Jean-Marie Wampers blikt terug op zijn heroïsche zege in Roubaix: “Winnen, hè, klootzak, riep Post”

489

Dertig jaar geleden won Jean-Marie Wampers de Helleklassieker Parijs-Roubaix. Het zou de grootste zege in zijn carrière zijn. “Zonder die overwinning was ik niemand”, zegt de zestigjarige Brusselaar die vandaag vips begeleidt voor de ploeg van Patrick Lefevere.

Of hij vaak herkend wordt op de koers? “Ja, natuurlijk. Ik heb namelijk Parijs-Roubaix gewonnen. Ik ga daar niet flauw over doen. Die ene wedstrijd maakt dat mensen u herkennen. Of ik zie ze achteraan mijn wagen op hun smartphone tokkelen. Ze kennen mijn naam maar weten niet meer wat ik gewonnen heb. (lacht) Parijs-Roubaix is eeuwige roem. Dat is onvoorstelbaar. Zou jij hier zitten, mocht ik die niet gewonnen hebben?” Ik knik van neen. “Voilà. Dat is eerlijk.”

We hebben afspraak bij hem thuis in Halle, één week voor de Helleklassieker. Dat het drukke weken zijn, blaast hij. Wampers is naast vastgoedverkoper zijn job ook importeur van Italiaanse fietsen in de Benelux én begeleider van vips voor Deceuninck Quick-Step tijdens de voorjaarsklassiekers. “Ik kom élke dag uren tekort”, lacht hij.

Wat doet een begeleider van vips?

Ten eerste héél vroeg opstaan. (lacht) We beginnen de dag met een ontbijt in het hotel van de renners. Daarna krijgen de mensen inside information. Hoe wordt een eetzakje samengesteld? Wat gebeurt er in de bus van de renners? Enzovoort. Eens de koers van start gaat, rijden we naar een aantal plekken, waar de mensen een goed overzicht hebben. Dat is niet altijd evident. Gelukkig kunnen we ook in de wagen koers luisteren en kijken, dankzij radio en televisie. Ik ben begeleider én chauffeur.

Welke vraag krijg jij vooral voorgeschoteld?

Hoe ik die Parijs-Roubaix gewonnen heb. (lacht)

En?

Ik heb het tactisch sterk aangepakt. We zaten met zes in die finale. Toen Dirk De Wolf, mijn trainingsmaat, vertrok op zowat achttien kilometer van de meet, dacht ik even dat het voorbij was. Uiteindelijk kan ik toch aansluiten en komen we met twee op de piste. Hij of ik dus. Het is ik geworden. Ik zat helemaal in die bubbel. Blijkbaar was er veel lawaai toen we die piste opkwamen, maar dat is aan mij voorbij gegaan. Ik kon maar één iets denken: ‘Ik móet hier winnen.’

Was het nu of nooit voor jou?

Vlak voor we de piste opkwamen, riep Peter Post (zijn ploegleider, red.): ‘Winnen, hè, klootzak!’ Ik vergeet die woorden nooit. Ik was net dertig geworden. Ik kon inderdaad geen vijf jaar meer wachten. Anderzijds wist ik dat ik een klassieker kón winnen. Ik was er al enkele keren dichtbij. Maar om een klassieker te winnen, moet álles mee zitten. Dat was die dag het geval. (zwijgt even) Wellicht was dat de laatste kans, ja. Het jaar voordien zat ik diep. Ik worstelde met klierkoorts. Ik begon te twijfelen aan mezelf.

“De koers is nog steeds mijn grote passie. Zolang Patrick mij nodig heeft, mag hij mij bellen.”

Was er de dag voordien geen akkefietje met Post over een taart?

(lacht) Dat klopt, ja. Ik was net verjaard, en wou trakteren met taart. Met een héél grote taart. Dat was een jaarlijkse traditie van mij. Ik had die meegenomen naar Gent, de dag voordien, waar we samenkwamen met de ploeg. ‘Wat heb jij nou mee’, foeterde Post. ‘Een slagroomtaart? Ben je niet beschaamd? Je hebt nog geen platte prijs gereden.’ Kwaad dat die was. We vertrokken met drie auto’s naar Parijs. Ik moest naast hem zitten. Die rit duurde net geen drie uur. Ik heb, denk ik, zeven woorden gezegd. Hij heeft mij non-stop uitgekafferd. Mijn moreel stond op min honderd.

Goede aanpak van Post, kan je nadien zeggen.

(feller) Helemaal niet. Ik heb gewonnen ondanks Post, niet dankzij Post. Laat dat duidelijk zijn. Zijn woorden hebben mij niet gemotiveerd, hoor. Integendeel. Ik had zo weinig zin om te koersen dat ik mijn bevoorrading verwaarloosd had. Dat brak me op het einde bijna zuur op. Ik heb alleen gewonnen omdat ik halfweg koers voelde dat ik geweldige benen had. Ik heb daarom de klik kunnen maken.

Heb jij je kinderdroom waargemaakt?

Jawel. Ik was grote fan van Eddy Merckx. ‘Ik ga coureur worden’, zei ik op school. ‘Allé jongen, dat is toch geen beroep’, klonk het antwoord. Mijn moeder was ook geen fan, hoor. Fietsen vond ze veel te gevaarlijk. Ze had wellicht gelijk. Ik ben in Brussel opgegroeid. Je moet gek zijn om daar te fietsen. Maar ik was niet op andere gedachten te brengen.

In welk gezin ben jij opgegroeid?

Mijn vader was rijkswachter, mijn moeder had een bakkerij. Daar kwamen vaak klanten langs die haar waarschuwden voor haar zoon die weeral eens te gevaarlijk door de straten aan het fietsen was. (lacht)

Jij bent in Italië prof geworden. Hoe kwam dat?

Dat is een apart verhaal. Iemand sprak mij aan op het WK in Sallanches. Dat was in 1980. Ik was net Belgisch amateurkampioen geworden. Anderhalve week later vind ik een brief in mijn brievenbus. In het Italiaans. Ik liet die vertalen door Eddy Merckx. Ik had Eddy leren kennen dankzij zijn fietsen. Hij las de brief en zei: ‘Tekenen.’ Ik heb getekend. Eddy wist dat een Italiaanse ploeg goed zou zijn voor mij. Ik heb daar twee leerrijke jaren beleefd. Helaas kon ik er geen klassiekers rijden, hoewel dat aanvankelijk de bedoeling was. Daarom ben ik daar vertrokken. Ik was niet genoeg klimmer om in Italië te blijven.

Hoe was het leven na de koers?

Het afscheid was zwaar. Ik wou nog niet stoppen. Ik was amper 33. Maar ik kreeg geen mooi voorstel meer. Ik stond met mijn rug tegen de muur. Dan stop je en begint een ander leven. Dat is moeilijk. Wie dat ontkent, liegt. Ten eerste moet je voor het eerst in je leven gaan wérken. Koersen was namelijk mijn passie. Ten tweede moet je loon inleveren. Je verdient nooit meer wat je als coureur verdiende. Dat maakt ook een verschil. Het duurde even voor ik de klik kon maken.

Je bent net 60 geworden. Denk je al aan je pensioen?

Jawel, de schuld van mijn boekhouder. Hij heeft mij dat ingefluisterd. (lacht) Ik zou wel wat minder hooi op mijn vork willen nemen. Maar met de koers wil ik niet stoppen. Dat is nog steeds mijn grote passie. Zolang Patrick mij nodig heeft, mag hij mij bellen. En doet hij dat niet meer, dan zal ik het missen.

(foto: Luc Gordts)