Cédric Van Branteghem was begin jaren 2000 de golden boy van de Belgische atletiek. Al volgden na die topjaren enkele apenjaren. Tot een Zweedse schone zijn pad kruiste, en hij met de estafette 4×400 meter een nieuw avontuur bedacht. Een prachtig sprookje zou dat worden. Vandaag is de flamboyante Oost-Vlaming assistent van Memorial-organisator Wilfried Meert. En diens opvolger.

Praten met Cédric Van Branteghem verveelt nooit. De 37-jarige Lovendegemnaar ademt passie en geestdrift uit, en is bovendien gezegend met een vlotte tong. Het zit hem in de genen: vader en grootvader ondernemer, moeder advocaat. In 2010 vlogen zijn spikes aan de haak, moegetergd door de vele blessures. Het IT-bedrijf van zijn vader bood een interessant vangnet, Van Branteghem is bachelor in de Handelswetenschappen. Toen dat vorig jaar verkocht werd, bood sportmarketingbedrijf Golazo onderdak. En wat voor een. Hij werd er assistent meeting director van de Memorial Van Damme. In die hoedanigheid was hij vorige maand op de Spelen in Rio. En hij heeft ervan genoten. “Ik ben heel blij dat ik de hockeyfinale gezien heb. Weinig mensen weten dat, maar ik heb twaalf jaar hockey gespeeld in Zwijnaarde, tot mijn negentiende. Toen ik volop doorbrak op de 400 meter, kon ik die combinatie niet meer riskeren. Je weet nooit waar die stick je raakt.”

Had je heimwee toen je de 4×400 meter zag?
Neen. Vier jaar geleden wel nog. Toen had ik het gevoel dat ik erbij moest zijn. Met de tijd die wij vier jaar eerder in Peking liepen, pakten we in Londen een medaille. Nu denk ik zo niet meer.

Voel je je nog verbonden aan het team?
Dat wel, ik leef keihard mee. Na de finale kon ik door de emoties niet meer slapen. Doodzonde dat ze net naast een medaille grepen. Ik denk te mogen stellen dat ik samen met Jacques Borlée de stichter van het team ben. Wat Kim Gevaert voor de 100 meter betekend heeft, en Tia Hellebaut voor het hoogspringen, heb ik voor de 400 meter betekend. De jonge Borlées zaten in de tribune toen ik het 27 jaar oude BR brak (Brussel, 2003, red). Ik was hun idool toen. Je moet eens kijken welke brede basis we vandaag hebben op de 400 meter, terwijl voordien iedereen die wou sprinten de 100 of 200 meter verkoos. Nu, niemand dacht in 2007, toen we met de estafette begonnen, dat we dít zouden bereiken.

Zeg dat wel: vijfde op de Spelen 2008, vierde op het WK 2009, zilver op het WK indoor 2010 en brons op het EK 2010. Welke prestatie schat je het hoogst in?
De finale in Peking, by far. Dat brons in Barcelona, mja, dat was mooi, maar goud was eigenlijk een must. En indoor schat ik lager in. De Olympische Spelen zijn het summum voor elke atleet.

“Heb ik ergens spijt van? Neen. Ik ben volmaakt gelukkig vandaag.”

Was het ook jouw droom als kind?
(enthousiast) O ja, als kind poseerde ik met een zelfgemaakt Olympisch diploma in onze tuin. Ik vergeet nooit hoe ik met mijn vader in de zetel lag en naar de Spelen van Los Angeles keek, ik was vijf. Carl Lewis was mijn idool, wat een atleet en wat een charisma. Ik wou hém worden. Ik heb trouwens in Rio de kans gekregen met hem te praten.

En, starstruck?
De eerste twee minuten wel, ja. (lacht) Maar dan blijkt dat ook maar een gewone, aangename mens die dezelfde passie heeft als ik.

Toen je in 2002 de individuele EK-finale liep en een jaar later het BR op 45.02 zette, waren de verwachtingen hooggespannen. Toch heb je die prestaties niet meer kunnen evenaren. Hoe verklaar je dat?
Niet akkoord: ik heb nadien nog 45.11 en 45.13 gelopen. Oké, ik ben niet onder de 45 geraakt, en misschien was dat wel mogelijk. Ik was te vaak geblesseerd. Wetende wat ik nu weet, had ik meer in Zuid-Afrika getraind. De leef- en trainomstandigheden zijn er zoveel beter: mooi weer, mooie omgeving, snellere recuperatie, minder kans op blessures. Je voelt je ook beter als de zon schijnt. Allé, ik toch.

