Redactiedirecteur Pascal Kerkhove: “Vluchten of vechten, wat doe jij als de Russen Gent aanvallen? Ik vecht, al was het maar omdat ik nog minder weet wat vluchten is”

1152

Goeiemorgen,

Vluchten of vechten, wat doe jij als de Russen aan de poorten van Gent staan? We zitten met zes vrienden aan tafel en even wordt het stil. Ik ken mijn antwoord ogenblikkelijk, maar wacht geduldig mijn beurt af. De neiging om als eerste te praten, is mij vreemd. Als alles begint bij luisteren, dan zeker een goed gesprek. De meningen aan tafel zijn verdeeld, net als de bijbehorende argumentatie voor het vechten of de invulling van het vluchten. “Ik zou vechten.” Even wordt het stil en vooral mijn echtgenote kijkt mij verwonderd aan. Ik kan niet vechten. Nooit gekund, nooit gedaan. Het laatste geweer in mijn hand dateert van een mislukte poging om als tiener een pluchen beertje te winnen aan het schietkraam op de kermis. En toch zou ik vechten, voor mezelf en wie mij lief is, voor hun en mijn leven in vrijheid. “En wat doe je dan?” De vraag klinkt indringender dan bedoeld. Weet ik veel. Ik zie mezelf als de man in zijn witte hemd voor een tank op het Tiananmenplein in Peking, kansloos alleen. Maar wat een kracht. Ik zie mezelf nog liever in een groep mannen met witte hemden, voor nog meer tanks. Samen kansloos. Maar wat een macht, iedereen held.

Hoe klinkt dat gesprek bij jullie aan tafel?

Ik zou ook vechten omdat ik nog minder weet wat vluchten is.

Vorige week nog ben ik weggereden van een plaats waar ik midden in een verkeersagressie dreigde te raken. Met mijn lichten had ik een man gewezen op zijn roekeloos rijgedrag en dat zinde hem duidelijk niet. Enkele rake tikken tegen mijn raam later, besefte ik dat hij mij wenkte voor een ordinair straatgevecht. Hij leek op een kwade beer, maar liet mij wel voldoende ruimte om alsnog met de wagen verder te rijden. Om de hoek wachtte ik met bonkend hart op zijn komst en schoten allerlei scenario’s mij voor de geest. Hij kwam niet, tot zover mijn ervaring met vluchten.

Vluchten kampt met de kwalijke perceptie van laffe daad, maar niets is minder waar. Als de Russen voor de deur staan, vergt het tonnen moed om te vluchten en voor velen is het gewoon ook slim, wenselijk of noodzakelijk. Maar hoe doe je dat? Wie kan of moet mee? Wat neem je mee? Waar kan je naartoe? En voor hoelang? Kan je nog terug? En zo ja, wanneer? Die eenvoudige vragen alleen al omarmen het vluchten met heldenmoed. Je moet het durven, vluchten. En het zijn mensen, altijd mensen. Wie het durft, verdient dan ook alle mogelijke hulp.

In de ochtend na de vraag over vluchten of vechten, legt mijn echtgenote een volgend dilemma op mijn bord. Melden we ons voor #plekvrij en zetten we onze deur open voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen? Mijn hart zegt ja, mijn hoofd zegt nee. Hoe hou je met een warm hart het hoofd koel? Een dag, een nacht, een week… Ja, natuurlijk. Bed, bad, brood… Ja, natuurlijk. Altijd welkom. Wij kunnen ons even helden voelen, zij zijn het. Ze verdienen meer en zoveel beter. Ons lukt het niet. De ruimte is er, de tijd ontbreekt. En er is geen tijd, want de eerste Oekraïense vluchtelingen zijn al in ons land.

Ik weet dat het niet hoeft, maar ik voel mij slecht. Vladimir Poetin zit zowaar in mijn hoofd. Ik sta ermee op en ga ermee slapen. Hij maakt mij niet bang, wel ongerust. Boudewijn De Groot wenste de Amerikaanse president ooit cynisch welterusten, ik wens de Russische president alleen nog koude en barre nachten.

Wat zouden zijn kinderen denken over hun vader?

Ik laat hem niet toe op zondag.

Maak er een fijne zondag van.

Reageren? Pascal.kerkhove@roularta.be