Vorig jaar was zijn grote doorbraakjaar. Na zijn Belgische titel in juni werd hij zelfs het gedroomde uithangbord voor een nieuwe lichting vaderlandse wielrenners genoemd. Zeggen dat het snel gaat voor Oliver Naesen, is een understatement. Vier jaar geleden werkte de 26-jarige Oost-Vlaming nog als koerier voor een wasserij.

Voor mij zit een aimabele gast. Dat voel je meteen. Pienter ook. Guitige glimlach. Vlotte tong. Hij vertelt over zijn move van hotel mama in Berlare naar dit gloednieuwe appartement in Wanzele, tien kilometer verder. Om samen te hokken met zijn geliefde Dorien. Hij vertelt ook dat hij vandaag pas laat uit Spanje zal terugkeren. Maar dat zijn mama het interview ongetwijfeld zal uitknippen voor haar knipselboek. Zijn voorbereiding op het nieuwe seizoen was optimaal, voegt hij toe. “Ik ben beter dan vorig jaar. Ik weet dat: alles is meetbaar tegenwoordig.”

Win je straks je eerste klassieker?

Dat zeggen zou niet realistisch zijn. Ik kán een klassieker winnen, dat wel. Greg (Van Avermaet, red), Sagan en Gilbert zijn buiten categorie. Zij winnen wellicht elk minstens één klassieker. Daarna komen Stuyven, Vanmarcke, Degenkolb, Kwiatkowski en ikzelf. Wij maken kans. Maar mijn voorjaar hangt er niet van af. Mijn ambitie is de top vijf, en liefst het podium. Als ik geen enkele keer een winnaar over de meet zie rijden, zal ik wél teleurgesteld zijn.

Als je één klassieker mag winnen, welke dan?

De Ronde van Vlaanderen, dat is mijn droomkoers. Ik ben van die streek. Maar goed, ik zit vandaag niet in de luxepositie om te kiezen. (lacht)

Vorig jaar brak je helemaal door. Had je dat verwacht?

Ja, toch wel. In 2016 reed ik mijn eerste Tour. Dat was mijn grote sprong voorwaarts. Wat je op die drie weken leert, kan je thuis niet simuleren. Ik won daarna meteen Plouay, werd tweede in de Eneco en reed een goed WK. Dat ik vlak vóór die Tour kon tekenen voor AG2R, was ook een boost. Mijn ploeg, IAM Cycling, zou ermee ophouden na dat jaar. Verschillende ploegen waren geïnteresseerd, ook Lotto, maar dan om in dienst te rijden. AG2R wou me als kopman voor het voorjaar. Dat was een aangename verrassing: ik kon weinig adelbrieven voorleggen. Ze zochten blijkbaar iemand die goedkoop was, maar toch punten kon sprokkelen.

Ben je nog steeds zo goedkoop?

(lacht) Neen. Ik heb vorig jaar een contractverlenging getekend tot eind 2020. Wat daarin staat, getuigt van veel vertrouwen.

“Voetballers krijgen maandelijks 400.000 euro en meer in hun nek. Dan kun je niet normaal doen.”

 

Na je Belgische titel noemde Sport/Voetbalmagazine jou het gedroomde uithangbord voor de nieuwe lichting. Wat doet dat met je?

Dat zijn mooie woorden, hè. Maar ik ga dat niet van mezelf zeggen. Ik ga niet zweven. Ik heb jaren gewerkt als koerier voor 1600 euro per maand. Ik weet wat het echte leven is. Ik zie trouwens weinig wielrenners die zweven. Dat is anders in het voetbal. Die jongens krijgen maandelijks 400.000 euro en meer in hun nek. Dan kun je niet meer normaal doen. Of vind jij van wel? Die mannen kunnen elke maand een Ferrari kopen. Zo’n lonen bestaan niet in het wielrennen.

Jij wordt vaak de vlotste van het peloton genoemd. Klopt dat?

Misschien. Als ik een interview geef, wil ik iets vertellen. Jij doet de moeite om bij mij thuis te komen, om dit gesprek voor te bereiden. Dan is het voor mij een kleine moeite om ernstig te antwoorden. Maar in het peloton zitten nog vlotte jongens. Je vindt er eigenlijk van alles, van de slimste koppen tot de stomste kiekens. (lacht)

Was wielrenner worden een kinderdroom?

Neen. Ik wou skater worden. Ik was gek van al die stuntmannen. Ik volgde de koers wel, dankzij mijn stiefvader. Hij was een wielertoerist. Met hem heb ik mijn eerste tochten gemaakt.

Hoe is je relatie met je vader?

Wij hebben geen contact. Mijn laatste herinnering moet dateren van toen ik zes was. Ik praat daar niet graag over. Dat doet mijn moeder te veel pijn.