Te weinig geconcentreerd op training, te veel levensgenieter ernaast, schreven analisten.
(denkt na) Met dat eerste ben ik niet akkoord, ik heb altijd hard getraind, met dat tweede wel. Dat zal in 2004 en 2005 misschien geleid hebben tot die mindere prestaties, misschien ook tot meer blessures. Ik durfde af en toe mijn focus te verliezen. Je zou kunnen stellen dat na de topjaren de apenjaren volgden. (lacht) Maar in 2006 heb ik mijn toekomstige vrouw leren kennen, ook een atlete (de Zweedse Louise Fredriksson, red), en dan heb ik die klik weer gemaakt.

Was je te jong te goed?
Dat denk ik niet. Zo jong was ik in 2003 niet, hè. Ik was wel een laatbloeier, zowel in ontwikkeling als in prestaties. Misschien heb ik pas na 2003 mijn puberteit gekend? Toen ik 18 was, was ik alleen bezig met sport en studie. Pas na die sterke jaren heb ik het goede leven ontdekt. Dan word je plots gevraagd op allerlei feestjes. (ernstig) Maar heb ik ergens spijt van? Neen. Ik ben volmaakt gelukkig vandaag. Weet je, ik zie dat filosofisch: ik geloof dat het fladderen van de vlinder in de Amazone veroorzaakt dat wij hier zitten. Eén gebeurtenis leidt tot een ander. Zonder die prestaties, geen feestjes. Zonder die blessures, geen Stellenbosch. Zonder Stellenbosch, geen Louise. En ga zo maar door.

Was het moeilijk haar te overtuigen hier te komen wonen?
Nee, dat is spontaan beslist. Zij trainde toen in België, ik zat in het familiebedrijf. Natuurlijk heeft ze wel eens heimwee, dat is normaal. Maar we proberen een goed evenwicht te vinden, we zien ook haar familie vaak. En onze kinderen Julia (6) en Ebba (2) worden tweetalig opgevoed. Louise werkt nu freelance voor verschillende Diamond Leagues, ook voor Brussel.

“Ik zou liefst in Brussel blijven. Maar ik ben niet van plan de begrafenis van de Memorial te organiseren.”

Wanneer geeft Wilfried Meert de stok definitief aan jou door?
Dat is niet beslist. Ik voel ook niet de behoefte hem dat te vragen. Ik ben heel ambitieus, maar ook geduldig. En ik kan nog zo gigantisch veel van hem leren. Ik hoop trouwens dat Wilfried ook daarna klaar zal staan met raad en daad. Zijn netwerk bijvoorbeeld, dat is fenomenaal.

De toekomst van de Memorial is onzeker. Wat weet jij op vandaag?
Dat er een voetbalstadion komt zonder piste. En dat het Koning Boudewijnstadion in 2020 afgebroken wordt. Maar stad en gewest hebben ook beloofd een oplossing te zoeken voor de Memorial. Maar goed, de wind draait elke dag anders.

Wat geniet jouw voorkeur?
Blijven waar we zijn. Maar als er geen oplossing komt in Brussel, dan verhuizen we. Naar een ander stadion in België, al is er voorlopig geen dat voldoet aan de normen, of naar het buitenland. Nederland bijvoorbeeld: dat heeft geen Diamond League.

Meen je dat? Of wil je druk zetten op de politiek?
Natuurlijk meen ik dat. Dat draagt mijn voorkeur niet weg, ik zou liefst in Brussel blijven. Maar ik ben niet van plan de begrafenis van de Memorial te organiseren. De Memorial blijft sowieso bestaan, ook na 2020.

Vind jij nog tijd om te sporten? Je oogt scherp.
Ik weeg minder dan toen ik atleet was. Maar als ik mezelf in de spiegel bekijk, dan treur ik toch om het verdwijnen van de spieren. Ik heb de courage niet meer om naar de gym te gaan. Mijn gezin en mijn job zijn nu prioritair. Lopen doe ik wel zo vaak als mogelijk. En ook en famille gaan we al eens sporten. De jongste in de loopbuggy, de oudste met de fiets, en mijn vrouw en ik lopen. Heerlijk is dat.

 

Het sportrapport van Cédric Van Branteghem

Als kind was mijn idool …
Carl Lewis en mijn papa Jacques, een verdienstelijk 200 meter-loper.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …
Sven Nys. Tilde in zijn eentje zijn sport naar een hoger niveau. Petje af.

Mijn mooiste sportmoment?
De Olympische finale. In close competition met mijn BR. Maar in 2008 was ik ook persoonlijk perfect in balans.

Mijn grootste ontgoocheling?
Göteborg, EK 2006. De nieuwe Cédric stond klaar om potten te breken, maar in de halve finale val ik uit met een hamstringblessure.