Het Belgisch hockeyteam behoort al jaren tot de wereldtop. Op de Olympische Spelen in Rio zal voluit gemikt worden op een medaille. Exponent van deze succesgeneratie is Felix Denayer, intelligent, mondig en ambitieus. De 26-jarige Antwerpenaar was er al bij op de Spelen in Peking en Londen. In zijn trofeeënkast pronken ook twee Gouden Sticks, de trofee voor beste speler in onze competitie. Denayer speelt voor Dragons Brasschaat.

De Red Lions zetten alles op alles voor Rio. Zelfs clubbelangen moeten wijken. Alleen op vrijdag wordt er nog in clubverband getraind, van maandag tot donderdag staat alles in teken van de nationale ploeg. En dat sinds oktober. “In het begin was het moeizaam de clubs hiervan te overtuigen”, vertelt Denayer. “Het is niet evident wat wij vragen: je beste spelers vier dagen per week afstaan. Maar wij wilden dit absoluut, en zij wilden onze droom niet in de weg staan. Je moet weten: negentig procent van de internationals werkt of studeert nog. Zij hebben er allemaal voor gekozen om ofwel looponderbreking te nemen ofwel even te stoppen met studeren. En dat allemaal voor Rio.”

Dat zegt iets over jullie motivatie.
Dat zegt alles. We zijn ongelooflijk ambitieus.

Ben jij al afgestudeerd?
Bijna. Enkel mijn thesis nog (toegepaste economische wetenschappen, red). Dat moet wel lukken tegen juni.

Wie betaalt jullie?
De bond, de clubs en private sponsors. Wij hebben die optelsom nodig om te overleven. Veel verdienen we hier niet aan. Maar we zijn creatief. Jérôme Truyens bijvoorbeeld heeft een platform voor crowdfunding opgezet: Rising Track. Heel knap.

En jij zit in het Vivaldis Interim Challengers Team dat atleten uit kleinere sporten steunt op weg naar Rio. Zorgt dat voor financiële ademruimte?
(knikt) Ik vind het top dat zij mij willen steunen. Let op: dat gaat niet over riante bedragen. Maar het is een welgekomen extraatje. Ik besef ook dat ik voor sponsors geen reclamebord ben zoals Nafi Thiam of Pieter Timmers die ook in ons team zitten. Het is wel boeiend die mensen te leren kennen.

“Mijn beste jaren komen nog”

Jij bent op je 26ste al aan je derde Spelen toe. Moet je je soms in de wang knijpen?
Ja, absoluut. Had je dit op mijn zeventiende gezegd, ik zou je nooit geloofd hebben. Het is heel snel gegaan. In december 2007 werd ik voor het eerst opgeroepen voor de nationale ploeg. Acht maanden later stond ik in Peking. Het was maar liefst 32 jaar geleden dat de Belgische mannen zich nog eens kwalificeerden. Het is geweldig dit te mogen meemaken. Ik geniet, ja. Dit is een mooi begin van mijn carrière. (lacht) Mijn beste jaren komen nog.

In Peking werden jullie negende, in Londen vijfde: was dat het maximaal mogelijke?
Dat is dubbel. Onze ambitie in Peking was top-acht en dus een Olympisch diploma. Dat is niet gelukt. Anderzijds stonden we pas dertiende op de wereldranglijst. Dus ja. Londen is iets anders. (denkt even na) We speelden eerst tegen Nederland en Duitsland, twee topteams. Maar het liep bij hen niet zoals het hoorde. Ik heb het gevoel dat wij er niet genoeg in geloofden. We hadden iets kunnen rapen in die wedstrijden. En dan zouden we halve finale gespeeld hebben. Maar goed, we waren best wel fier op die vijfde plaats.

Weet je wat de beste prestatie ooit is van een Belgisch hockeyteam op de Spelen?
(lacht) Oh, wacht even: was dat geen derde plaats? In Antwerpen? Maar toen mochten er maar vier ploegen deelnemen.

Dat klopt, dat was in 1920. Teken jij voor brons in Rio?
Mja, ik ben ambitieus, hoor. Ik hou er niet van op voorhand over een derde plaats te spreken. Ik ga altijd voor het hoogst mogelijke. Maar let op: dat betekent niet dat ik alleen maar met goud gelukkig zou zijn.

