Eén keer al speelden de Rode Duivels een finale van een Europees Kampioenschap. Dat was in 1980, in het Stadio Olimpico in Rome. Boegbeeld en kapitein was Wilfried Van Moer, de Kleine Generaal. De nu 71-jarige Bevernaar, die in Zonhoven woont, zei de voetbalwereld twintig jaar geleden definitief vaarwel na wat zijn “grootste ontgoocheling” was, bondscoach zijn.

“Dat was in het voorjaar van 1996. Paul Van Himst was ontslagen, en de bond wilde mij, zijn assistent, als opvolger. Ik had dat niet moeten doen, ik heb daar nog altijd spijt van. Ik heb me nadien wel geëxcuseerd bij Van Himst. Te laat natuurlijk. Maar ja, hoe gaat dat. Je wordt in Brussel verwacht, de bazen zetten druk op je, de pers zit er bovenop, en je moet snel beslissen.”

Enkele maanden later word je ontslagen, na een 6 op 9 in de eerste kwalificatiewedstrijden voor het WK ’98.
Dat ontslag was de gelukkigste dag van mijn leven. Ik was eindelijk van die ellende verlost. (zwijgt even) Ik was gewoon de man niet om dat te doen. Voor mij is iets zwart of wit, ik ben niet goed in schipperen. Terwijl je ook psycholoog moet zijn als bondscoach. Daarna heb ik afstand genomen van het voetbal.

Volg je het nog?
Dat wel. Ik zie de thuiswedstrijden van Standard en Genk. Vooral in Luik kan ik fanatiek zijn. Ik ben altijd Standard-man gebleven. Ik heb daar acht mooie seizoenen meegemaakt. Ik ben ook liever gezien in de Walen dan in de Vlaanders.

Je café Brasserie Wembley in Hasselt heb je vijftien jaar geleden verkocht. Hoe vul je je dagen?
Ik ben gepensioneerd, hè. (lacht) Je wil nog graag doen wat je twintig jaar geleden deed, maar dat lukt niet meer. Je lichaam verslijt, dat is normaal. Ik hoop elke dag op mooi weer. Dan kan ik gaan fietsen of golfen met kameraden en nadien een pintje drinken en je dag is weer gepasseerd. Of een beetje tuinieren, dat doe ik ook graag.

Als je elke dag zon wil, moet je misschien naar Spanje verhuizen?
Wij gaan regelmatig, maar ik zie me daar niet wonen. Ik ben te honkvast. Ik ga er graag naartoe, maar keer even graag terug.

“Na de finale zijn we naar het hotel gegaan. We hebben de bar volledig leeg gedronken.”

Hoe blik jij terug op dat historische EK van 1980?
We waren al blij dat we erbij waren. Niemand verwachtte dat wij de finale zouden spelen. In een poule met Spanje, Engeland en Italië mocht alleen de eerste over. Je kan dat niet vergelijken met nu. Toen deden alleen de acht beste ploegen mee, vandaag zitten Janneke en Mieke daarbij. Sportief vind ik dat een ramp. Maar goed, het draait allemaal rond commerce: meer wedstrijden, meer volk, meer geld.

Hoe voelde dat om die finale te spelen voor 50.000 man in het Stadio Olimpico?
(droog) Niet speciaal. Ik heb er niet van wakker gelegen. Misschien dat andere spelers daar anders over denken.

Dat klinkt weinig enthousiast.
Zo ben ik: ik laat me niet snel gek maken. Eén keer was ik echt onder de indruk: toen we op het WK in 1970 tegen thuisland Mexico speelden voor 105.000 gekken in het fameuze Aztekenstadion. Dát was indrukwekkend. Toen had ik wel zenuwen, terwijl dat gewoon een wedstrijd in de poulefase was.

Wat was jullie sterkte in Italië?
Een verzameling goede en slimme voetballers. Ik denk dat er zes, zeven trainers uit voort gekomen zijn: Gerets, Meeuws, Ceulemans, Vandereycken, noem maar op. En goede kameraadschap. Wij gingen graag naar de nationale ploeg. Wij waren blij eens van dat gezaag van de clubelftallen verlost te zijn. Je kon eens een pintje drinken en wat lullen en zeveren met andere kameraden. Ik zal niet zeggen dat we allemaal echt vrienden waren, maar we hadden wel iets over voor elkaar. In clubverband had je meer wrijvingen.

Hadden jullie die finale kunnen winnen? West-Duitsland scoort pas in de slotminuten de bevrijdende 2-1.
Waren het verlengingen, dan wonnen wij. Ik had echt het gevoel dat we fysiek sterker waren. En ik was niet de enige. Maar goed, dat krijg je die goal tegen, foutje van de verdediging, en de wedstrijd is afgelopen. Dan ben je ontgoocheld. Nadien zijn we naar het hotel gegaan. We hebben de bar volledig leeg gedronken. Er was niets meer in heel dat hotel.

