Amper 21 is Wout van Aert, en al de nieuwe God van het veldrijden. Hoe hij vorige winter, pas zijn eerste (!) als prof, domineerde, was ongezien. De Kempenaar won elk klassement, met de wereldtitel als kers op de taart. In september als het nieuwe seizoen begint, zijn alle ogen natuurlijk op hem gericht. Wij hadden een goed gesprek met deze kersverse modderkoning. Over nieuwe uitdagingen, zijn status en … de was en de plas.

Wout van Aert ontvangt me in zijn bescheiden rijwoning in Herentals. Niets doet vermoeden dat hier een wereldkampioen woont. Alleen twee netjes ingekaderde regenboogtruien (beloften en profs) verraden de sportieve status van de bewoner. “Ik zal niet snel met geld smijten”, vertrouwt hij me even later toe. “Ik koop alleen wat ik nodig heb. Misschien is dat de Kempense nuchterheid? Ja, ik zou me een hogere levensstandaard kunnen aanmeten, maar voor hoe lang? Je kan maximaal vijftien jaar prof zijn, en dan is het gedaan. Ik spaar liever zodat ik daarna niet al te veel meer hoef te werken.”

Van Aert en zijn vriendin Sarah zijn hier vorig jaar in april ingetrokken. Een grote stap voor twee mensen van amper 20 jaar. “We voelden dat dit de juiste stap was. We zijn tenslotte al vier jaar samen. Niet dat we het thuis beu waren, maar we wilden een eigen stek, onze goesting kunnen doen.”

Mis je moeders’ vleugels niet?
Zelden. (lacht) Het is ook niet dat ik hen niet meer zie. Ze zijn altijd op de cross. Mijn vader is mekanieker en mijn moeder zorgt voor eten in de mobilhome. Herentals ligt trouwens vlakbij Lille, waar onze ouders wonen.

Wie doet hier de was en de plas?
Ik zou niet weten hoe de wasmachine werkt, moet ik toegeven. Sarah dus. (lacht) Hooguit haal ik de stofzuiger eens boven. Of kook ik iets. Als ik een recept kan volgen, kan ik wel iets in elkaar knutselen. We hebben veel kookboeken liggen, die van Claudia Van Avermaet bijvoorbeeld. Gelukkig is Sarah ook hard met gezonde voeding bezig.

Hoe belangrijk is zij voor jou?
Enorm. Op alle vlakken. Ik hecht er veel belang aan dat zij aanwezig is op de cross. Zij is de laatste die me iets zegt voor de start en de eerste die ik iets zeg na de aankomst. Ik besef wel goed dat dit allemaal niet evident is voor haar. Wij kunnen niet leven zoals andere mensen. Op restaurant gaan in de winter zit er niet in. Ook voltijds werken is niet gemakkelijk als je rennersvrouw bent. Sarah is net afgestudeerd in de Rechtspraktijk. Ze zoekt nu uit wat ze gaat doen.

Kan jij komende winter beter doen dan vorig jaar?
Qua prestaties niet. Ik ben de eerste om te beseffen dat ik zo’n seizoen waarschijnlijk nooit meer zal meemaken.

Waar vind je dan nog de uitdaging?
Dit seizoen is dat vrij gemakkelijk. Als je die regenboogtrui mag dragen, ben je sowieso gemotiveerd. Je wil je bewijzen in die trui, tonen dat dat seizoen geen toevalstreffer was. Daarnaast wordt het uitkijken naar de duels met Mathieu Van der Poel. Die was vorig seizoen maanden geblesseerd, je mag dat niet vergeten. Met hem heb ik er een grote concurrent bij.

Dat jij in je eerste echte profseizoen alles won, wat zegt dat over de tegenstand?
(blaast) Als je dat vanop een afstand bekijkt, kan je misschien zeggen dat ik geen tegenstand had, ja. Maar Mathieu’s blessure is een eerste kanttekening. En is het niet altijd zo geweest dat één of twee personen het veldrijden domineren? Denk aan Nys-Wellens en daarna Nys-Albert. Dat is nu ook zo. Als Mathieu en ik op ons best zijn, moeten we altijd voor de zege strijden.

“Crosser worden was waarvan ik droomde als kind.”

Volgens kenners ligt jouw toekomst op de weg. Hoe zie jij dat?
Ik koers graag op de weg, dat is zo. Maar mijn vizier staat nog altijd in de eerste plaats op het veldrijden. Crosser worden was waarvan ik droomde als kind. Ik heb er nooit bij stilgestaan dat ik ook op de weg iemand zou kunnen worden. Misschien dat ik over vijf jaar anders denk, als ik wel plots die motivatie kwijt ben. Maar dat gevoel heb ik nu zeker niet. Laat mij de twee maar combineren, die afwisseling doet me goed.

