Het verhaal van Tom Steels stemt tot nadenken. Over de zorg in onze samenleving. Over hoe sportclubs omgaan met kinderen die niet perfect zijn. De voormalige wielervedette uit Sint-Niklaas, nu 44, is vandaag in de eerste plaats papa van drie kinderen, waarvan twee met bijzondere zorgnoden. De manier waarop hij en zijn vrouw Leen daarmee omgaan, is bewonderenswaardig. “Wij willen niet cynisch worden. Ook daarom steken we zelf de handen uit de mouwen.”

“Een kind hebben met een handicap verandert je hele leven. Dat wordt vaak serieus onderschat.” Tom Steels, viervoudig Belgisch kampioen en nu sportdirecteur bij Etixx-Quick-Step, weet waarover hij spreekt. Zijn oudste dochter Lobke, 16, is zwaar fysiek en mentaal gehandicapt. Zijn zoon Rune, 12, heeft autisme. “Hij komt er wel. Rune is heel charmant en intelligent. Je kan dat niet vergelijken met Lobke. Voor haar zal er altijd iemand moeten zorgen.”

Voor Rune heb je dit voorjaar een speciale voetbalclub uit de grond gestampt.
Samen met enkele vrienden. Gewone sportclubs hebben weinig geduld met kinderen die iets meer tijd nodig hebben of iets meer aandacht vragen. Dat is jammer om te zeggen, maar je voelt ergens dat ze hen liever kwijt dan rijk zijn. Wij hebben dat ook ondervonden. Dan zoek je alternatieven.

Wat is het verschil met een gewone club?
Dat we één keer per week trainen, op vrijdagavond, en geen competitie spelen. We werken met trainers en vrijwilligers die perfect weten hoe je die kinderen moet aanpakken. We zijn wekelijks met een vijftigtal spelertjes. Die hebben trouwens niet allemaal autisme. Ook andere gastjes die minder talent hebben en uit de boot vallen, maar toch plezier vinden in voetbal, doen mee.

Ook voor Lobke werk je een uniek project uit.
Dat idee is enkele jaren geleden gegroeid. We zaten met enkele koppels, die in dezelfde situatie zitten, rond een kampvuur. Allemaal worstelend met die ene vraag: wat als onze kinderen volwassen zijn en niet meer in de dagopvang terechtkunnen waar ze nu zitten? Je hebt in de zorg het probleem van de lange wachtlijsten. Daar rijpte de idee zelf een huis te bouwen. En voilà: eind volgend jaar zou dat klaar moeten zijn. Er zal plaats zijn voor negen mensen en drie begeleiders.

Er thuis voor zorgen zou heel zwaar zijn.
(knikt) De impact daarvan mag je niet onderschatten. Wij worden ook ouder. En we hebben twee andere kinderen die aandacht eisen. Als je een eigen huis bouwt, en zelf de begeleiding aanstelt, neem je veel kopzorgen weg. Dan weet je dat je kind in goede handen is, en heb je zelf iets meer ademruimte.

Dit zou een basistaak van de overheid moeten zijn. Voel je je in de steek gelaten?
Zo ver wil ik niet gaan. Ja, de overheid zou meer moeten doen, vooral op vlak van financiering van de zorg. Die is ontoereikend. Wij hebben gelukkig een PAB (persoonlijk-assistentiebudget, red) waarmee we iemand in dienst kunnen nemen, maar niet iedereen heeft dat. Als je die budgetten zou optrekken zodat minstens de zorg betaald kan worden, geef je veel mensen een mooier leven. Maar ik wil niet zeggen dat de overheid niets doet: wij krijgen ook steun voor ons project.

“Je beseft natuurlijk dat je leven makkelijker had kunnen zijn. Maar we hebben nooit het gevoel gehad: waarom wij?”

Veel mensen zouden cynisch worden in jouw situatie.
Dat gevaar bestaat. En ik zou dat ook begrijpen. Wij willen dat vermijden. Ook daarom steken we zelf de handen uit de mouwen. We willen niet overal het negatieve in zien.

Met permissie, maar niet elke ouder heeft de mogelijkheden zelf een huis te bouwen.
Daar heb je gelijk in. Dit mag ook niet de standaard worden. Wij hebben het geluk met enkele koppels samen te werken en een groot netwerk te hebben. Je kan dat niet van iedereen verwachten. In Nederland zijn de wachtlijsten wel op deze manier weggewerkt, maar daar krijgen mensen met een handicap een hoger budget zodat ze zorg en onderkomen kunnen betalen.