Terug naar de koers dan.

Ik ben pas écht beginnen koersen op mijn zestiende. De trigger was het WK in Madrid waar Boonen won. Ik zat met een vriend te kijken. Boonen was een icoon voor ons. Alles wat hij zei en deed, was cool. We hebben die dag allebei besloten een vergunning aan te vragen. Maar de droom om prof te worden, lag na enkele jaren al aan diggelen. Die bleek niet realistisch. Toen toch niet.

Tijdens je studentenperiode ontdekte je andere geneugten.

Dat wordt overdreven in de media. Fietsen was toen niet het belangrijkste in mijn leven, dat klopt. Ik moest al stevig blokken om erdoor te geraken (licentiaat LO, red), en ik ging inderdaad graag uit. Maar dat was hoogstens één keer per week. Ik geloofde toen gewoon niet dat ik ooit prof kon worden. Elke wielrenner zal je met plezier vertellen hoeveel overwinningen hij behaalde bij de jeugd. Ik heb er nul. Mijn eerste zege dateert van 2012, een kermiskoers.

“Ik vind het lullig om zonder diploma door het leven te gaan.”

Heb je spijt van iets?

Ja, toch wel. Ik ben vroegtijdig gestopt met studeren. Al is dat goed uitgedraaid. Had ik die studie afgemaakt, dan was ik nooit prof geworden. Dan had ik een mooie job gezocht, en was ik nooit ernstig beginnen koersen. Maar ik vind het lullig om zonder diploma door het leven te gaan. Ik ben een vakidioot nu. Ik weet alles van de koers, de trainingen, gezond eten, maar verder niets. Een boeiende wereld gaat aan mij voorbij. Ik probeer de actualiteit wel te volgen, maar vaak ontbreekt de tijd. Als renner zit je in een cocon. Van mijn studentenleven heb ik geen spijt. Dat waren fantastische jaren. Ik heb toen ook mijn vriendin leren kennen.

Dorien is apotheker. Is zij ook een klassieke rennersvrouw?

Zeker niet. Ze is geen WAG, en ze is niet gemaakt om aan de haard te zitten. Zij heeft haar eigen ambities. En maar goed ook.

Veel sportmannen zijn thuis nochtans grote luiaards.

Dat zou bij Dorien niet pakken. Ik zou het ook niet willen. Ik geniet ervan om samen eten te maken. Ik doe ook zelf de was. En straks ga ik nog stofzuigen.

Wanneer begon je te geloven dat je toch prof kon worden?

In mijn laatste jaar als student won ik mijn eerste koers. Ik was altijd blijven rijden voor de lokale club van Erpe-Mere. Meteen daarna won ik nog twee koersen. Ik voelde mij sterker worden. Ik ben dan gestopt met studeren en beginnen werken voor een wasserij. Na elke werkdag kroop ik de fiets op. Ik heb toen ook voor het eerst met een trainer gewerkt, Koen Scheerlinck. Hij stelde een schema op, en zei me: als je dat één jaar volgt, ga je ofwel stoppen, ofwel héél goed rijden. Het is dat laatste geworden.

Heb je andere passies vandaag?

Weinig. Al mijn vrije tijd is voor mijn vriendin, familie en vrienden. Ik lees wel eens een boek, maar dan opnieuw sportgerelateerd. (haalt een stapeltje boven) Dit heb ik liggen: allemaal over sport en wetenschap, biografieën.

Vooral van dopingzondaars, zie ik.

Zij hebben iets te vertellen, hè. (lacht) Ik vind dat boeiende verhalen. Wel jammer dat nadien vaak blijkt dat ze toch weer gelogen hebben.

Erger jij je nooit aan het wereldje? Een Froome koerst deze week gewoon mee in het peloton.

(blaast) Ik vind dat niet normaal, neen. Als ik mijn whereabouts één keer verkeerd invul, kan ik eruit gegooid worden. Ik zeg niet dat Froome iets gedaan heeft wat niet mag. Maar zolang die historie (positieve test tijdens de Vuelta, red) niet uitgeklaard is, zou hij wel op non-actief moeten geplaatst worden.

Het sportrapport van Oliver Naesen

Als kind was mijn idool …

De Amerikaanse skater Tony Hawk.

Vandaag heb ik grote bewondering voor …

Nafi Thiam. Een unieke en interessante vrouw.

Mijn mooiste sportmoment?

Belgische kampioen worden in juni 2017.

Mijn grootste ontgoocheling?

De Ronde van Vlaanderen vorig jaar: crashen op de Oude Kwaremont. Ik voelde mij zó sterk. Ik was klaar voor minstens het podium. Ik moet bekennen dat ik de Oude Kwaremont niet meer gepasseerd ben sinds die dag.

(foto photo news)