Hij was pas zestien toen hij bijna twee jaar geleden in het eerste elftal van Anderlecht verscheen. Vorige week debuteerde hij in Denemarken als A-international en dinsdag bekroonde hij tegen IJsland zijn eerste basisplaats met een doelpunt. De indruk ontstaat dat Jérémy Doku een natuurtalent is voor wie alles vanzelf gaat, maar het tegendeel is waar, vertelt hij in zijn eerste interview als Rode Duivel. “Ik ging naar school met een voetbalshortje en met sportschoenen van vijf euro met gaten in. Ik had niéts.”

We spreken Jérémy Doku de dag na de wedstrijd tegen IJsland in de hoofdtribune van het Lotto Park. Vijfenveertig minuten krijgen we, meer niet, want dan moet hij absoluut weg. Hij moet, zegt hij bij het afscheid, een nieuwe tv gaan kopen. Of zijn toestel thuis is gesneuveld tijdens de euforie die na zijn doelpunt in het Koning Boudewijnstadion bij zijn familie losbrak, komen we niet meer te weten.

Het was een avond waarop hij aanvankelijk de eenvoudigste controles miste, maar de perceptie dat hij met trillende benen op het veld stond, klopt volgens hem niet. Het was een kwestie van concentratie: hij is iemand die op gevoel moet kunnen voetballen, maar omdat hij te veel moest nadenken, ontbrak het juiste balgevoel, legt hij uit. “De tegenstander stond dicht tegen het eigen doel, ik kreeg weinig ballen en wist niet goed waar te lopen. Na de rust speelde ik aan de kant van de coach, was het duidelijker wat ik moest doen en werd ik meer aangespeeld. Ik wist: één goede actie en ik ben vertrokken. Ik weet intussen voldoende wie ik ben en wat ik kan.”

Je groeide op in Borgerhout. Dat is niet de veiligste plaats voor een kind om op te groeien.

Neen. Maar ik ben er al op jonge leeftijd weggegaan. Ik was pas tien jaar toen Anderlecht mij elke dag ‘s ochtends met een busje kwam ophalen en mij ‘s avonds terugbracht. Wanneer ik dan thuiskwam, was ik moe en soms moest ik nog studeren. Uiteindelijk plaatsten ze mij in een gastgezin in Brussel. Tijd om uit te gaan was er niet. Ik ken mensen in Borgerhout, maar het zijn niet de vrienden die ik bel wanneer ik met een probleem zit.

“In Borgerhout kan er voor de kleinste dingen gevochten worden, maar dat gaf mij juist een kick. Zonder die ervaring, was ik een softie geworden.”

Ik speelde er wel al op jonge leeftijd vaak buiten op de veldjes. Dat is voor mij de grootste reden waarom ik nu zo goed ben. Zonder straatvoetbal stond ik niet zo ver. Het is daar dat ik leerde dribbelen. Ik wou altijd maar beter worden en met de besten concurreren; en daar was de concurrentie groter dan op training. Je speelt er ook tegen oudere jongens en dat zorgt ervoor dat je minder bang wordt en meer gaat durven.

Je weet dat er voor de kleinste dingen gevochten kan worden en dat je paraat moet staan wanneer er problemen zijn, maar dat gaf mij juist een kick. Ik denk: mocht ik dat niet hebben meegemaakt, dan was ik een softie geworden. Daardoor ben ik geworden wie ik ben en kan ik ook een andere kant van mij laten zien: ik laat niet met mij sollen. Ik ben gelukkig dat ik in Borgerhout ben opgegroeid. Mijn oudere broer was er altijd voor mij, ik kende er de juiste mensen en als je goed kunt voetballen hebben ze je er graag.

Herinner je je nog het moment waarop je als kind wist dat je voetballer wou worden?

Ja. Dat was op vakantie in Ghana. Ik zag mijn broer voetballen en wou meedoen, maar ik mocht niet omdat ik te klein was. Ik ben toen boos geworden en heb tegen mijn vader gezegd: ‘Wanneer ik weer in België ben, wil ik direct voetballen.’ Hij heeft mij toen aangesloten bij Tubantia.

Sindsdien volgt hij elke wedstrijd. Hij is wel vaak boos geweest. Het gebeurde zelfs dat hij tijdens de wedstrijd wegging omdat ik zo slecht speelde. Dat was hard voor mij, ik herinner mij nog goed hoe moeilijk dat was, maar uiteindelijk maakte het mij sterker. Nu begrijp ik dat. Hij stond vroeg op om mij te brengen en stak zoveel tijd in mijn voetbal dat het hem pijn deed mij zo slecht te zien spelen.

