Olympisch eremetaal is het enige wat ontbreekt op zijn indrukwekkende palmares. Of wat dacht je van Europees goud, twee keer brons op wereldkampioenschappen en een rist Belgische titels. Rio is voor Dirk Van Tichelt, aka de Beer van Brecht, de kamp van de laatste kans. De Braziliaanse kuststad lag de Kempenaar wel in het verleden. Of dat aan Copacabana Beach, de onweerstaanbare vrouwen of de zoete caipirinha’s ligt? “Aan een combinatie van de drie!”

Van Tichelt is aan zijn derde Spelen toe. In Peking eindigde hij vijfde, in Londen negende. Die ervaring is heel belangrijk, stelt hij. “Veel judoka’s gaan ten onder aan de omstandigheden de eerste keer. De Spelen zijn groot, hè. Je mag die impact niet onderschatten. Wij zijn al die aandacht niet gewoon.”

Zal jij tevreden zijn met een top-acht?
Neen. Ook voor een vijfde plaats zou ik op voorhand niet tekenen. De ambitie is een medaille. Misschien atypisch Belgisch, maar als dat mijn ambitie niet zou zijn, heeft het geen zin zo af te zien op training. Maar goed, ik ben ook realistisch, ik weet wat mijn kansen zijn. De 22 rechtstreeks geplaatste judoka’s kunnen allemaal winnen of verliezen. Geluk speelt een grote rol, zeker als je geen reekshoofd bent zoals ik. Je kan het bijvoorbeeld moeilijker hebben tegen linkshandigen en in de eerste ronde meteen een linkshandige loten.

Moet Rio de kers op de taart worden voor jou? Of is het meer dan dat?
Je wil een Olympische medaille natuurlijk. Dat zou het plaatje compleet maken. Dat gevoel heb ik wel, ja. Maar mocht dat niet lukken, dan zou ik niet vinden dat ik gefaald heb. Ik zou na mijn carrière nog steeds kunnen zeggen dat ik een goede judoka was. Ik ben tenslotte Europees kampioen (2008) en pakte twee keer WK-brons (2009 en 2013). En ik heb vooral zo veel mooie momenten meegemaakt die ik nooit zou willen inruilen. Judo is een kunst, een krijgskunst. Dat moment dat je de kracht van je tegenstander kan counteren en tegen hem gebruiken, dát is onbeschrijflijk. Ook al krijg je daar niet altijd een medaille voor.

Dat Rio je wel ligt, heb je in het verleden al bewezen: derde op het WK, winst in een Grand Slam. Ligt dat aan Copacabana Beach, de onweerstaanbare vrouwen of de zoete caipirinha’s?
Aan een combinatie van de drie. (lacht) Ik vind dat je in Brazilië een ontspannen sfeer hebt die je op weinig plekken vindt. Reizen staat voor mij vaak gelijk aan luchthaven, hotel en sporthal. Maar in Rio wil ik altijd even een wandeling maken langs het strand. Dat vind ik heerlijk. Misschien heeft het met het klimaat te maken? Ik presteer effectief beter op tornooien in zuiderse landen.

“Mocht een medaille niet lukken, dan zou ik niet vinden dat ik gefaald heb.”

Zie jij nooit iets van de landen die je bezoekt?
Nee, meestal niets. We worden opgepikt op de luchthaven, afgezet aan ons hotel, doen trainingen of wedstrijden en keren nadien terug naar huis. Geld om nog even de toerist uit te hangen, is er niet. (lacht) Mijn ouders die vaak komen supporteren, hebben al meer van de wereld gezien dan ik. En dat is vreemd. Wij zijn opgegroeid op een boerderij. Mijn ouders hebben nooit gereisd. Vakantie was voor ons een dagje naar zee. Pas sinds ik internationaal vecht, zijn zij beginnen reizen. En nu hebben ze de hele wereld gezien. (lacht) Ik vind dat wel plezant voor hen.

