Tweevoudig wereldkampioen Freddy Maertens over de heroïek en de tragiek van een wielrenner: “Ik geniet weer van het leven”

1566

Freddy Maertens is een groot kampioen. Twee wereldtitels, drie groene truien en vijftien ritten in de Tour, één Vuelta die hij domineerde van start tot finish. Maar de West-Vlaming, vandaag 65, kende ook diepe dalen. Geldzorgen in de eerste plaats. Heroïek en tragiek gaan vaak hand in hand. Dat symboliseert Maertens als geen ander.

We hebben afspraak in Beitem, Roeselare. Freddy en vrouwlief Carine wonen er in een huurhuis, opmerkelijk voor een kampioen van die omvang. Geen rotte frank heeft hij overgehouden aan zijn carrière, zucht hij. De fiscus, zal hij later zeggen. Toch proef je veel trots in dit huis. Trots op kleindochter Anna-Nina, getuige de grote foto’s aan de muren. Trots op zijn wielerverleden, getuige zijn biografie en twee regenboogtruien op de eettafel.

Het was zijn grootvader die hem destijds als kleine manneke op de fiets zette. Was dat niet gelukt, dan had hij één van zijn vaders zaken overgenomen, de wasserij of de dagbladen. Maar Freddy was een natuurtalent. “Keihard trainen, dát was mijn geheim. Michel Pollentier (zijn ploegmaat destijds, red) heeft het eens uitgerekend. Als je onze trainingskilometers optelt, kom je aan vier keer de wereld rond. De dag dat je een training uitstelt omdat het buiten regent, moet je een grote nagel in de balk slaan en je fiets erop hangen.”

Zijn grootste stunt was wellicht de Vuelta van 1977. Hij leidde van de eerste tot de laatste dag, won 13 van de 21 ritten. Toch noemt hij dat niet zijn mooiste moment. “Dat was uitzonderlijk. Niemand zal dat ooit nadoen. Maar ik schat mijn wereldtitel van 1981 hoger in. Geen mens gaf een cent om mijn kansen. Ik was al enkele jaren op de sukkel. Maar ik wist waarmee ik bezig was. Ik trainde in den duik. Ik reed kermiskoersen als voorbereiding, stapte halfweg uit koers, kleedde me om, en vertrok met de wagen naar een plek waar niemand me zag trainen. Ik zei mijn vrouw de donderdag voor het kampioenschap: kijk goed naar deze fiets, wie die zondag inhaalt, wint.”

Waarom was je op de sukkel?

Het faillissement van Flandria eind jaren zeventig, onze ploeg. En de financiële problemen nadien. Ik heb nooit mijn geld gezien. Maar ik moest er wel belastingen op betalen. De fiscus heeft mij geruïneerd. Ik heb mijn villa en mijn twee appartementen in Lombardsijde moeten verkopen. En ik moest op zoek naar een nieuwe ploeg. Ik was razend op Paul Claeys, de toenmalige baas van Flandria, die intussen overleden is. Gelukkig had ik mijn vrouw. Zij zei: ‘Freddy, we gaan weer doen zoals vroeger, ik de zaken, jij de koers.’ Zonder haar had ik domme dingen gedaan. Veel andere vrouwen zouden weggelopen zijn.

Was jij te naïef in geldzaken?

(blaast) Wie verwacht dat een multinational failliet gaat? En wat moest ik doen? Claeys wilde niet betalen. Ik heb er zijn zoon onlangs over aangesproken, op een koers. Die kon er niet mee lachen. Maar ik ook niet. Tot op vandaag mag ik geen eigendom hebben. Vraag me niet waarom. Ik weet het niet. Op den duur leg je je daarbij neer. We spreken daar nog zelden over. We zijn 44 jaar getrouwd, hebben een gezonde dochter en een gezonde kleindochter. Dat is het enige wat telt. En ik ben fier dat ik, ondanks die problemen, altijd mijn ploegmaats gesoigneerd heb. Zij zijn nooit het slachtoffer geweest.

“De fiscus heeft mij geruïneerd. Ik heb mijn villa en mijn twee appartementen moeten verkopen.”

Heb je geen spijt dat je destijds neen zei tegen het aanbod van Moser? Hij bood je tien miljoen frank om hem wereldkampioen te laten worden in 1976.

Neen. Een titel verkoop je niet. Alleen als je voelt dat je niet kan winnen, neem je zoiets aan. Dat was het spel destijds. Uiteindelijk heb je een gezin te onderhouden. Maar ik wist dat ik kon winnen.

Heb jij alles gewonnen wat je wou?

