“Kunst plegen is een hevigere vorm van leven”, zegt Willem Vermandere. En dus doet de 77-jarige West-Vlaamse levenskunstenaar altijd voort. Na ons gesprek in zijn musiceerkamer leidt hij mij naar zijn ware heiligdom: zijn wilde tuin waar hij wrocht aan zijn beelden, en zijn stil atelier waar hij tekent en schildert. Elke dag.

 

Hij zou liefst herinnerd worden als beeldhouwer, zegt hij. Een beeldhouwer die af en toe gaat zingen. IJdele hoop, vrees ik. Het zullen vooral zijn liedjes zijn die onsterfelijk blijken. Wie kent er Blange blankeman niet, Blanche en zijn peerd, of die Duizend soldaten? “Laat het mij dan positief bekijken: de beeldhouwer Vermandere heeft chance met zo’n mecenas, de zanger Vermandere. Wie zou dat materiaal anders betalen?”

Wrochten met hamer en beitel is zijn lang leven. Of hij de leeftijd niet voelt? “Soms kraakt dat een keer, en moet ik naar de dokter. Waarom sta jij nog steeds te kappen in die stenen, vraagt die dan.” (lacht) Voortdoen, zo leerde zijn vader/wagenmaker. Vakantie nemen doet hij zelden. “Naar Frankrijk rijden, stenen gaan zoeken, dat waren onze vakanties. Wat namen wij mee in de auto? Onze vier kinderen, wat muziekinstrumenten, tekenpapier en twee bakken vol hamers en beitels. En we werkten. Zelfs de kinderen deden mee. Zalig.”

Zo ontdekte hij destijds het onooglijke dorpje Chaumont-le-Bois, in de Bourgogne. Hij leerde er Godelieve Rosselle kennen, en schreef er een liedje over: La belle RosselleZe is intussen meer dan twintig jaar dood, maar om de twee jaar keert hij terug. Om er te zingen in de kerk. Zo ook eind deze maand. “Ik ben erop gevierd”, vertelt hij. “Dat is een bedevaartsoord geworden. Die kerk zit vol Belgen als ik er kom.” (lacht)

 

“Ik kan de oorlog niet loslaten”

 

Waarom maakte die vrouw zo’n indruk op jou?

Les gens heureux n’ont pas d’histoire. Je schrijft geen liedjes over gelukkige mensen. Pas als het fout loopt, openbaart het leven zich in alle hevigheid. Godelieve was een verstoten kind. Is twee keer moeten vluchten. Een eerste keer met haar ouders, weg uit Poelkapelle voor die vreselijke oorlog van 14-18. Een tweede keer met haar vent, een zekere Rosselle, terug naar Frankrijk. Haar vader moest hem niet. Die vent is later zot geworden. Godelieve heeft twintig jaar voor hem gezorgd, terwijl ze drie kinderen opvoedde, én beesten kweekte voor de Parisiens. Ze wrocht als een paard. Een ongelooflijk moedig wuvetje. Ik heb er ook Bertha Verslyppe leren kennen. Een succesvolle madam. Twee schone zonen, een brave vent. Wat moet je daarover zingen?

Uit alles wat je doet, blijkt dat je de oorlog niet kan loslaten. Hoe komt dat?

Ik was er drie, Kortrijk werd gebombardeerd (Vermandere groeide op in Lauwe, red). Dat is mijn eerste herinnering: mijn vader die mij vastpakt en naar de kelder draagt. Vele doden vielen toen. Zelfs als de oorlog voorbij was, kropen mijn broer en ik onder de tafel als er een vliegtuig overvloog. Die angst blijft. (zwijgt even) Ik zie dat ook in mijn werk. Veel mensen willen het niet in huis. Maar kijk waar we hier zitten. (wijst naar de vloertegels) Soldaten zaten hier rond de stove. Ze dronken hier hun laatste pint voor ze naar het front trokken. Hoe kan je dat dan loslaten?

Hoop je nog de nieuwe generatie te kunnen bereiken?

Ik hoop niet veel meer. Wie treurt vandaag nog om de wandaden van Napoleon? Gaan onze kleinkinderen binnen honderd jaar nog op die klaroenen blazen in Ieper? Gaan ze geen andere katten te geselen hebben? De zorg voor moeder aarde. Het samenleven met andere culturen. Ik maak me daar zorgen over.

Met Bange blanke man werd jij een kwarteeuw geleden plots boegbeeld van het verzet tegen Vlaams Blok. Was dat een keerpunt in je leven? Weg was plots die brave bard die zong over het simpele leven van het Vlaamse volk.

