Volleyballer Wout Wijsmans is bezig aan het laatste hoofdstuk van een fenomenale carrière: “Mijn truitje was mijn tweede vel”

1934
(foto BART VANDENBROUCKE)

Het is droef gesteld met de beleving van volleybal in ons land. “En niemand lijkt initiatief te durven nemen.” Aan het woord is Wout Wijsmans, onze meest succesvolle speler ooit. De 38-jarige Limburger won Champions League, titels in eigen land, Italië en China en tal van individuele trofeeën. Vooral in Italië maakte hij furore. In Cuneo, een stadje in het zuiden van Piemonte, is Wijsmans een icoon. Sinds vorige zomer speelt hij weer in eigen land, bij Maaseik.

Het stond in de sterren geschreven dat Wout Wijsmans zou volleyballen. Vader Noël speelde, moeder Moniek speelde nog beter. Zij schopte het tot Yellow Tiger, international. En toch is er ook toeval mee gemoeid. “Ik wou eigenlijk niet volleyballen. Ik voetbalde liever. Of tennissen. Maar ja, uiteindelijk speel je toch een keer en blijkt dat je er goed in bent. Ik was al elf toen. Zelfs vandaag nog kijk ik liever basket en tennis dan volley.”
Wijsmans stak er al op jonge leeftijd met kop en schouders bovenuit. Hij won in België al wat er te winnen valt, en verkaste op zijn 22e naar Italië. Veertien jaar zou hij er spelen, voor achtereenvolgens Ferrara, Macerata en Cuneo. Na omzwervingen in China en Turkije speelt hij nu weer ‘thuis’. Al is dat in het geval van een kosmopoliet als Wijsmans niet de juiste uitdrukking. “Als ik ergens drie jaar woon, word ik onrustig. Dat heb ik van mijn vader. Hij werkte voor IKEA in België, Denemarken, Zweden en Canada. Ik heb nooit lang op dezelfde plaats gewoond. Alleen toen ik in Cuneo speelde, had ik even het gevoel van: hier wil ik blijven. Je leert er je vrouw kennen (Hana, een Tsjechische, red), je kinderen worden er geboren, je bouwt er een huis. Maar na tien jaar was ik toch weer toe aan een nieuwe uitdaging.”

Dat werd China. Was dat niet moeilijk voor je vrouw en kinderen?
Nee, het was zelfs Hana die me stimuleerde. Zij passen zich heel snel aan. Ik zou trouwens nooit ergens gegaan zijn zonder hen. Je merkt dat wij dankzij die buitenlandse avonturen heel close zijn als gezin. Je moet wel op elkaar terugvallen als je zo ver woont. Ik vind het heel fijn dat ik zo’n goede band heb met Emma en Jules (nu 7 en 8, red). Zij zien mij als hun beste vriend. Ik zou het niet anders willen.

Is het aanpassen voor hen in België? Zij hebben hier nooit gewoond.
Dat valt goed mee. We wonen in het centrum van Maaseik. Dat is Peking of Istanbul niet, maar het is wel tof. We kunnen overal met de fiets naartoe. De kinderen gaan naar een internationale school in Maastricht, want wij spreken Engels thuis. Maar ze leren nu wel Nederlands met de liedjes met K3. En mijn vrouw is van plan werk te zoeken, zij is vertaler-tolk. Dus ja, het zou kunnen dat we ons even settelen. Al weet je nooit. (lacht)

In Cuneo ben je een monument. Toen je er vertrok, is er zelfs beslist je rugnummer zeven nooit meer toe te kennen. Hoe flik je dat?
Je ziet dat zelden in het volleybal. Ik ben de tweede, na Bernardi in Treviso. Ik had zoiets niet verwacht, neen. Ik was heel emotioneel. Weet je, dat maakte alles goed: de jarenlange opofferingen, de weinige appreciatie in België. Ik heb tien jaar alles gegeven en gelaten voor die club: mijn truitje was mijn tweede vel. Ik probeerde als kapitein op én naast het veld iedereen mee te krijgen in mijn enthousiasme. De mensen zien dat graag. Ik kan er geen winkel of café binnengaan of ik word aangesproken.

Je nam ook de looks over van de Italianen.
Dat is toch logisch als je ergens lang speelt? (lacht) Je begint je te kleden en te gedragen zoals hen. Je laat je haar groeien.

foto BART VANDENBROUCKE
foto BART VANDENBROUCKE

En je tatoeages?
Ik had al eentje voordat ik naar Italië trok. Dat is niet typisch Italiaans. Moest ik niet getrouwd zijn, ik zou er nog veel meer hebben. Mijn vrouw vindt het maar niets. Zij heeft mij gelukkig wel toelating gegeven voor deze op mijn arm (rolt mouw op): het nummer zeven met daarrond de namen Emma en Jules. Dat is voorlopig mijn laatste.

