In de jaren negentig was Dominique Monami de nummer één van het Belgische tennis. Als eerste landgenote ooit behoorde de Luikse tot de top-tien wereldwijd. Na haar afscheid in 2000 volgde een moeilijke periode, maar vandaag heeft ze haar leven helemaal op de rails. Ze stráált als ik haar ontmoet in een koffiebar in Mechelen. Net stiefoma geworden, of mooier: mamsie. En binnenkort haar eerste afspraak als nieuwbakken Fed Cup-kapitein.

Al ruim tien jaar woont Dominique Monami in Mechelen. Met dochter Ines (15), uit haar eerste huwelijk, en manlief Erik. Dat ze geen haar veranderd is in al die jaren, zeg ik. Het doet haar bijna blozen. “Ik voel me goed, ja. Je merkt wel wat meer rimpels dan vroeger. (lacht) Ik ben net stiefoma geworden, maar ik voel me nog helemaal geen oma. Ik ben er 43. Daarom vind ik mamsie veel beter klinken, toch?” Ze woont graag in Mechelen, zegt ze. “Ik ben fan van burgemeester Bart Somers en zijn beleid. Ik heb de stad in goede zin zien evolueren. Veel mensen houden niet zo van al die camera’s, maar ik vind dat een goede zaak. Je voelt je veilig. De stad besteedt ook veel aandacht aan jonge gezinnen. Ik heb me hier meteen welkom gevoeld. Al zal het misschien wel helpen dat ik een bekende figuur ben.”

Vlaanderen heeft jou altijd graag gezien. Hoe komt dat?
Dat zal wel mijn mentaliteit zijn. Ik ben een vechter, ik geef nooit op. En mijn patriottisme. Ik heb altijd graag voor mijn land gespeeld, ik spreek Nederlands.

Na je afscheid heb je het wel moeilijk gehad.
Ja, dat klopt. Dat laatste jaar was al een rollercoaster aan emoties. Mijn moeder overleden, daarna brons op de Spelen, de onzekerheid over mijn toekomst, zwanger worden. Ik heb dat jaar voor het eerst een sportpsychologe opgezocht. Een keer of drie. Om te praten over zin geven aan je leven na je carrière. Ik wou een nieuwe uitdaging, maar vond die niet. Wat wou ik eigenlijk doen? Zelfs de psychologe kon niet alle antwoorden geven. Ik heb even tennisles gegeven, maar dat was niets voor mij. Ik was te gedreven, meer dan mijn leerlingen. Je mag dat echt niet onderschatten die overgang. Net als het mama worden. Ik had nog nooit een pamper ververst. Ik moest van nul beginnen. Dan mis je je eigen moeder.

Je bent nu wel de nieuwe Fed Cup-kapitein. Waarom zou dat je wel liggen?
Ik ga de meisjes niet zeggen hoe ze op een tennisbal moeten slaan. Mijn meerwaarde ligt elders. In 2004 heb ik via via de kans gekregen om als mental coach voor bedrijven te werken. Dat was de uitdaging die ik nodig had. Mijn ervaringen over omgaan met stress en energie overdragen aan bedrijven. Dat doe ik ontzettend graag. Dat is ook vandaag nog steeds mijn hoofdactiviteit. Die rol wil ik ook in de Fed Cup spelen. Onderschat het mentale aspect niet in die competitie. Je speelt voor één keer niet voor de punten of het geld, maar voor je land.

Krijg je alle meisjes mee in dat verhaal?
Dat is een moeilijke vraag. Ik weet dat niet. Niet iedereen is even patriottisch ingesteld, en niet iedereen kan even goed in team spelen. Ik ben wel duidelijk: ik ga niet tot het uiterste gaan om iemand te overtuigen. Dan neem ik liever iemand die wel gemotiveerd is. De eerste gesprekken met alle meisjes waren wel positief.

“Je moet eigenlijk maf zijn om topsport te willen doen. Altijd je grens verleggen, altijd je lichaam pijnigen. Ik deed dat graag.”

Speel je zelf nog?
Af en toe. Vorige week heb ik gedubbeld met Sabine (Appelmans), Tia (Hellebaut) en Kim (Gevaert). Dat doen we één keer per jaar. Maar ik moet opletten. Mijn heupen zijn er slecht aan toe, mijn knieën ook. Allemaal het gevolg van jaren topsport. Laat dat duidelijk zijn, topsport is niet gezond. Je moet eigenlijk maf zijn om topsport te willen doen. Altijd je grens verleggen, altijd je lichaam pijnigen. Ik deed dat graag. Ik moet pijn voelen.

Ook vandaag nog?
Daag me niet uit. (lacht) Altijd en overal tot het uiterste gaan, is sterker dan mezelf, ook vandaag nog, ja. Al hou ik niet zo van die eigenschap. Als ik iets doe, wil ik winnen, zelfs een gezelschapsspel met mijn dochter.