BOIC COIB RIO 2016 DEPARTURE
(foto belga)

Vind je dat niet jammer voor jezelf?
Niet echt. Na het WK ben ik met mijn vriendin wel twee weken in Brazilië gebleven. Heerlijk. Ook Jeruzalem in Israël, waar ik in juni op stage was, heb ik bezocht. Maar vaak wil je gewoon naar huis na een wedstrijd of een trainingskamp. Je sociaal leven is sowieso al gene vette als topsporter. Je bent graag eens gewoon thuis.

Wie of wat heeft jou naar de judomat geleid?
Mijn oudere broer. Die is als eerste met judo begonnen. Daarna mijn oudste zus. En ten slotte mijn jongste zus en ik. Mijn ouders waren heel content: onze vechtpartijen verhuisden van de living naar de sporthal. (lacht) Toen ik vijftien was en Belgisch kadettenkampioen werd, mocht ik naar de topsportschool. Dat is de echte start van mijn carrière geweest.

Wie is jouw mentor?
(blaast) Ik kan niet meteen iemand noemen. Ik ben ook niet de grote prater. Als ik met iets zit, zal ik dat zelf proberen op te lossen. Harder trainen bijvoorbeeld. Een Danny Belmans (vandaag high performance manager judo, red) heeft wel een belangrijke rol gespeeld in mijn carrière. Hij is de man die mij op tijd bij mijn kraag greep, en zei: kom op, jij kan het.

Zoek jij graag je pijngrens op?
Graag zou ik niet zeggen. Maar als je wil winnen en de beste wil zijn, dan moet je dat doen. Dan moet je op je tanden bijten, pijn verduren en keihard zijn voor jezelf.

Wat is het zwaarste aan judo?
Het diëten. Twee à drie weken voor een belangrijk tornooi begint dat. Dan moeten die laatste kilo’s eraf en moet je jezelf veel ontzeggen. Elke dag sla eten. (zucht) Dat is lastig. Na elk groot tornooi laat ik me wel even gaan: eens goed eten en drinken. Daar leef ik zelfs naartoe.

Wat zijn je plannen na Rio? Voel je de jaren al?
Je voelt al eens wat slijtage. Maar goed, niet in die mate dat ik al wil stoppen. Dat zal ik pas doen als ik niet meer mee kan. Dat gevoel heb ik nu nog absoluut niet. Anderzijds zou het mij wel verwonderen mocht ik Tokio 2020 nog halen. Na Rio zal ik sowieso goed nadenken over mijn toekomst. Ik kan veel kanten uit. Ik ben ook licentiaat lichamelijke opvoeding, ik heb het hoogste trainersdiploma in judo.

“Rio wordt een kruispunt in m’n leven. Vader worden is één van de dingen die ik daarna wil.”

Denken je vriendin en jij niet aan kinderen?
Ja, dat klopt. Ik ben er 32, Esther ook. Dan moet je niet lang meer wachten. Zij heeft nu vast werk gevonden als kinesiste in een ziekenhuis. Dat vast inkomen is heel belangrijk voor ons. (zwijgt even) Rio wordt een kruispunt in mijn leven. Vader worden is één van de dingen die ik daarna wil. En waarschijnlijk zal topsport dan ook een andere plaats krijgen.

Iets anders. Jij hebt een manager. Ik dacht dat alleen dikbetaalde voetballers en wielrenners daar geld voor hadden?
O, maar dat kost mij niets. Ik zat aanvankelijk bij Golazo, maar dat bureau hield zich vooral bezig met enkelingen zoals Kim Clijsters en Tia Hellebaut. Ik zocht iemand die meer energie in mij wou stoppen. Dat is AMA geworden. Mijn manager krijgt een percentage van wat hij binnenbrengt. Het is zijn taak om mij te verkopen. Als je als judoka op wereldniveau vecht, heb je zo iemand nodig. Wij krijgen anders zo weinig publiciteit en hebben het moeilijk om sponsors te zoeken. Waarom krijgt derde provinciale voetbal meer aandacht in de kranten dan een judoka die een Grand Slam wint? Omdat overal in het voetbal journalisten uitgenodigd en verwend worden.

Frustreert dat?
(haalt schouders op) Zo werkt het blijkbaar. Dat is vooral heel jammer.