Je noemt het zelf al: je prestaties hebben in België nooit veel waardering gekregen. Frustreert dat?
De eerste jaren wel, ja. Als je weer eens geen punten krijgt voor de sportman van het jaar, wind je je daar ferm in op. Nu niet meer. Ik heb me daarbij neergelegd. Ik vind het alleen jammer dat de mensen niet beseffen wat ik op het hoogste niveau gepresteerd heb. Ze hebben mij nooit zien spelen, en nu haal ik dat niveau niet meer.

“Ik vind het jammer dat de mensen niet beseffen wat ik gepresteerd heb”

Met de nationale ploeg heb je nooit potten gebroken. Heeft dat ermee te maken?
(blaast) Dat weet ik niet. Ik had de pech dat ik tussen twee goede generaties viel. De organisatie trok ook op niet veel. Ik was toen de enige die in het buitenland speelde. Als ik wou afkomen, moest ik zelf mijn vliegticket betalen. Ik heb nooit geld willen verdienen aan de nationale ploeg, maar dat vond ik erover. Dat is nu veranderd. (zwijgt even) Wat misschien ook meespeelt, is dat ik eerder een gesloten persoon ben. De mensen zien liever iemand als Frank Depestele komen dan ik. Hij praat met iedereen.

Je speelt sinds vorige zomer weer in België. Nog geen spijt?
(denkt lang na) Op persoonlijk vlak ben ik blij terug te zijn. Op sportief vlak is het een wisselvallig seizoen. Ik wou zo graag in schoonheid afscheid nemen. Maar let op: alles kan nog (Maaseik is gedeeld leider, red). De druk op mij is wel groot, en ik voel dat ik niet meer de mentale kracht heb om die te dragen. Ook fysiek voel je de jaren. Mijn vrouw zegt elke morgen: zou je niet beter stoppen.

En wat antwoord je dan?
In principe heb ik nog één jaar contract. Maar ik veronderstel dat de club na dit seizoen een evaluatie zal maken. Nu, als het dit seizoen niet is, wordt volgend seizoen mijn laatste.

En dan?
Trainer worden is niets voor mij. Ik zou graag jonge sporters begeleiden. Ervoor zorgen dat zij geen domme dingen doen. Of voordrachten geven aan bedrijven en organisaties over sport en leiderschap. Dat moet wel in me zitten.

“Laat eens een wedstrijd van Maaseik plaatsvinden in Hasselt of Genk zodat je nieuwe supporters werft”

Is het verschil tussen de Italiaanse en de Belgische competitie groot?
Ja, natuurlijk. De Italiaanse was tot voor enkele jaren de mooiste ter wereld. Met de economische crisis hebben wel wat sponsors afgehaakt en is het zwaartepunt verschoven naar Rusland, Polen en misschien ook Turkije. Je kan de Belgische competitie daarmee niet vergelijken. Alleen al de beleving. In Cuneo speel je altijd voor 3.000 man, in België zelden voor 1.000 man.

En financieel?
In Italië liggen de nettolonen gemiddeld tussen 50.000 en 300.000 euro. In België is er niemand die 100.000 euro verdient. Ik ook niet, nee. (lacht)

Vaak zit er geen volk op onze tribunes. Wat moet het volleybal doen om aan populariteit te winnen? De bekerfinale bewijst nochtans hoe meeslepend het kan zijn.
Dat klopt, en ook het niveau is helemaal niet slecht. (denkt na) Je moet op een of andere manier mensen enthousiasmeren. Doe eens iets rond de wedstrijd. Zorg dat mensen gelukkig naar huis gaan, ongeacht de uitslag. Speel live muziek. Clubs zouden ook kunnen samenwerken. Zorg dat onze supporters mee kunnen naar Lennik. Dat zal voor meer sfeer zorgen. Of laat eens een wedstrijd van Maaseik plaatsvinden in Hasselt of Genk zodat je nieuwe supporters kan werven. Je kan ook samenwerking met een voetbalclub overwegen. Ik weet het: dit is niet eenvoudig. Maar ik heb het gevoel dat er vandaag helemaal niets gebeurt. Niemand lijkt initiatief te durven nemen.