Directeur redactie Pascal Kerkhove: “In het leven is kwetsbaarheid intussen gelukkig een sterktebod, in topsport is het voor altijd de binnenweg naar winst voor de ander”

560

Goeiemorgen,

Ik was ooit een turnpapa van twee kleine meisjes. Het begon met een luid toegejuichte koprol op het jaarlijkse turnfeest, waarbij de kleuters als laatste aan de beurt kwamen. De rugpijn van het lange wachten op een harde Zweedse bank in een muffe zaal nam ik er graag bij. Een jaar later werd het al een dansje en een eerste sprong op de kleine trampoline, nog altijd begeleid van trots ouderapplaus. Onze kinderen, schone kinderen. De twee kleine meisjes lachten naar elkaar, naar ons en naar de vriendinnetjes. Turnen was nog een feest voor lichaam en geest. Onze dochters hadden talent, zo zei de trainer van de turnclub nog wat later. Als zij en wij dat wilden, waren ze welkom bij de keurafdeling van de club. En of zij dat wilden, ze waren amper zeven jaar. Naast het gewaardeerde belang van bewegen, wilden wij hen vooral blijvend zien lachen.

Nog wat later stond ik anoniem in een kleine sporthal in de buurt van Aalst te kijken naar de eerste turnwedstrijd van onze dochters. Hun trainer had gezegd dat ze er klaar voor waren, maar dat zeggen trainers wel vaker. Die ochtend aan de ontbijttafel werd er al minder gelachen. En dan was het zover. Gespannen blik op een kindergezicht, glimmend pakje, strakke aanloop, sprong op de trampoline, salto in de lucht en staan bij de landing op de mat. Twee keer. Ik kende niets van reglementen en jurering. Ze deden het goed, zo dacht ik als elke aanwezige vader. Ik was vooral blij dat ze niet vielen en zich geen pijn deden, ze waren amper acht jaar. Naast mij in het publiek zei een man plots dat “die tweeling er echt wel bovenuit stak”. Ik kreeg het warm vanbinnen. Hij sprak over het soort sprong en gestrekte tenen. Even later stonden mijn kleine dochters met goud en zilver voor het eerst in hun leven op het podium. Ze lachten. Wij lachten.

Het tafereel herhaalde zich nog vaak in de daaropvolgende jaren, een logisch gevolg van hun talent én vooral de urenlange keiharde trainingen. Kleine trampoline, grote trampoline. Clubkampioenschappen, provinciale kampioenschappen, Vlaamse en Belgische kampioenschappen… Het winnen bleef, maar steeds meer namen spanning en stress de bovenhand op het noodzakelijke plezier. Ze lachten nog nauwelijks, wij lachten niet meer. Op 12 stopte de kampioenendans abrupt, recht evenredig met die verdwenen lach. De vele medailles vergaren vandaag stof in de kelder. Wat blijft, zijn de vele mooie herinneringen en de levenslessen die sport altijd aanbiedt. De twee kleine meisjes zijn intussen grote madammen geworden, 32 jaar al en gelukkige uitbaatsters van twee restaurants in Gent. Voor zover dat kan, is de trots van de ouders nog groter. Ze lachen al lang weer, wij lachen mee.

“Je kunt niet een beetje turner zijn, het is alles of niks.” Het zijn de wijze woorden van papa Derwael wiens dochter ons land vandaag een eerste gouden medaille kan bezorgen. Of is ‘moeten’ een beter werkwoord? Vijftien jaar al werkt Nina Derwael toe naar dit moment, die ene minuut waarin alle inspanningen en opofferingen die gouden glans krijgen. Of net niet. Topsport verdraagt geen lach, twijfel of comfort. Lichaam en geest moeten één zijn én top. In het leven is kwetsbaarheid intussen gelukkig een sterktebod, in topsport is het voor altijd de binnenweg naar winst voor een ander. Als Nina Derwael straks na een zoveelste demonstratie van elegant en krachtig zweven tussen die ongelijke leggers neerkomt op de mat en pal staat, mag ze lachen. Of beter, dan zal ze lachen.

Dan zullen haar ouders, vrienden en trainers lachen.

En wij ook.

Maak er een fijne zondag van.

Reageren? Pascal.kerkhove@roularta.be