Vorig jaar zei je in een interview dat jij als sportman alleen nog een titel mist.
Dat is ook zo. Met de Red Lions hebben we de laatste jaren een serieuze weg afgelegd, maar nu moeten we nog die kleine kloof met de absolute top dichten. Dat is natuurlijk de moeilijkste stap, maar ik geloof dat dat kan. Ik geloof dat wij elk team opzij kunnen zetten. Let op: wij behoren niet tot de grootste favorieten in Rio. Dat zijn Australië, Nederland en Duitsland. Vlak daaronder zitten wij, Engeland, India en Argentinië. Maar ik weet ook wel: het moet nu gebeuren. Rio is hét moment voor dit team om te oogsten. Het is het ultieme moment om te zien of we die laatste stap kunnen zetten.

Hoe verklaar je dat een klein land als België al jaren aan de wereldtop meedraait? In 2013 haalden jullie zelfs zilver op het Europees kampioenschap.
Peking is een kantelmoment geweest. Tot dan werd hockey heel amateuristisch beoefend. Wij waren al gelukkig als we één voormiddag per week samen kwamen met de nationale ploeg. Na Peking is de bond echt gaan investeren: in trainingsschema’s, in financiële begeleiding, in jeugd. En mét resultaat, zie je vandaag. Want onze jeugdploegen slagen er wél in internationale tornooien te winnen.

The best is yet to come?
Absoluut. Zonder twijfel.

Klopt het dat het voor jou allemaal begonnen is met borstel en blik in de gang in je ouderlijk huis?
(lacht) Dat klopt, ja. Samen met mijn vader. Hij speelde hockey, maar niet op hoog niveau. Hij deed ook andere sporten. Ik heb wel een grootoom die nog in de nationale ploeg gespeeld heeft. Je kan dus zeggen dat het een beetje in de familie zit. Maar het is vooral via vrienden dat ik met hockey in aanraking ben gekomen. Ik was direct verliefd. Op mijn zesde heb ik me aangesloten bij de Brasschaatse Draken, en ik ben er nooit meer weggegaan.

“Ik ben heel mondig, maar als iets mij niet zint, kan ik inwendig imploderen.”

Droom je nooit van het buitenland?
(blaast) Ik heb één keer lang getwijfeld om naar Nederland te verhuizen. Dat was twee jaar geleden. Ik heb het uiteindelijk niet gedaan. Kijk, ik ben van Antwerpen, mijn sociaal leven is hier, ik studeer hier, het klikt allemaal mooi in elkaar. Je mag ook het niveau van de Belgische competitie niet onderschatten. Dat stijgt jaar na jaar. Het gras is vaak groener aan de overkant, maar ik denk niet dat ik meer geluk op een ander zal vinden. Geld zou de enige drijfveer kunnen zijn, maar dat is niet de keuze die ik wil maken. Ik ben gelukkig hier.

Hoe zie jij je leven na de Spelen?
Daar begin ik over na te denken. Normaal zou ik dan afgestudeerd moeten zijn. Ik denk niet dat het haalbaar is om ook na Rio nog elke dag op het hockeyveld te staan. Ik wil werk zoeken. Ik zou heel graag een job vinden waar ik evenveel voldoening uit haal als vandaag uit het hockey. Liefst iets in de economische sector natuurlijk. Maar ik ben niet van plan te stoppen. Ik zou de twee passies willen combineren: een job en de club. Het wordt natuurlijk puzzelen om ook de nationale ploeg daarin te passen. Maar dat lukt wel. En als we ons plaatsen voor Tokyo in 2020, dan neem ik gewoon een sabbatjaar zoals de jongens nu.

Jij spreekt heel vlot. Is jouw mondigheid een grote kwaliteit?
(lacht) Ja, dat denk ik wel. Al moet ik mezelf soms temperen. Op het terrein ben ik het klankbord van de coach. Al is het een mes dat aan twee kanten snijdt. Ik ben heel mondig, maar als iets mij niet zint, kan ik inwendig imploderen. Dan heb ik weinig toegevoegde waarde voor het team. Gelukkig hebben we dan andere karakters die mij weten aan te pakken. Ja, zo zit er wel een goede samenhang in het team.

Het sportrapport van Felix Denayer

Als kind was mijn idool …
Basketballer Kobe Bryant.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …
Golfer Jason Day. Het zou geweldig zijn hem te ontmoeten in Rio. En misschien eens tegen hem te spelen. (lacht) Er zijn raakvlakken tussen golf en hockey.

Mijn mooiste sportmoment?
De finale van het EK in Boom in 2013. Of neen: de openingsceremonie in het Vogelneststadion in Peking. Onvoorstelbaar indrukwekkend.

Mijn grootste ontgoocheling?
Het WK in 2014. We vliegen eruit tegen Engeland. Ik was fysiek niet goed.