We discussieerden vaak in de auto en thuis. Zelfs nu maken we soms nog ruzie. We zijn altijd dikke maatjes geweest, maar in het voetbal was hij heel streng voor mij. Was hij niet zo streng geweest, dan zat ik hier nu niet. Zo ben ik ook heel kritisch voor mezelf geworden. Al mijn wedstrijden bekijk ik opnieuw om te zien wat ik goed deed en wat ik beter moet doen. Ik offerde veel op voor het voetbal, maar ik wist waarom ik het deed: ik was aan iets begonnen en het was geen optie dat ik dat niet tot een goed einde zou brengen. Zij die mij steunden en tijd in mij investeerden, wou ik niet teleurstellen. Ik wou hen blij en trots maken, hen teruggeven wat ze voor mij deden. Ik ben nog maar 18 jaar, maar in mijn hoofd ben ik ouder dan mensen denken.

(foto Kris Van Exel)

Is het een extra motivatie geweest om via het voetbal je familie te helpen?

Ja, dat speelt mee. Ik had geen Nike en geen Adidas en geen Louis Vuitton. Ik had niéts. Ik ging naar school met een voetbalshortje en sportschoenen van vijf euro met gaten in. In mijn klas zag ik mensen met broodjes van de Panos en de allernieuwste iPhones en iPads. Ik deed het met een gsm van de Aldi van 15 euro en boterhammen die mijn vader voor mij klaarmaakte. Maar dat was geen probleem voor mij. Ik vond dat normaal. Wat ik nu heb, is veel meer dan ik ooit kon bedenken. Wanneer ik daar nu op terugkijk, vind ik dat moeilijk. Maar toen zag ik dat niet als moeilijk. Ik probeerde gewoon dag na de dag de beste te zijn op het veld.

Wat wel een probleem was, was als ik mij niet correct behandeld voelde. Als iemand iets in mijn schoenen probeert te schuiven of als ik vind dat ik niet op dezelfde manier behandeld word als iemand anders, dan raakt mij dat en dan kan ik boos worden. Dan zwijg ik niet en dan maakt het niet uit wie je bent. Soms was dat een probleem op school en bij coaches. Ik moet nog leren wanneer je dat doet en op welke manier je dat dan doet.

Een vroegere ploegmaat vertelde ons dat de beste jeugdcoaches voor jou trainers waren die jou in balbezit je ding lieten doen.

Ja. Er waren inderdaad coaches die mij zeiden: ‘Als je de bal hebt, speel maar vrij.’ Coach Benoit Haegeman, coach Noureddine Moukrim en coach Mo Ouahbi. Bij de nationale ploeg was coach Bob Browaeys ook zo iemand. Dat hielp mij vanuit mijn kwaliteiten te voetballen en die te ontwikkelen. Er zijn bij Anderlecht ook mensen geweest die zeiden: ‘Je dribbelt te veel.’ Maar daar luisterde ik niet naar. Ik wist: laat mij maar doen, je zal wel zien. Intussen weet ik ook op welke momenten ik dat moet doen. Ik ga niet dribbelen tot ik erbij neerval.

In het seizoen van je officiële debuut in het eerste elftal van Anderlecht verschenen er op een bepaald moment artikels dat je een moeilijk te slijpen diamant zou zijn, overmoedig was op training en met tegenzin het materiaal opruimde.

Wie mij echt kent, weet dat ik zo niet ben. Vandaag zag ik in Neerpede dat er geen fiets meer vrij was voor Adrien (Trebel, red.) en omdat hij ouder is, vroeg ik of hij de mijne wou. Met welk gevoel ik het materiaal opruim, hangt af van het scenario. Win ik een wedstrijdje, dan doe ik dat met plezier. Maar als ik verlies, ben ik boos en begin ik er niet aan met een lachend gezicht. Soms ben ik blij en soms ben ik boos, want ik ben een mens.

Welke rol speelde je geloof in God in je ontwikkeling?

Dat hielp mij sowieso. Ik ben christen, vroeger ging ik elke zondag naar de kerk en nu bid ik nog altijd elke dag. Alles waarvoor ik gebeden heb en waarin ik geloofde dat het mogelijk was, realiseerde zich intussen. Het gaat goed met de hele familie en ik besef dat dat niet vanzelfsprekend is.

Wat doe je behalve bidden om een goede christen te zijn?

Ik probeer een goed mens te zijn en het juiste te doen. Iemand die het moeilijk heeft, zal ik niet uitlachen, omdat ik weet hoe dat voelt.

Wat was voor jou tot nu toe het moeilijkste moment?

Dat was toen ik vijftien was en ik moest kiezen tussen bij Anderlecht blijven of naar Liverpool gaan.

Klopt het dat je bij Anderlecht bent gebleven onder druk van Romelu Lukaku?

Neen. Hij gaf mij het advies om te blijven, maar van bij het begin was het mijn doel om te blijven. Als Anderlecht tenminste bereid was daar een inspanning voor te doen, wat het uiteindelijk ook deed. Dat weten mijn ouders en mijn manager heel goed. Mijn vader wou dat ik naar Liverpool ging en mijn moeder ook, maar ik zei: ‘Neen, ik wil blijven.’ Voor mij was dat het beste pad en dat zat altijd al in mijn hoofd. Ik luisterde wel naar de raad van Romelu, maar beslissingen over mijn toekomst neem ik zelf.

(Christian Vandenabeele)