Ulla Werbrouck heeft moeilijke maanden achter de rug. Haar vader, zo belangrijk voor haar, verloor een meedogenloze strijd tegen kanker. Ze heeft hem bijgestaan zo goed ze kon. Daarom heeft de iconische judoka lange tijd een interview afgehouden. Maar stilaan valt haar leven weer in de plooi. En wil ze weer luidop mijmeren. Over wat is en wat (niet meer) komen zal.

De zon schijnt in het West-Vlaamse Lendelede. We zitten buiten op het terras. Mijn 44-jarige gastvrouw schenkt een gin-tonic in. “Sporten doe ik zelden nog. Ik wil niet meer afzien. Als ik vrije tijd heb, geniet ik liever van een goed glas of eens lekker gaan eten. Alles wat anders is dan vroeger, is voor mij leven als God in Frankrijk.”

Ulla is vandaag in de eerste plaats mama van drie. “Net als alles in mijn leven is dat een bewuste keuze. Ik wil nú genieten van mijn kinderen. Je moet niet wachten tot ze op kot zitten. Natuurlijk heb je dan weinig tijd voor jezelf. Je doet de was en de plas, je kookt, je gaat zelfs werken voor hen, omdat je hen wat luxe wil geven.”

Is dat moeilijk als je altijd zelf in de spotlights gestaan hebt?
Als topsporter moet je egoïst zijn. Maar ik kan gemakkelijk een bladzijde omslaan. Dat is een ingesteldheid. Ik heb dat met judo gedaan, ook met de politiek. Eén dag later ben ik administratief medewerker van Bloso, wat nu Sport Vlaanderen is (en waar Ulla nog steeds werkt, red.). Geen probleem. Zanger Christoff zei onlangs dat zijn smile wel van plastiek leek. Hij deed niet anders meer dan lachen. Ik herken dat. Als je altijd in de spotlights staat, word je geleefd. Als je er af en toe in staat, zoals ik nu, dan is dat leuk. Ik bepaal weer zelf mijn agenda. En niemand anders. Of het zouden mijn kinderen moeten zijn. (lacht)

Weinig topsporters slagen erin bij hun jeugdliefde te blijven, jij wel. Wat is je geheim?
Goed beseffen dat het gras niet altijd groener is aan de overkant. In de topsport kom je vaak mooi volk tegen. Maar je moet eraf blijven. Kijken mag, aankomen niet. Ik heb altijd goed voor ogen gehouden wat je kan verliezen als je met iemand aan de haal gaat voor één nacht. Je moet je partner ook betrekken bij je verhaal. Als ik ergens uitgenodigd werd, nam ik iemand mee: ma, pa of mijn man.

“In de topsport kom je vaak mooi volk tegen. Maar je moet eraf blijven.”

Mis je het judo niet?
Neen. Als je kinderen wil, moet je keuzes maken. Soms heb je weleens heimwee, zoals nu met de Spelen. Maar dat afzien of die wekenlange stages zou ik niet meer willen.

Jij hebt wel je trainersdiploma.
Ja, maar dat is niets voor mij. Ik haal er geen voldoening uit.

In april is je vader overleden. Wou je daarom wachten met een interview?
(knikt) Ik heb een heel moeilijke periode achter de rug. Als je weet dat je pa zal sterven, dan heb je geen zin in een leutig gesprek over je leven. (zwijgt even) Je vader is een van die twee zijden draadjes waardoor je in het leven staat. Dat dat nu doorgeknipt is, vind ik heel moeilijk om dragen. Ik was nooit eerder van zo dichtbij in aanraking gekomen met de dood.

Je vader speelde een heel belangrijke rol in jouw carrière.
Heel mijn familie was belangrijk, maar hij was degene die mij overal bracht. Hij kwam altijd kijken, ook in het buitenland. We hebben ook vaak ruzie gemaakt, hoor. Als hij weer eens iets zag dat niet goed was. (lacht)

Was hij streng?
Ja, maar rechtvaardig. Ik zag hem heel graag. Ik denk dat hij dat ook wel wist. Ik heb hem dat op het einde ook gezegd. (even stil) Ik ben wel in het reine met mezelf. Ik heb samen met mijn moeder, broers en schoonzussen zo goed mogelijk voor hem gezorgd. We hebben gedaan wat we konden.