Heeft zij dat ook?
O neen, zij is helemaal niet sportief of competitief ingesteld. Ze is wel creatief, iets wat ik helemaal niet ben. Ze houdt heel erg van mode. Ze is zowat mijn tegenpool, maar dat stoort mij helemaal niet.

Koken, is dat vandaag je grote passie?
Ja. Ik volg nu zelfs een opleiding om souschef te worden. Niet dat ik dat effectief wil doen, ik zou niet kunnen werken voor iemand anders. Maar ik hou van lekker eten. Dat heb ik van mijn moeder. Zij kookte ook graag en goed. Als ik klein was, maakte ik al flan caramel. Ik heb er zelfs over nagedacht een kookboek te schrijven. Maar dan ben je weer één van de zovelen.

De avond vóór de Olympische kamp om brons ga jij met dubbelpartner Els Callens en je toenmalige coach en man Bart Van Roost lekker Italiaans eten in Sydney-stad, met een wijntje bij, ver weg van het atletendorp. Had dat geen impact op je lichaam?
We dronken geen fles wijn, hé. Een lekkere pasta, met een glaasje bij. Dat was zelfs een zeer goed idee. We hebben die avond goed gelachen en geen moment aan die wedstrijd gedacht. Ik ben er zeker van dat dat ons geholpen heeft. Anders zit je in het dorp toch maar te piekeren. Natuurlijk moet je de avond voordien niet experimenteren met nieuwe gerechten, maar ik kende dat Italiaans restaurant zeer goed. Ik was al vaker in Sydney geweest.

Jij was eind 1998 de nummer negen van de wereld. Was dat het hoogst haalbare?
O ja. Ik had nooit gedacht dat ik top-tien zou kunnen halen. Dat was niet eens mijn ambitie. Pas in 1997 is dat geloof er gekomen, toen ik Sanchez klopte, de nummer twee van de wereld. Dan wist ik: ik kan de allerbesten kloppen. Dat voelt wel speciaal aan, dat mij dat gelukt is.

“Ik ben blij dat ik de beginjaren van Clijsters en Henin niet meegemaakt heb.”

Je bent vroeg gestopt, op je 27e. Betreur je dat nooit?
Neen. Het was op. Ik voelde dat ik verbitterd geraakte. Door het circuit. Dat is een heel oppervlakkige wereld. Je kan niemand vertrouwen, behalve de mensen in je team. Tennis is echt een heel individuele sport. Je heb weinig contact met andere speelsters.

Je hebt het niet zo voor die supersterren die zich verheven voelen, schrijf je in je biografie in 2007. Zijn er daarvan veel in het tennis?
Ik kan er toch enkele opnoemen. Een Anna Kournikova bijvoorbeeld. Fel begeerd door alle mannen, en zij is ook heel mooi, maar ze is ook verschrikkelijk qua persoonlijkheid. Voor haar waren andere speelsters quantité négligeable, behalve de nummer één dan. Zo’n houding ligt mij niet. Dat is wat ik bedoel met een oppervlakkige wereld. Ik was erop uitgekeken.

Je hebt zo wel de beginjaren van Clijsters en Henin gemist.
Tegen Kim heb ik nog twee keer gespeeld. Een eerste keer in Luxemburg, in 1999, verloor ik. Enkele maanden later klop ik haar wel op de Australian Open. Ik was heel blij. Even de puntjes op de i zetten, de hiërarchie herstellen. (lacht) Ik ben daar eerlijk in: ik ben blij dat ik die beginjaren niet meegemaakt heb. Als je de nummer één bent, dan wil je niet voorbijgestoken worden. Je hebt een bepaalde fierheid. Ik ben dus net op tijd gestopt. Want laten we eerlijk zijn: zij waren gewoon veel beter dan ik.

Zie jij jezelf als een geluksvogel?
Absoluut. Ik ben opgegroeid in een gelukkige familie. Mijn ouders hebben mij altijd goed ondersteund. Ik heb van mijn passie mijn beroep kunnen maken. Ik heb alles bereikt waarvan ik droomde, en zelfs meer dan dat.

Het sportrapport van Dominique Monami

Als kind was mijn idool …
Chris Evert was mijn grote voorbeeld.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …
Nafi Thiam, twee voeten op de grond, fantastische atlete.

Mijn mooiste sportmoment?
Brons op de Spelen in Sydney in 2000. Dat is gewoon uniek. Els en ik speelden ontzettend goed samen.

Mijn grootste ontgoocheling?
Verliezen van Mauresmo in de kwartfinale van de Australian Open in 1999. Dat was een gemiste kans op een Grand Slam-finale. In de halve finale wachtte Davenport, die mij goed lag.