Dat denk ik wel. Ik ben fier op mijn palmares. Ik was geen Merckx. (denkt even na) Ik mis alleen de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix op mijn palmares. Dat moet ik toegeven. Ik kón de Ronde gewonnen hebben. Ik had er De Vlaeminck moeten afrijden op de Muur in 1977. Wat zou hij dan gedaan hebben? Maar goed, ik zeg liever niets meer over hem. (stil)

Heb jij ooit verboden middelen gepakt?

Nooit. Wij werkten wel samen met een professor. Je hebt medische begeleiding nodig als wielrenner. Je kan geen Tour of Vuelta uitrijden op een boterham of een biefstuk. We kregen begeleiding op maat. Ik heb dertien jaar de kamer gedeeld met Michel. Het enige wat wij beiden namen, was vitamine C. De rest was verschillend.

Je bent toch eens betrapt op stimul?

(feller) Wiens schuld was dat? Als een nieuw product op de verboden lijst kwam, dan werden overal de ploegen, de renners en de managers ingelicht. Behalve in België. Wij wisten niet dat dat verboden was.

Creatief waren renners wel in die tijd. Er is het verhaal van het condoom met zuivere urine in de anus van Michel Pollentier.

Ik heb dat nooit gedaan. (zwijgt even) Maar goed, dat kan gebeuren. Als de dokter niet kijkt op de lijst van verboden producten, wat moet je dan doen? Fred De Bruyne heeft zijn eigen renner verklikt. Zwak van hem.

En champagne drinken tijdens de koers, was dat toegestaan?

Natuurlijk. Anders had ik dat niet gedaan. Ik dronk champagne gemengd met cafeïne en suikers, maar alleen in de laatste dertig kilometer. Je moet je wel goed voelen. Alleen dan helpt dat. Als je al kapot zit, heeft dat geen zin.

“Betrapt op stimul? Wiens schuld was dat? Wij wisten niet dat dat verboden was.”

Jij was al eens het mikpunt van spot. Wat deed dat met je?

Dat heeft mij pijn gedaan. Maar ik ben die mensen niet vergeten.

Heb jij vrienden overgehouden aan de koers?

Veel zelfs. Mijn ploegmaten van Flandria, en Michel in de eerste plaats. Dat waren de mooiste jaren van mijn carrière. Jammer dat Marc Demeyer zo vroeg overleden is. Bernard Hinault is ook een vriend. Net als Merckx. Geen renner heeft mij zoveel gebeld als Eddy toen ik op de sukkel was met mijn gezondheid. Ik heb misschien geen geld overgehouden aan de koers, maar wel veel vrienden. Dat doet deugd.

Zijn je hartproblemen van de baan?

Ja. Ik voel me heel goed. Op 12 april ben ik geopereerd door professor La Meir. Pedro Brugada, de bekende cardioloog, zegt dat mijn hart weer tikt als een Zwitsers uurwerk: tik, tik, tik, heel regelmatig. (zwijgt even) Ik ben wel bang geweest. Die problemen bleven maar aanslepen. En dan kwam die zona erbij. Ik vreesde dat het niet meer zou ophouden. De dokter in Roeselare heeft me een jaar lang aan het lijntje gehouden. Pillen pakken, dat was iedere keer zijn oplossing. Op den duur zat ik aan zeventien pillen per dag. Tot Merckx zei dat ik naar Brugada moest gaan. Hij heeft alles opgelost.

Je bent er 65 geworden. Ben je nu ook met pensioen?

Officieel wel, hè. Maar ik ga wellicht weer aan de slag in het Wielermuseum Roeselare. Als de voorwaarden goed zijn. Mensen rondleiden: dat doe ik graag. Ik geniet weer van het leven. Dat is jaren anders geweest. Dat is mijn grootste hoop voor de toekomst: dat ik nog lang gelukkig en gezond mag blijven. Als renner leef je vaak geïsoleerd van je vrouw en kinderen. Die tijd wil ik nu goedmaken.

Hoe wil jij de geschiedenisboeken ingaan?

Als de mens die ik ben. Niet meer, niet min. Ik ga mezelf niet vergelijken met anderen. Ik ga niet zeggen: ik was beter dan die of die. Anderen doen dat wel. Ik vind dat onnozel. Je kan de tijden niet vergelijken. Dat ze mij nog herinneren, dat vind ik het voornaamste.

 

Het sportrapport van Freddy Maertens

Als kind was mijn idool …

Rik Van Looy. Hij had ook dikke billen en kuiten net zoals ik later. Hij is een goede vriend geworden.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Dat vind ik moeilijk. Zet maar Robert Van de Walle en Jean-Marie Dedecker.

Mijn mooiste sportmoment?

De wereldtitel van 1981. Omdat die voor de buitenwereld zo onverwacht kwam.

Mijn grootste ontgoocheling?

Ik ben vooral ontgoocheld in mensen. In Paul Claeys met al zijn valse beloften. En er zijn er nog.

(foto belga)