(foto belga)
(foto belga)

Twintig jaar geleden pak jij Olympisch goud in Atlanta. Dat was zonder twijfel je hoogtepunt?
Klopt. Máár: je kan dat niet los zien van al wat ervoor kwam. Dat goud komt niet uit de lucht vallen. Die eerste keer Belgisch kampioen, die eerste keer Europees kampioen, ook dat waren unieke momenten. Die zijn het voorspel, die Olympische titel was het hoogtepunt. Dat gevoel kan je natuurlijk nooit evenaren.

Wereldkampioen ben je nooit geworden. Voelt dat aan als een gemis?
(protesteert) Ik ben wel jeugdwereldkampioen geworden, hè. Ken jij iemand die alles gewonnen heeft? Ik weinig. Zelfs Eddy Merckx niet. In 1995 was ik er zeer dichtbij. Ik verloor de finale. Ik was het judo even kotsbeu daarna. Ik heb zelfs een tweetal maanden gebroken met Jean-Marie (Dedecker, haar coach, red.). Als je elke dag samen traint, en je verliest dan die finale, dan komt alles naar boven. Een tussenpersoon heeft ons weer samengebracht. Achteraf bekeken waren die twee maanden verhelderend voor ons allebei. We zijn met hernieuwde moed naar de Spelen vertrokken. Het resultaat ken je. Misschien was ik wel nooit Olympisch kampioen geworden als ik dat jaar ervoor wereldkampioen was geworden.

Hoe belangrijk was Jean-Marie Dedecker in jouw carrière?
Hij was ook een van die rode draden. Jean-Marie is mijn judovader. Al sinds mijn vijftiende vormden wij een Siamese tweeling. Hij was een goede trainer, zeker tactisch, maar ik beschouwde hem in de eerste plaats als mijn vertrouwenspersoon. Weinig mensen wisten zoveel over mij als Jean-Marie.

Niet iedereen vond hem zo aangenaam als coach.
Dat klopt. Hij was hard voor iedereen, maar hij had het moeilijk om mij onder mijn voeten te geven. Dat deed hij dan per brief. (glimlacht) Ik wist dat als ik zou luisteren naar hem, de resultaten zouden volgen. Ook mijn ouders vertrouwden hem voor honderd procent.

Was het alleen om hem te plezieren dat je in de politiek gestapt bent?
Ja en neen. Het was niet de bedoeling dat ik al in 2007 verkozen zou worden. Ik stond alleen op de lijst om hem te helpen. In dat federaal parlement liep ik verloren, dat geef ik eerlijk toe. Voor het Vlaams parlement wou ik wel verkozen worden. Vlaamse materie, zoals sport, boeide mij wel. Maar ik heb daar geleerd dat je als lid van de oppositie altijd met je kop tegen de muur botst.

“Jean-Marie zou misschien ook beter stoppen met politiek. Soms moet je je nederlaag aanvaarden.”

Dedecker wil zijn partij opnieuw lanceren. Zal dat met Ulla Werbrouck zijn?
(direct) Neen. Ik heb de politiek geprobeerd, ik heb daar geen spijt van, maar ik heb het ook gehad. Dat was uiteindelijk niets voor mij. Jean-Marie weet dat. Hij zou misschien ook beter stoppen. Wat hij gerealiseerd heeft, is uniek, maar je moet soms je nederlaag aanvaarden. Laat hem maar columns schrijven, dat doet hij goed.

Waarom heb jij geen boek geschreven over je uitzonderlijke carrière?
Jammer, hè. (lacht) Nee, ik ben soms een rare. Als iedereen een boek schrijft, wat is daar dan nog leuk aan? Ik heb ook geen zin om mijn ziel volledig bloot te geven aan iedereen. Ik lijk misschien een open boek, maar het achterste van mijn tong zal je niet snel zien.

Om af te sluiten: hoeveel medailles pakt ons land in Rio?
Ik hoop op vier, maar ik denk drie: zeilster Evi Van Acker, taekwondoka Jaouad Achab en minstens één in judo. Vraag me niet waarom, maar ik ben ervan overtuigd dat Toma Nikiforov een medaille pakt. Ik herken in hem de ingesteldheid van een topper. Ook Charline Van Snick kan dicht komen. En wie weet, valt er ergens nog iets uit de lucht. Wat ik wel zeker weet, is dat we die medailles te danken zullen hebben aan enkelingen, steenezels zoals wij in de tijd, en niet aan het beleid, want dat faalt.