Was jij ook kapitein aan de bar?
O neen, dat was niet nodig. Die gasten konden drinken uit zichzelf.

De eerste wedstrijd tegen Engeland werd ontsierd door supportersrellen. Dat doet denken aan dit EK.
Mja, dat was zo erg niet. De politie begon meteen met traangas, maar dat was eigenlijk niet nodig. Nu goed, die Engelsen en Duitsers, dat is altijd maar drinken natuurlijk. Dat is sindsdien alleen maar erger geworden. Nu is dat hooliganisme heel goed georganiseerd. Ik noem dat geen supporters. Dat zijn mensen die niets hebben en een uitlaatklep zoeken in het vechten. (gelaten) Maar ja, kijk eens rond je naar de wereld: we zijn onszelf kapot aan het maken. Ik ben geen politieker, maar wat ik allemaal lees en zie, dat terrorisme en zo, neen, je kan dat niet meer stoppen. Jij bent van een jongere generatie, jij zal nog wat meemaken.

“De wereld gaat naar de vaantjes, jong.”

Houd je dat bezig?
Natuurlijk. Ik heb ook kinderen en kleinkinderen. Die gaan in een andere wereld terechtkomen, en dat zal geen serieuze wereld zijn. Neen, de wereld gaat naar de vaantjes, jong.

Het was een mirakel dat jij überhaupt op dat EK stond. Je was al vier jaar geen international meer toen Guy Thys je in oktober 1979 opriep voor de laatste kwalificatiewedstrijden. Heb je getwijfeld?
Ja, natuurlijk. Ik speelde toen al vier jaar met Beringen tegen de degradatie. Ik was bang dat ik het niet meer zou kunnen, dat ze zouden lachen met mij. Dat kan ik niet hebben. (zwijgt even) Maar Thys was een goede prater. Hij heeft me overtuigd. Ik sta daar nog altijd versteld van hoe hem dat gelukt is.

Was het niet journalist Rik De Saedeleer die eerst Thys overtuigd had?
Dat is een twistpunt. Het is zeker zo dat Rik hem zei dat hij een centrale middenvelder nodig had als ik en dat hij ervan overtuigd was dat ik het nog kon. Thys luisterde wel naar journalisten. Hij had een goede relatie met hen: whisky’tje drinken, sigaartje roken en over voetbal babbelen. Maar hij deed uiteindelijk wel zijn eigen goesting.

“De grootste comeback ooit”, schreef het Britse blad FourFourTwo onlangs.
Die journalist zal goed zat geweest zijn. (lacht)

Leefde jij toen nog als een prof? Je had al je café.
Ik heb nooit als een prof geleefd. Waarom zou ik? Voor die enkele centen? En wat zou ik er meer mee bereikt hebben? Ik heb drie titels en drie Gouden Schoenen gewonnen. Gelukkig had ik niet veel nodig om fit te zijn.

Je hebt nooit in het buitenland gespeeld.
Ik had dat wel eens graag gedaan, ja. Keulen, een grote ploeg toen, was geïnteresseerd toen ik nog bij Antwerp speelde. Maar de voorzitter wou het niet. Anders had ik dat gedaan.

Zouden je ouders dat aanvaard hebben? Je zus is tijdens Duitse bombardementen op Beveren om het leven gekomen.
Sportief hebben ze mij altijd gesteund. Toen ik 18 was, zei mijn vader: nu trek je je plan. Zo was dat in die tijd.

Hadden ze geen wrok tegenover de Duitsers?
Daar werd niet over gepraat. Mijn ouders hebben weinig geluk gehad in hun leven. Mijn zus gestorven in de oorlog. Ik heb haar nooit gekend. Als zij niet was gestorven, was ik er niet gekomen. Mijn moeder was al 45 jaar. En dan mijn broer die MS kreeg toen hij 28 was. Hij is vijf jaar geleden gestorven. Ik heb twintig jaar voor hem gezorgd. Nee, zij zijn niet gespaard gebleven. (zwijgt)

Het sportrapport van Wilfried Van Moer

Als kind was mijn idool …
Rik Coppens. Ik ging altijd naar Beerschot kijken met mijn broer.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …
Ik kan er niemand uitpikken.

Mijn mooiste sportmoment?
Mexico ’70 was fantastisch, vijf weken weg van huis in zo’n land. Dat blijft bij. Qua resultaat was dat natuurlijk minder dan Italië ’80.

Mijn grootste ontgoocheling?
Van Himst opvolgen als bondcoach. Had ik niet mogen doen. Ik voelde me veel beter in mijn vel als assistent.