Zeilster Evi Van Acker: “Ik weet nu wat een burn-out is”

2016
Evi Van Acker droomt van Olympisch goud in Rio 2016. (foto belga)

Een open grasplek, een bankje, een zonnetje. Een mooie gesprekspartner. In alle betekenissen van het woord. De enige klanken het gefluit der vogels en een sappige Gentse tongval. Nee, soms moet een interviewer niet meer wensen. Aan de overkant van het bankje ’s werelds beste zeilster, Evi Van Acker. Klaar voor een openhartig gesprek.

Toen deze Zaffelaarse drie jaar geleden de Nationale Trofee voor Sportverdienste kreeg, haalde atletiekcoryfee Kim Gevaert uitgebreid de loftrompet boven. “Zij is charmant, intelligent en bereikbaar, een grote sportpersoonlijkheid.” Evi Van Acker, 29 lentes jong, moet er nog steeds om blozen. “Ik hóóp dat ik zo ben. Je hebt als bekende sporter toch een verantwoordelijkheid. Zo ga ik in de mate van het mogelijke in op vragen voor het goede doel. En fanmail beantwoord ik ook zelf.” Enige verwaandheid is haar vreemd, ook al is zij de nummer één van de wereld. Daar heeft haar opvoeding mee te maken. “Mijn ouders hamerden op nuchterheid en discipline.” Intelligent is ze ook. Twee diploma’s heeft ze op zak: bachelor Chemie en master Bio-ingenieur.

Klinkt wel vreselijk saai, hè?
Chemie was ook keisaai (lacht). Daarom ben ik veranderd van richting. Al bleek Bio-ingenieur nog saaier. Nu, ik vond het vooral belangrijk ‘een’ diploma te halen. Anders heb je niets als je morgen je been breekt. Mijn ouders stelden het ook als voorwaarde om verder te mogen zeilen. Het was wel niet evident dat te combineren. Dat is de reden waarom ik mijn bachelor in Amsterdam gevolgd heb, een toffe ervaring. Topsport en studie zijn er beter op elkaar afgestemd. Je moet er minder van buiten leren. Je weet dan misschien wel minder, maar je kán uiteindelijk wel meer.

Heb je er aan de verleiding van de coffeeshops kunnen weerstaan?
Absoluut, jong. Ik heb in mijn leven nooit een sigaret aangeraakt (lacht). Ik drink ook zelden alcohol. Als ik al eens uitga, dan drink ik weinig, ik word snel zat. En ik ben bang om dan de controle over mezelf te verliezen. Misschien kom ik zo niet over, maar ik ben een heel serieus iemand. (zwijgt even) Als je topsport wil doen, moet je veel opofferen. Hoe ouder je wordt, hoe zwaarder dat is. Als je 20 jaar bent en je mag de wereld rondreizen, dan is dat plezant. Vandaag is dat anders. De mensen rondom je beginnen een nieuw deel van hun leven. Ze trouwen, krijgen kindjes. Niet dat ik dat nu meteen wil, maar je denkt er wel over na.

Waarom doe je dit allemaal? Miljonair zal je niet worden en voor de publieke aandacht moet je het ook niet doen.
Dat klopt, maar die aandacht hoef ik niet. Ik zou het vreselijk vinden in de boekskes te verschijnen. Ik doe dit gewoon graag, dit is mijn passie. En het winnen geeft me echt een kick. Dat lijkt me duizend keer beter dan een joint roken (lacht). Zeilen is leuk, maar winnen is zoveel leuker.

“Winnen geeft me echt een kick. Dat lijkt me duizend keer beter dan een joint roken.”

Ik vind het iets heroïsch hebben: die eenzame strijd in dat gammele bootje tegen de woeste wateren.
O, ik ben eenzaam geweest, maar die tijden liggen ver achter mij. Vandaag hebben we een heel team waarmee we lief en leed delen. Maar heroïsch, nee, zo zie ik dat niet. Voor mij is dit gewoon doen wat ik altijd graag gedaan heb. Ik ben beginnen zeilen toen ik 6 jaar was. Met het afgedankte materiaal van mijn broer. Ik vond het meteen de max. En voor we het goed en wel beseften, waren we elk weekend en elke vakantie aan het zeilen. Toen ik 13 was, werd ik Europees kampioen. Dan wist ik dat ik niet slecht was.

Had je een voorbeeld?
Als kind niet. Later raakte ik gefascineerd door de Noorse zeilster Siren Sundby, die is een jaar of drie ouder. Zij was ongelooflijk goed. Ik had heel veel bewondering voor haar. Tot ze er met mijn lief vandoor ging.