Dat imago van brave ziel was na twee platen al weg. Ik zong in de jaren tachtig al van Duizend soldaten in volle anti-atoomsfeer. Wat je daar beschrijft, was wel een angstige periode. Ik ben toen bekogeld met allerlei voorwerpen op de markt van Brussel. Ik kreeg dreigbrieven thuis. Ik ben ermee naar de rijkswacht gestapt. Verrader van uw volk, schreven ze. Ik trad op tijdens de Gentse Feesten met politie in burger rond het podium. In die tijd waren we bang van de stoottroepen van Vlaams Blok, niet van IS.

cartoonLiet jij je het zwijgen opleggen?

O neen. Je klasseert dat, en je doet voort. (pakt zijn klarinet en speelt even) Het musiceren gaat goed, het liedjes schrijven iets moeizamer. Een lied schrijven is als een kind krijgen. Na de geboorte heb je even tijd nodig voor een volgend. En met de jaren gaat dat moeizamer. Maar de melodieën blijven komen. Dat is goed.

Heb jij het leven geleid dat je wou?

Als kind wou ik niet veel. Ik was een doendigaard, altijd bezig. Ik was ook een verstandige jongen. Ik wou naar de humaniora. Ik heb Latijn-Grieks gevolgd in het klooster van Waregem. Ik begon er te beeldhouwen en te musiceren. De oversten zagen dat niet graag. Kunst is gevaarlijk. Ik heb later Godsdienst gestudeerd en drie jaar les gegeven in Nieuwpoort. Daar heb ik afgezien. Ik moest dat stoppen of ik zou doodvallen. Maar ik heb er wel geleerd te vertellen.

Jij bent niet gespaard gebleven van tegenslagen. Je kleinzoon Rune stierf toen hij amper één jaar was. Heeft je dat niet bitter gemaakt?

Ons Runeke. Zo’n goede jongen. ’t Is twintig jaar geleden. Neen, bitter niet. Gestorven geliefden moet je een nieuw leven geven. Dan betreed je het domein van de mystiek, van de verbeelding. Dat heb ik gedaan. Met de gitaar op mijn schoot in deze kamer. En de woorden volgden. De tranen ook. (zingt) Runeke onze tranen, Runeke ons verdriet, Rune kropt in mijn kele, voor Rune dit nieuw lied. (zwijgt) Ik was zo gevoelig voor tekens in die tijd. De dag dat we Runeke begraven, in Lampernisse. Het was al weken droog. En plots, we scheppen de aarde over het kistje, valt de regen. Alsof hij wou zeggen: kom, maak het kort, ga naar binnen. Je bent daar even niet goed van. Op de graven van heiligen gebeuren mirakels, zegt men. Ons Els, de moeder van Runeke, riep ons later die dag weer naar buiten voor een prachtige regenboog. In Noorwegen, waar zij toen woonden, wordt een regenboog gezien als de glimlach van God. (zacht) Je gaat door de knieën op die momenten. En de tranen. Ik heb heimwee naar die tranen van toen. Als je tranen laat, vertoef je zo intens bij je gestorven geliefde. Maar tranen drogen op. Enfin, dat is een grote bluts in onze ziel. Je bent daar nooit mee effen.

“Als je tranen laat, vertoef je zo intens bij je gestorven geliefde. Maar tranen drogen op.”

Heb je een goede band met je kinderen?

Ja. Al denk ik niet dat ik de ideale vader was. Ik was te veel onderweg.

Bestaat dat, de ideale vader?

(lacht) Misschien niet. Ik weet het niet. Enfin. Kom mee, we gaan naar buiten. Ik ga je mijn beelden tonen, en mijn atelier. Weet je, kunst plegen is een heviger vorm van leven. Ik heb hevig geleefd. En ik blijf voortdoen, stil voortdoen.

Nog één iets. Waarom is Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel Garcia Márquez je favoriete boek?

Hij heeft dat speciaal voor mij geschreven. Ik ben dat nu voor de zevende keer aan het lezen. Dat heeft te maken met dat religieuze leven van mij. Márquez ként de Bijbel. Maar ook: die schoonheid van die zinnen. Ik kan ook van schoonheid tranen in de ogen krijgen. Ik hield het niet toen ik naast de David van Michelangelo stond. Wat moet die mens geleefd hebben. (even stil) Wat is de kern van het mens-zijn? De tranen, zei de Nederlandse dichter Rutger Kopland. Een mens dwaalt tussen verrukking en verbijstering. Wat we mekaar aandoen, dat is die verbijstering. De verrukking, dat is de schoonheid, de kunst. De tranen zijn er om allebei.

 

In zijn atelier schenkt hij mij een tekening, een droedel. Vreemde vormen door elkaar. “Vraag de kunstenaar niet wat hij wil zeggen, hij weet het zelf niet.” Schone man, die West-Vlaamse bard. In kerken in Nieuwpoort en Steenkerke exposeert hij deze zomer zijn werk. Of ik dat eraan wil toevoegen, vraagt hij.