbeeck beloofde me honderdduizend frank als ik hem zou helpen. Dat is goed, zei ik. Even later was hij weg met Merckx. Ze bleven lange tijd tweehonderd meter voor ons rijden. Ik voelde op een moment dat ik dat gat zou kunnen dichten. Ik kan hier Belgisch kampioen worden, dacht ik. Die kans mag ik niet laten schieten. Ik kwam tot twintig meter, maar niet dichter. (zwijgt even) Merckx had zich op kop gezet en was echt álles aan het geven. Hij wou niet dat ik won, hij wou dat Verbeeck won. Verbeeck heeft gewonnen.

En die honderdduizend frank?

Die heb ik nooit gekregen.

Hoe was het leven na de koers?

Ik mag niet klagen. Ik heb een mooi leven gehad. Ik kon méér hebben, ja. Maar ik kon ook minder hebben. Kijk naar Freddy Maertens. Die jongen heeft een ongelooflijk palmares, maar staat er slechter voor dan ik. Hij was wellicht even goed als Merckx, met dat verschil dat niemand hem liet winnen.

Wat mag ik jou nog wensen?

Dat ik nog twintig jaar gezond mag blijven. Vaak mijn kinderen en kleinkinderen zien. Koffie drinken met mijn vrouw. Meer hoeft dat niet te zijn. En als ik dood ben, mogen ze mij verbranden en uitstrooien in mijn hof. (even stil) Dan is het voorbij. Ik geloof niet meer in de hemel of de hel. Als er één mogelijkheid is om terug te keren, zei mijn vader, dan doe ik dat. Ik heb hem nooit meer gezien, hoor.

Sportrapport

Mijn mooiste sportmoment?

De groene trui van 1966 heeft het meeste aanzien. Maar mijn mooiste overwinning dateert van 1965. Een koers in Saint-Quentin. Ik klop er André Darrigade in de sprint. Hij, de grote man, ik, een jongen van 21. (lacht) Ik heb veel plezier beleefd aan die overwinning.

Mijn grootste ontgoocheling?

Het WK voor liefhebbers in 1964. Ik win de sprint van het peloton, en steek mijn armen in de lucht in de overtuiging dat ik wereldkampioen ben. Helaas. Ik zie daar plots Merckx staan. Ik dacht dat wij onderweg alle renners hadden ingelopen. Dat bleek dus niet te kloppen. Merckx was ervandoor gegaan, zonder dat ik dat wist.