Wat haat je het meest aan je sport?
Die aandacht, dat vergt echt veel energie. Zeker tegen het einde van de winter. Telkens je uit die mobilhome komt, word je aangeklampt. Dat durf ik wel eens vervloeken. Soms wil ik gewoon een uur crossen, en niets meer.

Dat hoort bij het volksfeest dat veldrijden is.
Dat klopt, dat besef ik ook. Dat maakt deel uit van de charme van onze sport. Maar het is soms vermoeiend. In het voetbal wordt het algemeen aanvaard dat spelers een koptelefoon dragen en zo de bus inlopen. Bij ons zou dat not done zijn.

“Als ik het hoog in mijn bol zou krijgen, zou mijn moeder me wel op de vingers tikken.”

Is het moeilijk met je voetjes op de grond te blijven als je overal geprezen wordt?
Ik vind van mezelf dat dat redelijk goed lukt. Ik kom uit een simpel, normaal gezin. Als ik het hoog in mijn bol zou krijgen, zou mijn moeder me wel op de vingers tikken. Of Sarah. Doe maar normaal, zegt ze dan. (lacht) Ik kan ook goed relativeren. Wat ik doe, is máár sport. Toen vorig jaar in Koksijde iedereen door een metaaldetector moest uit vrees voor een aanslag, dan word je even stil.

Werk je nog met mental coach Rudy Heylen?
Nu minder intensief dan vorige winter. We houden wel contact. Ik heb veel van hem geleerd.

Wat dan?
Soms kleine trukjes. Dankzij hem kan ik nu ook naar een groot kampioenschap rustig toeleven. Voordien lag ik daar weken van wakker. En de dag zelf was ik door die stress sneller uit mijn evenwicht te krijgen. Dat heb ik nu beter onder controle. Je hebt dat gezien op het WK dit jaar. Pech in het begin, maar ik liet me niet intimideren. Rudy is ook belangrijk als vertrouwenspersoon. Wij hebben vaak gepraat over hoe ik me voel. Soms heb je zo iemand nodig, iemand die wat verder af staat.

Bij Van der Poel zit de cross in de genen. Hoe zit dat bij jou?
Minder. Mijn ouders zijn wel sportief, ze hebben altijd recreatief gefietst. Maar het is dankzij een vriend dat ik eens een cross heb gedaan, en dat ging meteen goed. Ik heb ook even gevoetbald, maar dat was mijn ding niet. Ik denk niet dat ik gemaakt ben voor teamsport. Ik ben heel veeleisend voor mezelf en zou niet kunnen verdragen dat iemand anders dat minder is.

Heb je het moeilijk met al die opofferingen die je moet maken?
Niet echt, neen. Ik ben ook geen Chris Froome die graatmager moet staan. Of die zes maanden per jaar op buitenlandse stage zit. Ja, je moet fatsoenlijk eten, jezelf soigneren en je kan zelden uitgaan. Maar ik zie dat niet als grote opofferingen. Als het seizoen voorbij is, geniet ik er wel van nog eens met de jongens van school op stap te gaan. Al ben ik dan steevast als eerste zat. (lacht)

Is het moeilijk je vrienden te houden als je dit leven leidt?
Dat is niet makkelijk. Als je vijf keer neen zegt, word je geen zesde keer gevraagd om mee uit te gaan. Ik neem dat ook niemand kwalijk. Dat is gewoon hoe het is. Gelukkig komen zij vaak met de supportersbus van Lille naar de cross kijken. Dat vind ik heel plezant, dat zie ik hen nog eens.

Hoe deed jij het op school?
Ik was geen lomperik, denk ik. Ik heb wiskunde-wetenschappen gevolgd. Maar school was niets voor mij. Mijn motto was: zo weinig mogelijk studeren, en toch slagen. Dat is gelukt. Ik heb nadien nog anderhalf jaar toegepaste informatica gestudeerd, maar toen ik de kans kreeg prof te worden, ben ik dat gestopt. Ik wou geen twee dingen half-half doen.

Het sportrapport van Wout van Aert

Als kind was mijn idool …
Ik was fan van Bart Wellens en Erwin Vervecken, twee crossers uit de streek.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …
Peter Sagan. Hoe die omgaat met al die aandacht is heel knap.

Mijn mooiste sportmoment?
Begin dit jaar: Belgisch kampioen worden in Lille, mijn dorp. Zeker emotioneel was dat het mooiste moment.

Mijn grootste ontgoocheling?
Het BK in Erpe-Mere in 2015. Ik voelde me klaar om te winnen, maar was nog te weinig killer.