Levende basketlegende Willy Steveniers blikt openhartig terug op zijn turbulente leven: “Ik was altijd een dikke nek”

707

Een waanzinnig leven heeft hij achter de rug. Vol drank, vrouwen en vaak ook tristesse. En basket, veel basket. Toch doet niets vermoeden dat hij er volgend jaar 80 wordt. Willy Steveniers, de meest getalenteerde Belg aller tijden. Als een jong veulen dartelt hij naar me toe. We hebben afspraak in De Nachtegaal, de familiebrasserie aan park Middelheim in Antwerpen.

“Dat verwacht je niet van een manneke van 79, hè jongen”, lacht hij in dat volle Antwerpse accent. “Al mijn leeftijdsgenoten lopen zó”, en hij stapt even gebogen verder. Steveniers oogt tiptop gezond, hij straalt. Hij zit strak in het pak ook. Speciaal voor dit interview, zegt hij. De brasserie is van zoon Nathan. Maar hij en zijn vrouw Anita springen nog elke dag bij. Wat zijn geheim is, vraag ik. “Mijn zwarte krullen moet ik kleuren, maar de rest is puur natuur. Ik ben een oermens. Dat heb ik meegekregen van mijn ouders, één van de weinige goede dingen. Ik kan alles, ik mag alles, geen ziekte, geen kwetsuur.”

Steveniers was in de jaren zestig en zeventig het enfant terrible van het Belgische basketbal. Hij maakte furore op en naast het veld bij Zaziko (Antwerpen), Racing Mechelen en Standard. Il Caesare was zijn bijnaam, De Keizer. Hij pakte titels en bekers, en won individuele trofeeën. Niemand heeft ooit minder gedaan voor zijn sport, maar niemand is ooit beter geweest, zei Louis De Pelsmaeker eens. “Ik zeg dat zelf ook. Ik scoorde overal veertig punten, ook in Europese wedstrijden. Geen Belg doet me dat na. Ik ben de strafste Europese aanvaller aller tijden. Misschien zelfs wereldwijd. Als amateur, hè. (zwijgt even) Veel mensen vinden dat niet kunnen, dat ik dat zeg van mezelf. Maar ik was altijd een dikke nek. Ik ga voor niemand achteruit, zelfs voor Michael Jordan niet. Weet u hoe dat komt? Ik had als klein manneke grote complexen, frustraties. Mijn vader, een bokskampioen, vernederde mij altijd. Ik was voor niets goed. Basket was een janettensport. Ik wou bewijzen dat ik ook iemand was.”

Die drang is een rode draad in je leven, niet?

Ik voel die nog steeds. Dat is een slechte gave, hoor. Ik was vijftien toen ik thuis wegliep. Mijn vader zat aan mijn lief. Die dingen kan je niet verwerken. Als je klein bent, krijgt je karakter vorm. Ik heb alles op straat geleerd. Ik heb moeten knokken voor mijn boterham. Ik had één geluk: Yvonne, een alleenstaande madam. Zij nam me in huis. Zonder haar was ik wellicht in het gevang beland. Ik was makkelijk beïnvloedbaar.

Heb je je ooit verzoend met je ouders?

Neen. Ik heb ze pas zes jaar later teruggezien. Ik speelde toen al in eerste. Ik wou mijn vader maar één iets zeggen: kijk eens wie ik ben, en wie ben jij nu. (even stil) Ik wou alleen maar revanche. De band is nooit hersteld.

Wat was je geheim als speler?

Wel, de mooiste uitspraak komt van journalist Bob Geuens. Die zei: Steveniers heeft de fysiek van een zwarte, het lef van een Nederlander en de brains van een jood. Ik was met mijn 1 meter 80 nochtans steevast de kleinste, maar ook de snelste. (lacht) Neen, kijk, ik ben te losbandig geweest. Ik heb daar spijt van. Ik heb maar zeventig procent uit mijn carrière gehaald. Ik had wel karakter, hoor. Als ik iets wou, dan bereikte ik dat. Maar ik kon niet leven als prof. Ik was mentaal niet sterk genoeg. Ik kon naar de NBA toen ik 21 was. Ik zei neen. Ik was een beroemdheid in België. Mensen kwamen voor mij naar de basket. Waarom zou ik dan vertrekken? Nu zou ik dat anders doen.

“Ik zie mijn zoon Joeri doodgraag. Maar ik heb afstand moeten nemen. Hij wil niet genezen.”

Hoe zagen die wilde jaren eruit?

(blaast) Je zal niet geloven wat ik zeg. Ik zette de bloemetjes buiten zoals niemand dat kon. Op restaurant dronk ik drie, vier aperitieven, een fles wijn, misschien twee, en daarna tien Irish Coffees. En dan ging ik uit. En roken. En meisjes versieren. Maar de dag nadien maakte ik veertig punten. Dat mocht tegen Milaan zijn. Tegelijk werkte ik in de diamant. Ik weet: wat ik vertel, is triest. Ik heb mijn talent vergooid.

Dronk je om een falend privéleven te verdoven?