Weegt die zorg voor de kinderen op je relatie?
Gelukkig niet. Al is het niet altijd evident. We zien dat in onze omgeving. Maar Leen en ik zijn niet fatalistisch ingesteld. Je beseft natuurlijk dat je leven makkelijker had kunnen zijn. Maar we hebben nooit het gevoel gehad: waarom wij? We zien onze drie kinderen even graag.

Valt dit te combineren met je job als sportdirecteur?
Ja, dankzij Leen. Zonder haar ruggensteun had ik andere beslissingen moeten nemen, zou ik geen 160 dagen per jaar van huis weg kunnen zijn. Zij is ook de drijvende kracht achter het huisproject. Zij heeft ongelooflijk veel kwaliteiten, maar heeft zich altijd weggecijferd voor het gezin. (zwijgt even) Als het huis klaar is, zal zij ook eindelijk wat meer vrije tijd hebben. Je hebt dat nodig. Wij hebben al te veel mensen zien kraken die te veel wilden doen of te weinig aan zichzelf dachten. Als Lobke eens een weekje weg is, merk je pas hoeveel tijd vrij komt.

Was het niet de bedoeling dat jij schepen van Sport zou worden?
Dat klopt. Ik zou in 2011 overnemen. Maar net dan kreeg ik de kans voor Quick-Step te werken. Dat viel niet te combineren, zeker gezien mijn thuissituatie. Ik heb daar geen spijt van. De wielerwereld is meer mijn biotoop dan de politiek.

“De Tour kan iemand geweldig de hoogte in prijzen, soms te hoog, maar ook de grond in boren, soms te diep. Ik heb de twee meegemaakt.”

Wat schat jij het hoogst in: je vier Belgische titels, waarmee je recordhouder bent, of je negen Tourritzeges?
De Tour: die is met niets te vergelijken. Die bepaalt je waarde als renner. Daar is iedereen top, daar rijdt iedereen met het mes tussen de tanden. De Tour kan iemand geweldig de hoogte in prijzen, soms te hoog, maar ook de grond in boren, soms te diep. Ik heb de twee meegemaakt.

Het bidonincident in 1997.
Dat was de uiting van een opeenstapeling aan ontgoochelingen. Dat was mijn eerste Tour, en ik werd in de eerste rit meteen tweede. Ik dacht dat het wel los zou lopen. Niet dus. De volgende massasprinten mislukten. En dan sloegen mijn stoppen door. Ik besef dat ik fout zat. Ik werd terecht uit de Tour gezet. Ik was ook vooral blij dat ik niemand geraakt heb. Maar uiteindelijk heb ik daaruit geleerd. Dat is me nooit meer overkomen.

Toon je die beelden aan jongeren?
Zelden. Ik loop daar nu niet geweldig mee te pronken. (lacht) Als ze ernaar vragen, wel. En als ze de beelden dan zien, geloven ze niet dat ik dat ben.

Je moet goed gek zijn om je te mengen in die massasprinten, denk ik vaak.
Tja, dat is inderdaad iets vreemd. Als massasprinter ben je eigenlijk pas op je gemak als die laatste vijf kilometer ingaan. Dan overvalt je een zekere rust. Dan begint je job. Deed ik dat graag? Ja en neen. Als je wint, doe je dat graag. Maar het is geen discipline om vijftien jaar te doen. Je bent ook heel afhankelijk van je team, zeker als je ouder wordt. Maar als je geen vijf van de tien massasprinten kan afwerken, kan je die onvoorwaardelijke steun niet meer eisen.

In juli 2013 werd je naam genoemd in een dopingrapport van de Franse Senaat. Je waarden uit de Tour van 1998 zouden twijfelachtig zijn. Wat vond je daarvan?
Niet veel. Dat is een afgesloten hoofdstuk. (zwijgt even) Je doet de wielrenners van vandaag geen plezier telkens terug naar die jaren negentig te verwijzen. Dat was een zwarte bladzijde in onze sport. Maar we hebben ons daarvan hersteld. Qua dopingbestrijding staan we heel ver. En de mentaliteitswijziging bij jongeren is gigantisch. Zonder dat zou ik vandaag niet meer in de wielersport zitten. Hoog tijd dus om over het sportieve te spreken.

Het sportrapport van Tom Steels

Als kind was mijn idool …
Niemand. Wij zijn opgegroeid met sport, niet met idolen.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …
Mja, ik kan veel mensen noemen. Iemand als Kevin Debruyne. Of Stoffel Vandoorne. Straf om zoveel talent te zien.

Mijn mooiste sportmoment?
Die eerste Tourritzege in 1998, een grote bevrijding voor mij.

Mijn grootste ontgoocheling?
Die lange periode waarin ik klierkoorts had. Ik heb gevreesd dat mijn carrière voorbij was.