Pardon?
Echt waar (lacht luid). Ik was een jaar of 16 en had een Noors vriendje. Maar van de ene op de andere dag was dat plots haar vriendje. Dan is ze wel wat in mijn achting gezakt, moet ik zeggen.

Je bent jong, knap en succesvol. Moet je de mannen van je afslaan?
(lacht) Dat valt goed mee. Ik denk dat de meesten wel weten dat ik een vriend heb. Af en toe krijg ik wel grappige verzoekjes, mensen die me willen leren kennen en zo. Dan weet ik niet goed wat te antwoorden. Op ongepaste verzoekjes reageer ik sowieso niet. Maar die krijg ik zelden. Ik vind het ook altijd raar om op straat herkend te worden. Mensen praten dan tegen je alsof ze je kennen, maar ik ken hén niet. Nu, ik mag niet klagen. Behalve in Gent kan ik overal redelijk anoniem rondlopen.

20131116 - LANZAROTE, SPAIN: Sailor Evi Van Acker pictured during a training session at the BOIC-COIB Belgian Olympic Committee sports camp, Saturday 16 November 2013, in Lanzarote, Spain. BELGA PHOTO BRUNO FAHY
Evi Van Acker kreeg na de Spelen in Peking een burn-out. (foto belga)

Je zeilt op prachtige plaatsen, zoals deze zomer in Copacabana. Kan je daarvan genieten?
Vanop het water wel, maar we hebben weinig tijd om de streek te verkennen. Wij trainen, eten en slapen. Het is natuurlijk prachtig zeilen in de baai van Rio. Ik hou ook van het Gardameer en het helder blauwe water van de Caraïben waar je de vissen ziet zwemmen terwijl je zeilt. Ik zou geen zwemmer kunnen zijn die elke dag in hetzelfde water zwemt.

Je noemt de Spelen in Peking je grootste ontgoocheling. Waarom?
Dat was de meest trieste periode in mijn leven. (zwijgt even) Ik was het jaar voor de Spelen de nummer één van de wereld. De druk die de buitenwereld me oplegde, was immens. Elke krant bombardeerde me tot topfavoriet. Ik kon daar niet mee omgaan. Ik heb ook mezelf te veel druk opgelegd. Ik ben toen mentaal en fysiek compleet gecrasht. Ik heb maanden niet kunnen trainen, kreeg darm- en maagproblemen, dat was ziekenhuis in, ziekenhuis uit. Mijn fysieke begeleiding was ook slecht. Ik was echt overtraind. Het is een wonder dat ik in die omstandigheden nog achtste werd in Peking. Maar toen voelde dat aan als een drama. Ik had gefaald. (stil) Vlak na Peking zou ik aan de unief in Gent beginnen. Ik zag zelfs dat niet meer zitten, ik had angst opnieuw te falen.

Heb je daar met iemand over gepraat?
Ik wou dat niet. Ik kon het ook niet. Vandaag zou ik dat wel doen, ik zie nu het nut daarvan in. Maar toen was ik amper 23. Ik had ook niemand rondom mij, geen team zoals vandaag. (stil) Ik was alleen, ik voelde mij alleen. Ik wou zelfs mijn bed niet meer uit. Ik was alleen maar verdrietig. Dat heeft anderhalf jaar geduurd: van het moment dat ik overtraind was tot maanden na Peking. Dan pas is tot mij doorgedrongen hoe diep ik wel zat. Ik had een complete burn-out. Toen wist ik niet wat dat was, nu wel. Dat is afzien, echt afzien. Dat wens je niemand toe.

Jij oogt nochtans altijd vrolijk.
Dat denken de mensen (glimlacht). Ik kan niet gemakkelijk ontspannen, ik kan de dingen niet loslaten. Ik wil alles perfect doen. Ik háát het als ik eens niet top ben.

Na je bronzen medaille in Londen heb je even gedacht aan stoppen.
Had ik toen goud gewonnen, dan was ik waarschijnlijk gestopt. Als je het hoogste bereikt hebt, dan kan je niet meer beter doen. Het summum voor mij is Olympisch goud. Maar ik ben blij dat ik uiteindelijk een derde Olympische campagne gestart ben. Ik maak weer zovele mooie momenten mee. Ik denk dat ik nooit beter zeilde als nu.

De Spelen in Rio volgende zomer, zal dat je eindpunt zijn?
Laat me eerst in Rio geraken, dat zal al niet evident zijn. Er mag maar één Belgische gaan, en Emma Plasschaert is ook goed bezig. Maar oké, Tokio 2020 lijkt mij niet meer haalbaar. Dan zal het tijd zijn voor iets anders. Ik heb nog vele dromen. Een brunchbar openen misschien. Ik hou van koken. En enkele kindjes, ja, dat ook.

Dit interview verscheen in De Zondag van 12 juli 2015.