Ik zoek niet graag excuses. (even stil) Maar oké: mijn eerste zoon, Joeri, zat aan de heroïne. Dat was de hel voor mij. Ik ben toen diep gezakt. De drank, ja. Maar ik ben ook van dag op dag gestopt. Zonder hulp. Ik raak al meer dan 30 jaar geen druppel meer aan.

Sterk!

“Ik heb meer respect voor de man die gestopt is met drinken dan voor de sportman”, zei Eddy Merckx mij eens. Een mooi compliment van de grootste aller tijden. Dat heeft karakter gevraagd, ja. Ik heb al mijn vrienden losgelaten, want dat waren allemaal macho’s en drinkers. Maar ik moest. Het kon zo niet verder. Ik was toen al samen met Anita (zijn tweede vrouw, red). Wij hebben twee kinderen, Sebastian en Nathan. Ik wou als een echtgenoot en een vader gaan leven. Zij heeft mij geleerd wat familie betekent. Ook haar moeder was een schitterende vrouw. Ik denk dat ik nu mag stellen dat ik een goede vader ben. (glundert) Ik ben zó fier op mijn zonen. Dat zijn mijn beste vrienden.

Hoe is het met Joeri vandaag?

Ik zie hem al vier, vijf jaar niet meer. Die jongen is ongelukkig. Een junkie. Wellicht is hij bij iemand die ook zo is. (even moeilijk) Ik zie die jongen doodgraag, echt waar. Maar ik heb afstand moeten nemen. Hij geneest niet. Hij wil niet.

Verwijt je jezelf iets?

Ik ben er niet in geslaagd hem te redden. Dat kan ik moeilijk verwerken. Ik was er niet op bepaalde momenten. Veel mensen hebben in mijn schaduw moeten leven. Ik ben een egoïst geweest. Maar Anita heeft mijn leven veranderd. Ik had een intelligente, onafhankelijke vrouw nodig. Zij is dat. Ik moet geen kwijlende hond hebben.

“Ik had een monument moeten zijn in Antwerpen. Maar dat ben ik niet. Wellicht heb ik de mensen te vaak uitgedaagd.”

Is de rebel dan helemaal getemperd?

Hij is bedachtzamer in zijn uitspattingen. (lacht) Ik weet nu wat geluk écht betekent. Dat is niet de luxe. Dat zijn mijn zonen, mijn vrouw. Maar gezond leven doe ik niet, vrees ik. Ik eet wat ik wil. Ik slaap amper drie, vier uur per nacht. Ik heb een hobby die al eens uit de hand loopt. (stiller) Ik ben een casinospeler, in Nederland.

Is dat niet gevaarlijk?

Ik heb het gevaar altijd opgezocht. Maar ik ben nooit gesprongen. Ik heb elke week mijn zondag. Als dat op is, is dat op.

Ben je bang voor de toekomst?

(fel) Bang ben ik nooit. Ik ben niet gelovig. Ik geloof alleen in mezelf. Dus over de dood moet ik al niet nadenken. Maar ik vraag me wel eens af of ik het zou kunnen aanvaarden om als een oud manneke niet meer te kunnen doen wat ik wil. Ik denk van niet.

Volg je de basket nog op de voet?

Ja. Antwerp is mijn grote liefde, hè. Ik had hier de grote man moeten zijn, een monument. Maar dat ben ik niet. Wellicht heb ik de mensen te vaak uitgedaagd. Ik had een stoute mond. Journalisten smulden daarvan. Ik kon het niet laten. (zwijgt even) Ik ga ook niet meer kijken. Ik zal zeggen waarom. Mijn zonen hebben er gespeeld. De mensen die op mij revanche wilden, hebben dat op hen uitgewerkt. Dat heeft mij pijn gedaan. Maar het kriebelt nog, hoor. Ik zou nog graag eens een atleet van 2 meter 20 onder handen nemen.

Zoals Didier Mbenga. Waarom is dat fout gelopen?

Ik heb die man van het asiel gehaald, in huis genomen, leren basketten. Hij kon niets. Hij noemde mij zelfs Dieu. En ja, wij hadden een contract. Is dat niet logisch? Ik had zoveel geïnvesteerd in hem. Maar hij liet me vallen toen hij naar de NBA trok. Ik heb hem niet meer gezien. Ik weet zelfs niet waar hij uithangt. Hij heeft mij onrechtvaardig behandeld. Ik blijf erbij. Dat is niet verteerd.

Het sportrapport van Willy Steveniers

Als kind was mijn idool …

Rik Van Steenbergen en Rik Van Looy. Koers is een grote passie.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Die atlete, Nafi Thiam. Wat een vedette. En ze heeft nog marge.

Mijn mooiste sportmoment?

Uitgeroepen worden tot beste speler van Europa. Dat was met de Europese ploeg in Ljublana. Ik maakte gemiddeld dertig punten per wedstrijd.

Mijn grootste ontgoocheling?

Dat ik nooit geëerd ben in mijn stad. Ondanks mijn grote mond had ik dat wel verdiend. Ik ben een echte sinjoor.

(foto belga)